'U zult uw auto op straat moeten laten staan, want er wordt aan de oprijlaan gewerkt. Maar als u de tuinmuur volgt, vindt u vanzelf het deurtje voor voetgangers.' Germaine Titeca woont in een prachtige grote, oude, witte villa op een familiedomein in Jette. Ze is bijna negentig, en vrijwilligster van het eerste uur. Vijftig jaar lang al zorgt ze ervoor dat de kandidaten van de Koningin Elisabethwedstrijd bij Belgische gastgezinnen gratis onderdak vinden. Talloze anekdotes heeft ze erover te vertellen - zij het uitsluitend en français. Over het moeizame reizen in de tijd dat er nog geen regelmatige lijnvluchten waren. Over het zilverwerk en de seringen die ze van thuis meebracht om de koningin in haar loge met gepaste stijl te kunnen ontvangen. Over de suikertaart die de koningin zo graag at. Over l'esprit concours, de glimlach om de lippen van tramreizigers die het rode programmaboekje in de handen van hun medepassagiers herkennen. Maar herinneringen aan momenten van grote muzikale ontroering heeft ze niet meteen. Een voorkeur voor piano, viool of zang evenmin. Een fervente concertbezoekster is ze nooit geweest.
...

'U zult uw auto op straat moeten laten staan, want er wordt aan de oprijlaan gewerkt. Maar als u de tuinmuur volgt, vindt u vanzelf het deurtje voor voetgangers.' Germaine Titeca woont in een prachtige grote, oude, witte villa op een familiedomein in Jette. Ze is bijna negentig, en vrijwilligster van het eerste uur. Vijftig jaar lang al zorgt ze ervoor dat de kandidaten van de Koningin Elisabethwedstrijd bij Belgische gastgezinnen gratis onderdak vinden. Talloze anekdotes heeft ze erover te vertellen - zij het uitsluitend en français. Over het moeizame reizen in de tijd dat er nog geen regelmatige lijnvluchten waren. Over het zilverwerk en de seringen die ze van thuis meebracht om de koningin in haar loge met gepaste stijl te kunnen ontvangen. Over de suikertaart die de koningin zo graag at. Over l'esprit concours, de glimlach om de lippen van tramreizigers die het rode programmaboekje in de handen van hun medepassagiers herkennen. Maar herinneringen aan momenten van grote muzikale ontroering heeft ze niet meteen. Een voorkeur voor piano, viool of zang evenmin. Een fervente concertbezoekster is ze nooit geweest. Madame Titeca zou symbool kunnen staan voor wat vele critici zo aan de Elisabethwedstrijd verafschuwen: dat het een m'as-tu vu-gebeuren is voor de Franstalig Brusselse haute bourgeoisie, waar het publiek meer oog heeft voor de avondtoiletten van de dames dan oor voor de muziek. In essentie hetzelfde publiek als dat van de paardenrennen, quoi. Gevoelig voor de uitstraling van de kandidaten. Geneigd tot prognosticeren over winnaars en verliezers. Ce n'est pas seulement le ton qui fait la musique - het mag toch ook een beetje spannend zijn? Mevrouw Titeca en haar vriendinnen-vrijwilligsters mogen intussen hoogbejaard zijn, uitsterven doet hun mondaine kringetje niet: de dochters, schoondochters en kleindochters zijn al begonnen aan de aflossing van de wacht. 'Zou het toevallig zijn dat het typische rood van de programmaboekjes van de wedstrijd precies hetzelfde rood is als dat van de chocolaatjes van de Brusselse patissier Wittamer?' spot Jan Michiels, de recentste Belgische pianolaureaat. DE UTOPIE VAN ELISABETHDat de Elisabethwedstrijd zo'n aantrekkingskracht uitoefent op de Brusselse betere kringen heeft natuurlijk alles met het patronaat van het Hof te maken. Sinds de dood van koningin Elisabeth in 1965 is Fabiola de trouwste wedstrijdbezoekster; ook andere leden van het koningshuis komen geregeld luisteren. Maar zo'n aficionada als Elisabeth zelf is geen van haar familieleden. Er wordt verteld dat ze niet één optreden van een kandidaat heeft gemist. 'Ze schrok er zelfs niet voor terug om midden in de nacht wedstrijdorganisator Marcel Cuvelier op te bellen omdat ze de naam van een van de finalisten miste', weet Germaine Titeca nog. Muziek was Elisabeths passie. Ze woonde zeer vaak concerten bij. Ze nodigde topmuzikanten en -componisten op het paleis uit en correspondeerde met hen. Mede dankzij haar steun kreeg Brussel in de jaren dertig eindelijk een kunstencentrum met een behoorlijke concertzaal, het Paleis voor Schone Kunsten met de (onlangs gerestaureerde) Henri Le Boeuf-zaal. De koningin speelde zelf dagelijks anderhalf uur viool. In haar archieven zijn talrijke, in haar handschrift geannoteerde partituren terug te vinden, vaak van behoorlijk moeilijke muziekstukken. Maar hoe goed ze precies speelde, is moeilijk te achterhalen. Toen ze na een concert eens een stukje Bach mocht spelen op de stradivarius van David Oistrach en hem op de man af vroeg wat hij van haar kunsten vond, antwoordde die fijnzinnig: ' Vous jouez comme une reine.' Volgens de historicus Willem Erauw, die een biografie over haar schreef, had muziek voor de koningin, dochter van de Beierse hertog Karl-Theodor von Wittelsbach, een religieuze en zelfs een politieke betekenis. 'Elisabeth hing een typisch Duits romantisch wereldbeeld aan, waarin de muziek als een soort openbaring van een bovennatuurlijke realiteit werd beschouwd', zegt Erauw. 'Onder meer in de brieven aan Albert Einstein komt dat sterk tot uiting. Aan haar sterfbed zouden in plaats van het traditionele kruisbeeld haar Stradivarius-viool en Tourte-strijkstok liggen.' Ook de reizen die la Reine Rouge op het einde van haar leven naar Polen, China en de Sovjet-Unie maakte, waar ze op het balkon van het Kremlin naast Nikita Chroesjtsjov de 1-meistoet volgde, pasten perfect in haar wereldbeeld. Erauw: 'De directe aanleiding voor haar bezoeken waren muziekwedstrijden: de Chopin in Warschau, de Tsjaikovski in Moskou. Maar ze had ook een ruimere agenda. Elisabeth zag muziek als een utopie, een voorafspiegeling van de ideale maatschappij, waar alles in harmonie is. Ze hoopte in de socialistische landen die harmonieuze samenleving te vinden. Ze geloofde bovendien in de kracht van de muziek om volkeren te verbroederen, om tot vrede te komen in die tijden van Koude Oorlog.' ONMIDDELLIJK WERELDSUCCESHet idee om een internationale muziekwedstrijd in te stellen, kwam overigens niet van haar. De geestelijke vader van het initiatief was Eugène Ysaye * , aan het begin van de vorige eeuw wellicht de grootste violist ter wereld. De Belgische virtuoos maakte uiteindelijk een wereldcarrière, maar het begin van zijn loopbaan was erg moeizaam verlopen: hij moest op volksbals, in literaire salons en brasseries spelen. Hij droomde van een internationale wedstrijd die jonge muzikanten de kans zou geven hun carrière op een professionele manier te beginnen. Ze zouden een examen moeten afleggen, waarin ze moesten bewijzen een ruim repertoire onder de knie te hebben én in staat te zijn zelfstandig een muziekwerk te interpreteren. De wedstrijd moest van zo'n hoog niveau zijn dat de laureaten meteen een entree in het internationale concertleven zouden hebben. Al sinds de Eerste Wereldoorlog onderhield Elisabeth vrij nauwe banden met de immer reizende Ysaye *. Toen de violist zich in de jaren twintig, verzwakt door diabetes, opnieuw in België vestigde, ontmoetten de twee elkaar veelvuldig. In die tijd ontstonden de concrete plannen voor de wedstrijd. Maar het zou nog duren tot mei 1937, zes jaar na de dood van Ysaye *, voor de eerste wedstrijd werkelijk plaatsvond. Oorspronkelijk was het de bedoeling dat het Concours International Eugène Ysaye * voor viool om de vijf jaar zou worden gehouden. Maar de eerste editie was zo'n reusachtig succes, met een jury en een eerste laureaat - de Rus David Oistrach - van wereldformaat, dat besloten werd het jaar daarna een nieuwe wedstrijd te organiseren, deze keer voor piano. Opnieuw waren jury en laureaten, met als eersteprijswinnaar de Rus Emil Gilels, van topniveau. De reputatie van de Brusselse muziekwedstrijd leek gevestigd. In 1939 zouden de dirigenten in het strijdperk treden, maar door de gespannen politieke toestand aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog moest de wedstrijd worden afgelast.HET UNIEKE VAN DE WEDSTRIJDNa de oorlog nam koningin Elisabeth de draad van de wedstrijd weer op. Samen met graaf Paul de Launoit, die als mecenas optrad, en Marcel Cuvelier, de stichter van Jeugd en Muziek en voorzitter van de Filharmonische Vereniging van Brussel, zette ze de Internationale Muziekwedstrijd Koningin Elisabeth van België op poten. Op 3 mei 1951 was de eerste editie, voor viool. De wedstrijd bouwde voort op het vooroorlogse Ysaye * -concours. Tot vandaag is het reglement in wezen hetzelfde gebleven. De wedstrijd bestaat uit drie ronden: een schiftingsronde, een halve finale met 24 kandidaten, en een finale met twaalf kandidaten. Het programma wordt samengesteld op basis van een uitgebreid repertoire. De juryleden, altijd van uitzonderlijk niveau, geven individueel cijfers, die gewoon worden opgeteld. De kandidaat met de hoogste cijfers wint. Er wordt nooit beraadslaagd. De twaalf finalisten moeten, naast een vrij te kiezen concerto, ook een nieuw werk spelen, waarvan ze de partituur slechts acht dagen voor hun aantreden ter beschikking krijgen. Dat opgelegde werk moeten ze zonder enige hulp van een leraar instuderen, waartoe ze in de Koninklijke Muziekkapel van Argenteuil worden afgezonderd. Die formule maakt de Elisabethwedstrijd uniek in de wereld. Maar Jan Michiels vindt dat de waarde ervan wordt overschat. 'Eerst en vooral is dat opgelegde concerto meestal absoluut niet moeilijk. Ik kende het in twee dagen, anderen van mijn jaar zelfs in één dag. En wat de afzondering aangaat: de laureaten helpen elkaar natuurlijk wel. Bovendien komt de componist zelf op bezoek in de kapel. Ik zie niet welke andere hulp van buitenaf een kandidaat nog meer zou kunnen krijgen voor dat onbekende hedendaagse werk. Leraars hebben met dat soort muziek meestal ook weinig ervaring. Ik had gewoon graag zelf gekookt die week.' Kleine aanpassingen aan het reglement zijn er wel geweest: wijzigingen op het vlak van leeftijdscategorie, een extra schiftingsronde, het repertoire. In 1995 werd ook beslist dat alleen nog de eerste zes 'laureaat' worden genoemd, de laatste zes mogen zich alleen nog 'finalist' noemen. Maar de belangrijkste verandering die de wedstrijd in de loop der jaren onderging, betreft ongetwijfeld de disciplines. De Elisabethwedstrijd kent een vierjaarlijkse cyclus, waarin achtereenvolgens viool, piano en compositie op het programma staan, gevolgd door een jaar rust. In 1982 werd de compositiewedstrijd echter afgevoerd, bij gebrek aan publieke belangstelling. Vandaag maakt compositie opnieuw deel uit van de wedstrijd, maar niet als zelfstandige discipline: de finalisten studeren de winnende compositie als opgelegd werk in. In 1988 ten slotte werd, op instigatie van onder meer tenor José Van Dam en toenmalig Munt-directeur Gerard Mortier, zang als vierde discipline op het wedstrijdprogramma gezet. Sommigen hebben er bedenkingen bij dat een kandidaat daarin opera, oratorium en lied moet combineren - iets wat de meesten in het professionele leven niet doen. Maar ook voor zang, dankzij de alweer hoogstaande jury en niet in de laatste plaats ook dankzij stralende winnaressen als de Poolse Aga Winska en de Canadese Marie-Nicole Lemieux, verwierf de Elisabethwedstrijd snel de reputatie van een van de grootste wedstrijden ter wereld.KOUDE OORLOG IN DE KUNSTOp de eerste editie van de Elisabethwedstrijd in 1951 was de suprematie van de Sovjet-Unie verpletterend. Niet alleen won Leonid Kogan de eerste prijs, ook de tweede, vijfde en zevende laureaat waren Russen. Daarmee hadden alle ingeschreven kandidaten van de Sovjet-Unie een finaleplaats afgedwongen. Net nu de Koude Oorlog in alle hevigheid woedde - de Koreaanse Oorlog was volop bezig, in de Verenigde Staten was de heksenjacht op de communisten geopend - kon het Westen dat succes niet echt appreciëren. De communisten lieten de kans niet liggen om politieke munt te slaan uit hun muzikale overwinningen. 'Zelfs de kranten die normalerwijze enkel laster en leugens over de Sovjet-Unie publiceren, moeten nu de superioriteit van het land van het socialisme in zijn diverse aspecten erkennen', schreef Le Drapeau Rouge. En bij zijn terugkeer getuigde Leonid Kogan in de sovjetpers hoe saai Brussel wel was en dat de stad vol liep met soldaten in Amerikaanse uniformen. Er waren volgens hem ook veel Amerikaanse automerken te koop, maar 'de Moskvitsj, mooi en niet duur, valt meer in de smaak bij de Belgen en verkoopt beter', voegde hij eraan toe. Mede door Kogans uitspraken verzuurden de relaties tussen Moskou en de wedstrijdorganisatoren zo dat de Sovjets in 1952 niet aan het concours deelnamen. Meteen slaagde die andere grootmacht, de Verenigde Staten, erin met Leon Fleischer de eerste prijs in de wacht te slepen. Tot halverwege de jaren zeventig zou de strijd tussen Russen en Amerikanen, tussen het Conservatorium van Moskou en de Juilliard School in New York, de Elisabethwedstrijd beheersen. De Sovjet-Unie was duidelijk de sterkste: de Russen behaalden tussen 1951 en 1976 negen keer de eerste prijs, vier keer voor viool en vijf keer voor piano. De Verenigde Staten moesten zich tevreden stellen met drie eerste laureaten: twee voor piano en een voor viool. In die periode leverden Russen en Amerikanen samen niet minder dan 79 finalisten. Voor de Amerikaanse pianisten Leon Fleisher en Malcom Frager zou de wedstrijd het begin van een zeer succesvolle wereldcarrière betekenen, net zoals voor hun Russische collega's Vladimir Asjkenazi en Valeri Afanassiëv, alsook voor de Russische violisten Filip Hirsjhorn en Gidon Kremer (derde laureaat in 1967). De Sovjet-Unie mocht dan al veruit de mooiste wedstrijdpalmares kunnen voorleggen, pijnlijk voor de autoriteiten in Moskou waren de vele kandidaten die van hun Brusselse ervaring gebruikmaakten om naar het Westen over te lopen. Onder meer Hirsjhorn, Kremer en Afanassiëv waren in de jaren na hun optreden hun land ontvlucht, begin jaren negentig zouden velen hun voorbeeld volgen. Uit protest besloten de Sovjets na 1976 het concours te boycotten. Het zou tot 1985 duren voor in de finale weer een Russische kandidate werd opgemerkt. In 1989 behaalde de Sovjet-Unie voor de laatste keer nog een eerste prijs, met de uiterst getalenteerde zestienjarige violist Vadim Repin. Maar van een Russische dominantie zou nooit meer sprake zijn. De jongste 25 jaar zijn de eerste laureaten mooi geografisch gespreid: drie Fransen, twee Japanners, een Libanees, een Chinees, een statenloze, een Poolse, een Duitser, een Amerikaan, een Deen, een Oekraïner en een Canadese. De namen Pierre-Alain Volondat, Frank Braley, Stephan Salters en Marie-Nicole Lemieux klinken de meeste muziekliefhebbers vertrouwd in de oren. De Elisabethwedstrijd is het idee van de laatste grote vertegenwoordiger van de Belgische vioolschool. De muziekkapel van Argenteuil, waar de finalisten in afzondering gaan, werd eind jaren dertig opgericht als een hogeschool die Belgische muzikanten een duwtje in de rug moest geven. Maar op het concours heeft nooit een landgenoot de eerste prijs behaald. Dat zal ook dit jaar niet gebeuren, want de vier Belgen die ingeschreven waren, lagen er na de eerste schiftingsronde al uit. De beste Belgische prestatie was die van pianist Jean-Claude Vanden Eynden, die in 1964 derde werd. Sinds 1951 haalden 22 Belgen de finale. Voor viool was dat de recentste keer in 1980, met Véronique Bogaerts (negende), voor piano in 1991, met Jan Michiels (twaalfde), en voor zang vorig jaar nog, met Véronique Solhosse (finaliste). Enkele bekende Belgische ex-deelnemers zijn verder Rudolf Werthen, nu orkestleider van I Fiamminghi, Robert Groslot, nu vooral actief als dirigent (onder meer van de Night of the Proms), en de zangers Werner Van Mechelen en Anne Cambier, die op het huwelijk van Filip en Mathilde zong.OUDE MUZIEKCULTUUR'Natuurlijk helpt het je carrière als je laureaat van de Elisabethwedstrijd bent. Zeker hier in België. Ik voel dat nu nog af en toe. Hoewel de mensen nu gelukkig vooral geïnteresseerd zijn in de dingen waar ik nu mee bezig ben', zegt Jan Michiels, die na zijn concourservaring veel hedendaagse muziek is gaan spelen. Maar hij wil jonge muzikanten geen zand in de ogen strooien. 'Vroeger waren wedstrijden zeker een middel om als muzikant aan de bak te komen. Maar nu zijn er zoveel wedstrijden, dat het belang ervan verminderd is. De Elisabethwedstrijd blijft nog wel een mooi visitekaartje, maar meer is het ook niet. Het echte werk begint pas na de wedstrijd. Als pianist besta je eigenlijk niet zolang je geen opnames hebt. Dat is pas een moeilijke markt, want er lopen zeer veel goede pianisten rond.' Sommigen vinden dat helemaal geen slechte evolutie - wedstrijden zijn voor paarden, zoals Béla Bartók al zei. Menen de voorstanders dat de kandidaten heel objectief worden beoordeeld, puur op professionele en niet op commerciële gronden, de critici zijn van oordeel dat dergelijke vergelijkingen helemaal geen zin hebben. Zoals Stefan Moens, onder de muziekrecensenten de grootste criticus. 'Het cliché wil dat het virtuoze niet doorslaggevend is, dat de musicaliteit primeert. Maar hoe kun je dat meten? Vergelijken? Het enige wat je misschien kunt zeggen is dat kandidaat A op dit moment verder staat dan kandidaat B. Maar wat zegt dat over de toekomst? En welke bestaansreden heeft zo'n wedstrijd buiten de kandidaten aan een toekomst helpen?' aldus Moens. 'Wat ik een probleem vind, is dat het zo belangrijk wordt bevonden, dat er zoveel poeha over wordt gemaakt. Ik begrijp die enorme media-aandacht niet, ik wil die zelfs niet begrijpen. In het beste geval gaat het om mensen die aan het begin van een mooie carrière staan. Zij krijgen een forum waarvan de allerbeste musici enkel kunnen dromen, met belangstelling van het Hof, radio, televisie, de kranten, noem maar op.' Enfant terrible Jos Van Immerseel zou ooit aan de koningin gevraagd hebben wanneer ze de wedstrijd nu eens zou afschaffen. Moens vindt het een heel zinnige vraag. 'De wedstrijd is een element van de muziekcultuur van vijftig, om niet te zeggen tachtig jaar geleden. Nieuwere vormen van muziekcultuur hebben daar geen boodschap aan. De hedendaagse muziek, maar ook hoe Jos Van Immerseel bezig is met oude muziek, het Oxali-ensemble met kamermuziek, die hebben een manier van omgaan met muziek die niet verenigbaar is met wedstrijden. Hun gaat het om de relatie van de uitvoerder met het muziekwerk, niet om de relatie tussen de uitvoerders onderling of tussen de uitvoerder en het publiek. Elisabeth heeft grote betekenis gehad voor het muziekleven in België. Als de huidige vorst een even verlicht idee zou hebben als zijn grootmoeder, schaft hij die wedstrijd af en neemt hij een hedendaags initiatief.' Christine Albers