Een paar maanden voor diens dood kreeg Stefan Hertmans van zijn grootvader twee volgeschreven oude cahiers. 'Hij was negentig toen, ik was dertig. Mijn grootvader voelde de dood naderen. Hij keek me aan met zijn felblauwe ogen en hij zei: "Dat is voor u, gij moet dat hebben." Ik had toen nog niets gepubliceerd, maar mijn grootvader wist dat ik ambitie had om te schrijven. De schriften waren een legaat, een opdracht. Door ze aan mij toe te vertrouwen, vroeg hij me om zijn leven tot een boek te maken.'
...

Een paar maanden voor diens dood kreeg Stefan Hertmans van zijn grootvader twee volgeschreven oude cahiers. 'Hij was negentig toen, ik was dertig. Mijn grootvader voelde de dood naderen. Hij keek me aan met zijn felblauwe ogen en hij zei: "Dat is voor u, gij moet dat hebben." Ik had toen nog niets gepubliceerd, maar mijn grootvader wist dat ik ambitie had om te schrijven. De schriften waren een legaat, een opdracht. Door ze aan mij toe te vertrouwen, vroeg hij me om zijn leven tot een boek te maken.' In de schriften - 'het eerste klein en dik, met aan de zijkant roodgeverfde bladzijden (...), het tweede bijna A4-formaat met een ouderwets gemarmerd kartonnen omslag' - had Urbain Martien (1891-1981) zijn herinneringen neergeschreven. Pas op zijn 72e was hij eraan begonnen. Hij schreef over zijn armoedige jeugd in Gent op het einde van de negentiende eeuw. Hoe hij op zijn vijftiende in de ijzergieterij aan de slag ging, zwaar en levensgevaarlijk werk was dat. Hoe hij op zijn achttiende naar de militaire academie ging om aan die ellende te ontsnappen. Hoe hij in augustus 1914 opgeroepen werd om naar het front te gaan. Daarna de misère, de stank, het zinloze sterven in de loopgraven. Hoe hij vijf keer gewond raakte en iedere keer terugkeerde naar de hel. Hoe hij na vier jaar oorlog zijn leven weer probeerde op te pakken. 'Dat lange leven waarvan het grootste deel een naspel was geweest, een epiloog bij nog haast middeleeuwse kinderjaren, bij een van gruwelen vervuld jong mannenleven', zoals Hertmans schrijft in zijn ontroerende roman Oorlog en terpentijn over zijn grootvader. 'Dertig jaar lang durfde ik de cahiers niet open te maken', zegt Hertmans. 'Een paar keer heb ik de eerste pagina gelezen. Mijn grootvader begint met een aanspreking. Hij schrijft aan zijn overleden vrouw, mijn grootmoeder: "Ge zijt nu vijf jaar dood, 't is mei, ik kom daar zo-even terug van een bedevaart naar uw graf." Alleen al uit die eerste woorden kwam zo'n overdonderende emotie dat ik ze meteen moest dichtdoen.' 'Mijn grootvader is de man die mijn hele jeugd heeft bepaald. Wij waren nog zo'n ouderwetse familie, een gezin met grootouders, ouders en kinderen onder één dak. Mijn grootvader had dus een plaats naast mijn ouders. Hij was de man die schilderde, dus hij heeft me leren kijken, hij heeft me kleuren leren zien. Hij heeft me schermles gegeven. Ik was een jongen van tien, dan is je grootvader - een man van zeventig die staat te springen als een jonge gast - een held hè. Mijn grootvader nam me op mijn twaalfde mee naar de Gentse opera, Aïda van Verdi, de matineevoorstelling. Bij de slotaria zag ik mannen zitten janken in hun zwarte pakken. Ik begreep er niets van. Wat bezielt hen, vroeg ik me af, wat doet die kunst met een mens? Mijn grootvader heeft die gevoeligheid in mij geïnjecteerd.' 'In oktober 2010 ben ik toch gaan lezen, en daarna ben ik meteen beginnen te schrijven. Ik moest het doen. Ik had het hem beloofd. Op zijn sterfbed ben ik bij hem geroepen. Ik heb toen mijn hand op zijn koude voorhoofd gelegd en heb gezworen dat ik zijn leven zou vertellen.' Het boek ligt er nu, 304 pagina's dik. Het is een prachtige ode aan 'een stil maar verwoest leven dat samenviel met de tragiek van een eeuw', zoals de flaptekst zegt. Stefan Brijs, de auteur van de bestseller Post voor Mevrouw Bromley (2011) over het wedervaren van een Britse frontsoldaat in de Eerste Wereldoorlog, heeft Oorlog en terpentijn inmiddels gelezen. 'Met open mond, aan één stuk door', zegt hij. 'We mogen de grootvader van Stefan enorm dankbaar zijn. Ik heb me voor mijn roman uitvoerig gedocumenteerd, meters boeken heb ik verslonden. De Britse deelname aan de Eerste Wereldoorlog is rijkelijk gedocumenteerd. Elk schot dat gelost is, staat bij wijze van spreken op papier. Maar over hoe onze Belgische jongens daar bij de IJzer in de loopgraven gevochten hebben, bestaat heel weinig. Er zijn amper dagboeken overgeleverd. Dit is zo'n unieke getuigenis, waar je zo veel van leert. Wat me het meeste verraste, Stefan, is hoe vaak je grootvader zich heeft opgeofferd in de oorlog. "Ik ga wel", zei hij als zijn officieren weer eens een vrijwilliger zochten om de Duitsers tegemoet te gaan. Tot vier, vijf keer toe deed hij dat. Vind je je grootvader een held?' Hertmans: In zekere zin was hij heldhaftig, omdat hij het elke keer voor de ander opnam. Maar hij was ook een waaghals uit naïviteit. Ik noem hem in mijn boek een 'reine Dwaas'. Ken je het verhaal over de brave soldaat Sveik van de Tsjechische auteur Jaroslav Hasek? Dat gaat over een kleine soldaat die altijd gehoorzaamt, hoe absurd de eisen ook zijn die zijn oversten aan hem stellen. 'Oui, mon commandant', zegt hij elke keer. Mijn grootvader had iets van die Sveik. Hij werd aangedreven door een ouderwets militair eergevoel, wat tegelijk verheven en ontzettend naïef was. Zijn krijgsmoraal, die er in de militaire academie ingedrild was, hield in dat moed, zelftucht, humanisme en het respect voor de medemens nog iets voor hem betekenden. Een militair moest een voorbeeld zijn voor de burgers die hij geacht werd te beschermen. Mijn grootvader zou bijna 'excuseer' gezegd hebben als hij iemand omverschoot. Die ouderwetse deugden sneuvelden in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. Door de massaliteit van de wreedheden en het moorden gingen ze definitief ten onder. Hertmans: In Im Westen nichts Neues van Erich Maria Remarque ('Van het westelijk front geen nieuws', dat de Eerste Wereldoorlog vanuit Duits perspectief verhaalt, nvdr.) vertelt een van de soldaten hoe hij een Franse jongen met een vriendelijk gezicht voor zijn loopgraaf ziet springen. Hij denkt: 'Ik moet snel zijn, ik heb een spade in mijn handen.' Het volgende moment is het gezicht van die Franse jongen in tweeën gespleten. De Duitser denkt: oef. Kun je je dat voorstellen? Dat je met een spade iemands gezicht klieft en dan zegt: 'Oef, dat vriendelijke gezicht is er niet meer'? Brijs: Ik denk dat je veel doet als je wilt overleven. De kwestie in zo'n situatie is altijd: je zit met z'n elven op een boot en iemand moet eraf want anders zinkt de boot. Wie gaat? Je zult nooit jezelf offeren. In zo'n situatie word je geconfronteerd, niet met hoe egoïstisch je kunt zijn, maar met hoe groot je levensdrift is. Hertmans: Dat denk ik ook. Op zo'n moment neem je geen morele beslissing, want je zit in een moreel vacuüm. Het is jij of die ander, en daardoor verlies je je moraal. Brijs: Dat is ook waarmee je achteraf blijft zitten. Na de oorlog besef je pas dat je hebt gedood. En ook, wat Stefans grootvader beschrijft: hoe je je kameraden hebt zien sterven en hoe het ook voor jou op elk moment afgelopen had kunnen zijn. Op het moment zelf realiseer je je dat niet, dat sijpelt pas later binnen. Hertmans: Hij dééd niets anders. Ik ging koffie met hem drinken in de stad en hij begon over de Duitsers. Brijs: Vertelde hij ook over de loopgraven? Hertmans: Heelweinig. Het is zoals jij altijd zegt over je roman: je hebt mensen die er niet over kunnen zwijgen, en je hebt er die er altijd over zwijgen. Mijn grootvader was een eigenaardige combinatie van zwijgen en praten. Er kwamen heldenverhalen uit, maar wat dat frontleven met hem gedaan had, met zijn dromen en verlangens, welke angsten hij gevoeld had... Daarover was hij een gesloten boek. Mijn grootvader was tot op zijn laatste dag erg vitaal, maar hij had ook een melancholie in zich waar wij niet bij konden komen. Dan zat hij voor het raam naar buiten te kijken en zag je zijn ogen vochtig worden. In de jaren vijftig heeft hij nog twee keer elektroshocks gekregen. Dat betekent dat daar onder dat vredige oppervlak toch iets zat te wroeten en te woelen. Brijs: Dat lees je ook in de oorlogsherinneringen van de Britse frontsoldaat Robert Graves, Good-Bye to All That. Dat boek is een belangrijke bron van documentatie en inspiratie geweest voor Post voor Mevrouw Bromley. Graves beschrijft hoe de kleine dingen hem terugvoerden naar de gruwel, bijvoorbeeld hoe hij zich bij het horen van een knal van een uitlaat meteen op de grond laat vallen. Graves is niet waanzinnig geworden, maar hij heeft toch voortdurend op het randje gebalanceerd. Hij heeft nooit meer een normale relatie kunnen aangaan. Hertmans: Nu hebben we daar namen voor: het Vietnamsyndroom, het posttraumatische stresssyndroom. Brijs: Dat is waar de veteranen van de oorlogen in Irak en Afghanistan ook mee zitten. Die hebben zware trauma's opgelopen, maar ze worden daar min of meer voor begeleid. In de Eerste Wereldoorlog was dat niet zo. Integendeel, als je een beetje vreemd deed, was je 'komedie aan het spelen'. De kans was groot dat je meteen werd teruggestuurd. Of je werd gefusilleerd. Hertmans: Die jongens hadden geen uitweg met hun verhalen en emoties. Ook dat lees je bij Remarque. Als de soldaten op verlof kwamen van het front en mensen vroegen hen hoe het daar was, zeiden ze: 'Ah goed.' 'Kunnen jullie daar goed eten?' 'Ja.' Ze konden niet vertellen dat ze jongens hun kop hadden gespleten met een spade. Hertmans: Er is geen brug tussen die twee werelden. Je kunt niet thuiskomen met het besef dat je kunt moorden. En daar herstel je ook niet van. Ik noem de Eerste Wereldoorlog in mijn boek 'een godsgericht zonder gericht'. Die jongens leefden echt in een apocalyptische wereld. Daar kun je niet van terugkomen. Brijs: Het was de hel en daarom vond ik het zo frappant om in al die dagboeken en getuigenissen te lezen hoe die jongens wel telkens terug wilden naar het front. Ze wilden hun makkers niet in de steek laten. Jouw grootvader had dat ook. Hij raakt vijf keer gewond, maar hij wil wel terug. Bij Robert Graves hetzelfde. Die kreeg een kantoorbaan aangeboden nadat hij nog maar eens gewond was geraakt, maar hij wou terug naar de loopgraven, naar zijn makkers, al besefte hij ook dat velen wellicht al dood waren. Hertmans: Er was veel kameraadschap in die gekte. Dat speelt in jouw boek ook een mooie rol. Brijs: Het was wellicht het enige wat ze nog hadden. Hertmans: De Belgische officieren kwamen vuren als het te stil was aan het front. Als er een week niets gebeurd was, schoten ze in de lucht. De Duitsers speelden dat spelletje mee, die begonnen meteen te mitrailleren. 'Oké, domme Belgen, als jullie vuurwerk willen, hier is het.' De haat en de rancune die daar zijn opgebouwd... Onvoorstelbaar. Hertmans: Mijn grootvader was opgegroeid in een structuur van blinde gehoorzaamheid. Dat was hij gewoon van in de kerk, van in het leger, van in zijn gezin. Hij dacht er niet aan om nee te zeggen. Maar er zit een cruciale scène in zijn dagboek waarin hij schrijft hoe hij daarvan loskomt. Die staat ook in mijn boek. Op een bepaald moment raapt hij in een koeienstal ongebruikte kogels op van soldaten die gesneuveld zijn. Daarmee redt hij zijn jongens, maar achteraf moet hij voor de tuchtraad verschijnen omdat hij munitie heeft gebruikt die niet van hogerhand was uitgedeeld. Toen was voor mijn grootvader de fut er wel uit. Brijs: Ongelooflijk. Hertmans: Maar zo was het. De fouten die de luitenants en generaals daar gemaakt hebben, dat is nog een ongeschreven verhaal. Brijs: Dan hebben we het nog niet over de cocaïne gehad. Nederland, dat niet meedeed aan deze oorlog, voerde veel cocaïne in. Die werd aan de Britse jongens uitgedeeld als ze uit de loopgraven moesten. (cynisch) Erg geruststellend is dat, coke. Hertmans: De beste manier om zelfmoord te plegen was om gewoon op een loopgraaf af te lopen en een beetje misbaar te maken. Dan was je er meteen van af. Van de ellende, de tyfus, de stank, de misère. Dan kon men ook later op je graf zetten dat je als een held gevallen was op het veld van eer. Je moest vooral niet zelf een kogel door je kop schieten. Daar had je Duitsers voor. Brijs: Als je het zelf probeerde, kon het misgaan en dan was de kans groot dat je als landverrader gefusilleerd werd. Hertmans: Er waren ook jongens die hun arm uit de loopgraven staken om er een kogel door te krijgen. Dan konden ze even op adem komen in Engeland. Zo zeiden ze dat ook: 'Ik wil op vakantie naar Engeland.' Hertmans: Ik weet niet of het verhaal van mijn grootvader klopt dat de Waalse sergeanten automatisch bevorderd zijn na de oorlog, maar ik denk zeker dat hij met zijn vijf verwondingen minstens luitenant had moeten worden. Zo zijn er veel Vlaamse jongens die nooit bevorderd zijn. Ik ben zelf geen flamingant, dat is niet mijn kwestie. Maar hij was dat wel, en ik heb alle respect voor zijn verontwaardiging. Brijs: Wat mij fascineert is niet die vaderlandsliefde, maar de naakte cijfers. Meer dan één miljoen Britse jongens zijn hier gestorven, van wie velen nooit zijn teruggevonden. 1,3 miljoen Fransen, 1,7 miljoen Duitsers. Hoeveel Belgen precies gesneuveld zijn, weet men niet eens, men schat rond de 40.000. En uiteindelijk zijn dat allemaal individuen. Jongetjes van 18, 19, 20 jaar met eigen liefdes, gevoelens en dromen, maar wier levens versplinterd en verwoest zijn. Ik kan het me niet voorstellen dat ik daar gestaan zou hebben als jongen van achttien. Daarom is dit verhaal van Stefan ook zo knap en zo belangrijk, omdat het dat individuele levensverhaal invoelbaar maakt. Je beseft met een schok: het waren jongens van vlees en bloed die daar gevochten hebben. Hertmans: Waar het voor mij ondraaglijk wordt - en dat haakt in bij wat jij zegt, Stefan - is als ik denk aan mijn zoon. Hij is een mooie kerel van zeventien, een kop groter dan ik. Hij hoeft maar één keer papa te roepen en ik sta daar. Die jongens in '14-'18 lagen daar, opengescheurd, zes uur lang om hun moeder te roepen en niemand kon bij hen komen. Het waren zonen die daar stierven. Brijs: En waarom uiteindelijk? Hertmans: Deze oorlog was totaal zinloos. In de Tweede Wereldoorlog kun je nog een bad guy aanduiden, Hitler die Lebensraum wou. Dat kun je niet in de Eerste Wereldoorlog. Het is een oorlog die niemand heeft gewild, maar die niemand kon verhinderen. Brijs: Hij is ook op een absurde manier geeindigd. Een van de partijen is er gewoon uit gestapt, dat was bijna geen overgave. Iedereen was op in 1918. Ze waren er allemaal klaar mee. Hertmans: De brandstof was op. De oorlog is geëindigd zoals een huis stopt met branden omdat er niks meer is. Hertmans: Dat is natuurlijk zo. Het is de erfzonde omdat hij er niet gekomen is door één booswicht als Hitler, maar door allemaal van die besnorde heren met hoge idealen. Dat is het ergste om te bedenken. Thomas Mann was zich daar zeer bewust van: het Burgertum - de burgers met hun waarden van moed houden, eer bewijzen, die op de meest stompzinnige manier dachten dat zij goeie mensen waren -, zij hebben die oorlog uitgelokt. Dat is een veel groter trauma dan dat je kunt zeggen dat de beesten van de nazi's schuld hebben. Dat debat is nog helemaal niet ten einde, dat hebben we nog altijd niet verwerkt. Uiteindelijk was mijn grootvader daar ook een voorbeeld van. Hij was een goeie jongen, maar hij heeft het wel gedaan. Hij is wel in de loopgraven geweest en hij heeft gemoord. Brijs: Wat staat er op zijn graf? Hertmans: Familie Martien-Ghys. Brijs: Zonder 'oud-strijder'? Hertmans: Hij wou dat bewust niet. Brijs: Ik vind het belangrijk dat er steeds weer opnieuw verhalen over verteld worden. Wij moeten beseffen dat dit gebeurd is en er lering uit trekken. Of we dat zullen doen, is een andere vraag. Als je ziet hoe Britse schooljongeren naar de Westhoek reizen om op de soldatenkerkhoven het graf van hun overgrootvader te zoeken. Dat hebben wij totaal niet. Ik ben in elk geval in de lagere school nooit naar de loopgraven geweest. Hertmans: Wij zijn heel erg gefocust op de Tweede Wereldoorlog, terwijl ik door dit boek te schrijven net heb beseft dat Vlaanderen vandaag veel meer bepaald wordt door de Eerste. Daar ligt de werkelijkheid die ons vandaag bepaalt. Brijs: Ik weet het niet. Komt het door het Vlaams-nationalisme dat met die erfenis van de Eerste Wereldoorlog aan de haal is gegaan? Hertmans: Volgens mij heeft het met iets anders te maken, namelijk met onze diepkatholieke ingesteldheid, ook bij mensen die het geloof hebben afgeworpen. Anders dan protestanten, die schuld hun hele leven met zich meedragen, kunnen wij tabula rasa maken door een biecht of schuldbekentenis. Een katholiek kan zeggen: het is voorbij, we vegen het weg. Dat heeft een vitale kant, het is een volkskracht die maakt dat je door blijft gaan. Maar aan de andere kant zijn we daardoor niet genoeg bezig met wie es eigentlich gewesen ist, zoals de Duitse historicus Leopold von Ranke het verwoordde. We moeten proberen te weten hoe het werkelijk geweest is. Wetend dat we het nooit zullen weten, moeten we dat doen. Stefan Hertmans, Oorlog en terpentijn, De Bezige Bij, 304 blz., 19,90 euro. Stefan Brijs, Post voor Mevrouw Bromley, Atlas-Contact, DOOR ILSE DEGRYSE, FOTO'S TOM VERBRUGGEN'Je moest vooral niet zelf een kogel door je kop schieten. Daar had je Duitsers voor.' 'Nederland, dat niet meedeed aan deze oorlog, voerde veel cocaïne in. Die werd aan de Britse jongens uitgedeeld als ze uit de loopgraven moesten.'