Eind februari, begin maart werd het de Vakgroep Sociologie net iets te gortig. In de kranten lazen de sociologen van de VUB koppen over de toenemende onverdraagzaamheid in Vlaanderen. De media haalden hun mosterd uit de kakelverse Vlaamse Regionale Indicatoren, een jaarlijks terugkerende peiling naar het welbevinden van Vlaanderen. Uit die indicatoren zou blijken dat Vlaanderen nog maar eens een paar streepjes racistischer was geworden. In dit blad trok Johan Leman, directeur van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen, het boetekleed aan en bekende uitvoerig schuld.
...

Eind februari, begin maart werd het de Vakgroep Sociologie net iets te gortig. In de kranten lazen de sociologen van de VUB koppen over de toenemende onverdraagzaamheid in Vlaanderen. De media haalden hun mosterd uit de kakelverse Vlaamse Regionale Indicatoren, een jaarlijks terugkerende peiling naar het welbevinden van Vlaanderen. Uit die indicatoren zou blijken dat Vlaanderen nog maar eens een paar streepjes racistischer was geworden. In dit blad trok Johan Leman, directeur van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen, het boetekleed aan en bekende uitvoerig schuld. Koen Pelleriaux, een van de VUB-sociologen, noemt nu de interpretatie van de cijfers ronduit "een flater. De conclusies waren compleet fout. Je kan Johan Leman niet eens verwijten dat hij er nog een schep bovenop deed; hij ging af op wat er in de media verscheen. Leman heeft vorige week een en ander genuanceerd. Hij zegt dat het aantal klachten op grond van racisme afneemt. Hoewel er niet noodzakelijk een relatie bestaat tussen die afname en de ontwikkeling van verdraagzaamheid." De eerste die in feite de stelling Vlaanderen-wordt-zwarter goed onderuithaalde, was de Leuvense professor Jaak Billiet. Hij legde onderzoeken van het Interuniversitair Steunpunt Politiek Opinieonderzoek (ISPO) naast elkaar. Op basis van deze gegevens besloot Billiet dat voor de periode 1989-1996 het racisme bij ons zeker niet was toegenomen, maar veeleer stabiel leek te blijven. Het weerwerk van de Billiet - hij had perfect gelijk, zegt Pelleriaux - haalde amper de media. Goed nieuws, geen nieuws. Billiets vakgenoten van de VUB deden nu alles nog eens over. Ze namen vier opiniepeilingen - twee van het ISPO, twee uitgevoerd in opdracht van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap - over de periode 1991 en 1998. Daaruit distilleerden zij onder andere tien vragen die in allevier de enquêtes terugkwamen ( zie kader). Hun besluiten schreven ze neer in een onderzoeksnota Verdraagzaamheid in Vlaanderen. Als een rode draad door heel het betoog loopt de vaststelling: het etnocentrisme neemt na een piek in 1995 licht af. DE BLANKE MAN IS MINDER BANG"Je mag op basis van deze nota niet beweren, dat alles goed zit", zegt Pelleriaux. "Wij zijn nog niet thuis. Met de stelling dat België nooit gastarbeiders had moeten binnenlaten, is vandaag de dag nog altijd een kwart van de ondervraagden het eens. Dat is dus veel. Eén vijfde van de bevolking vindt dat migranten niet te vertrouwen zijn. Even significant: de helft van de ondervraagden denkt dat gastarbeiders komen profiteren van onze sociale zekerheid. Daar klopt natuurlijk niks van, ze zijn zelfs met te weinig om financieel zwaar te kunnen wegen op de sociale zekerheid." In de nota zetten de vorsers alle gegevens netjes uit op een schaal van 100. Als alle ondervraagden het eens zouden zijn met alle racistische stellingen, had de computer bij de verrekening die 100 gegeven. Voor 1991 stopte de teller op 53,3 en zeven jaar later staat hij 45,7. Het betekent een daling met bijna 8 punten. Een deel van die "winst" valt zonder meer toe te schrijven aan een soort gewenning. Migranten bewegen zich nu dertig, veertig jaar in onze samenleving. De bange blanke man is dus minder bang. Bovendien verdwenen een aantal wrijvingspunten. Allochtonen van een derde generatie spreken Nederlands, kennen de zeden en gewoonten van de autochtonen beter en op die manier ontstaan er minder potentiële conflicthaarden. Die tien stellingen slaan voor ongeveer de helft terug op sociaal-economisch etnocentrisme. Zeg maar: gastarbeiders pakken ons werk af en zitten in onze vetpotten. De andere vragen peilen veeleer naar een cultureel racisme. Genre: moslims bedreigen onze cultuur. In beide categorieën neemt nu het etnocentrisme duidelijk af. Waaruit de Vakgroep Sociologie besluit dat "de toename van de verdraagzaamheid niet meteen aan de verbetering van de economische toestand is toe te schrijven. Ook sociale, culturele en politieke weerstanden zijn afgenomen." Volgens Pelleriaux is dat voor een stuk het resultaat van een stille aanpak. "Als je kijkt naar heel die sector van de samenlevingsopbouw die ook ten dienste staat van migranten, zie je dat die in stilte werkt. En het de jongste jaren vrij goed heeft gedaan. Er is niet gepolariseerd, men heeft niet geprobeerd rechten af te dwingen via grote, spectaculaire acties. Het Centrum voor Gelijkheid van Kansen, dat is hetzelfde verhaal. Het kan zich burgerlijke partij stellen bij conflicten, maar heeft daar slechts sporadisch gebruik van gemaakt. Het Centrum stond dus niet om de haverklap op de barricaden. Die strategie begint nu blijkbaar te werken. Wanneer wij de andere kant zouden uitgaan, met sterke polarisatie die het Vlaams Blok of - aan het andere uiteinde van het spectrum - de PVDA nastreven, krijg je gegarandeerd grotere conflicten." Pelleriaux wijst er ook op dat de overheid op gepaste momenten, goed getimed het migrantenbeleid bijstuurde. Slechts één kans heeft zij volgens hem laten liggen. Na de affaire rond Loubna Benaïssa had de regering volgens hem beter het stemrecht voor migranten ingevoerd. Dat had wellicht zonder veel verzet kunnen gebeuren. MEERDERE VROUWEN: MOET KUNNENOpvallend is - zo blijkt uit de nota - dat er nog altijd een groot verschil bestaat tussen etnocentrisme bij laag- en bij hooggeschoolden. Op de fameuze schaal van 100 scoorden de laaggeschoolden in 1991 net géén 63 punten, om in 1998 op 54 uit te komen. Over dezelfde periode ging het bij hooggeschoolden van 39 naar goed 37. Waarmee nog maar eens is bewezen dat vorming een determinerende factor is bij verdraagzaamheid of racistisch gedrag. Dat verrast Pelleriaux geenszins, het is voor hem de evidentie zelve. Hij ziet vier redenen waarom er nog altijd zo'n grote kloof gaapt tussen de hoog- en de laaggeschoolden. "Dit soort onderzoeken draait dus voor een groot stuk rond sociaal-economisch etnocentrisme. Het blijven natuurlijk vooral laaggeschoolden die daar het meest mee geconfronteerd worden. Vooral zij zien zichzelf ten overstaan van migranten in een concurrentiepositie geduwd. Twee: laaggeschoolden wonen in dezelfde buurten als migranten. Het is iets gemakkelijker om breeddenkend te zijn en verdraagzaamheid te prediken als je in Ukkel of in Sint-Martems-Latem woont. Drie: bij hooggeschoolden is de verdraagzaamheid erin gepompt. Het staat niet dat je racistisch denkt. Deze mensen gaan dus in enquêtes niet zeggen: stuur ze maar allemaal terug. Vier: iemand die behoorlijk opgeleid is, beseft dat er andere culturen bestaan. Zij hebben geleerd dat de manier waarop wij een samenleving organiseren en bekijken, in feite heel relatief is. De beter geschoolden weten dat het in een andere cultuur heel gewoon is om bijvoorbeeld meerdere vrouwen te hebben. Als je die kennis hebt, is de kans logischerwijze veel groter dat je je verdraagzaam gaat opstellen." Stond de onverdraagzaamheid in 1995 in Vlaanderen in het zenit en krijgen wij in de toekomst een constante afname van het etnocentrisme? Koen Pelleriaux waarschuwt voor te veel optimisme. De afname van het racisme die uit de cijfers blijkt, vormt slechts één kant van de medaille. "De andere kant: hoe belangrijk zijn conflicten op een bepaald ogenblik in het publiek leven? Die kunnen misschien niet alles, maar toch veel bepalen. Bovendien: je blijft zitten met een reeks heel grote problemen. Bijvoorbeeld de verhouding tussen politie en migrantenjongeren. Voor hen is er één grote vijand: de politie. Tegen een dergelijke achtergrond kan je zelfs geen rechtsorde afdwingen. Het optreden van politiediensten interpreteren zij niet als het handhaven van gezag, het instandhouden van orde, maar als een onderdeel van de oorlog tussen beide kampen. Dit is verschrikkelijk ongezond."Jos Grobben