Verbijsterd heb ik het verhaal 'Met raad en daad' (Knack nr. 26) van Marc Reynebeau, in het kader van de serie 'Vlaanderen 1302-2002' gelezen. De collaboratie en de Vlaamse beweging zijn voor hem één pot nat. De Vlaamse beweging 'had nooit een stevige democratische traditie uitgebouwd', het 'volk' werd een 'ras', met als 'logische evolutie', een 'bloed- en bodemmystiek, racistische ontsporingen inbegrepen' en 'totalitaire tendensen'. En dus collaboratie. En nog 'haat tegen België en tegen de parlementaire democratie'. Zo eenvoudig is dat voor hem.
...

Verbijsterd heb ik het verhaal 'Met raad en daad' (Knack nr. 26) van Marc Reynebeau, in het kader van de serie 'Vlaanderen 1302-2002' gelezen. De collaboratie en de Vlaamse beweging zijn voor hem één pot nat. De Vlaamse beweging 'had nooit een stevige democratische traditie uitgebouwd', het 'volk' werd een 'ras', met als 'logische evolutie', een 'bloed- en bodemmystiek, racistische ontsporingen inbegrepen' en 'totalitaire tendensen'. En dus collaboratie. En nog 'haat tegen België en tegen de parlementaire democratie'. Zo eenvoudig is dat voor hem. Waar haalt hij het? De Vlaamse beweging heeft voor de rechten van de Vlamingen geijverd, steunend op grondwettelijke rechten van gelijkheid en taalvrijheid die ze uiterst moeizaam heeft heroverd: Vlaamse secundaire scholen, vervlaamsing van het bestuur, van het gerecht, van het leger, van de diplomatieke diensten (zie de 'Verklaring der Rechten van den Vlaming' van 1889), later Vlaams universitair onderwijs. Veroverd ja, maar democratisch en langs parlementaire wegen, stap voor stap, uiterst traag, optornend tegen de vanzelfsprekende superioriteit van het francofone establishment, maar zonder geweld, bloed- en bodemmystiek, racisme of totalitaire ideologieën. En binnen het Belgische raam: geen 'haat tegen België', maar tegen de mistoestanden 'in' België. Meer dan een eeuw was er nodig. De eerste taalwetjes zijn van de jaren 1870 en 1880. Een doorbraak kwam er eerst in de jaren 1930 met de vernederlandsing van de Gentse universiteit (Leuven en Brussel volgden) en met een aantal grote taalwetten (bestuur, onderwijs, gerecht). De institutionele reorganisatie van het land vanaf 1970 was het resultaat, andermaal, van eindeloze politieke onderhandelingen onder het (gevarieerde) impuls van alle Vlaamse partijen, daarin geholpen door Wallonië dat vanaf 1960 meer sociaal-economische autonomie eiste. België werd een federatie, nog eens stap voor stap. De collaboratie tijdens WO II heeft daarin geen rol gespeeld, ten hoogste een nefaste: ze heeft het imago van de Vlamingen geschaad en de hervormingen vertraagd. Dat een kleine minderheid Vlamingen hoopte op de steun van de Duitsers is enigszins begrijpelijk, maar daarin heeft ze zich schromelijk vergist. En heulen met de bezetter blijft een schande. Spons erover. Dat Vlaanderen gelijkberechtiging heeft verworven (al zijn niet alle problemen opgelost) is, zonder schande maar met grote eer, te danken aan die Vlaamse beweging, anderhalve eeuw geleden op gang gebracht door intellectuelen, kunstenaars, priesters, ambtenaren, leraars en 'soortgelijken' zoals Reynebeau het minachtend schrijft. En dat ze zich als een 'elite' boven het Vlaamse volk plaatste omdat ze het 'achterlijk, onderontwikkeld en onmondig beschouwde', misvormt volkomen de geschiedkundige waarheid. Die 'elite' wilde juist het volk zijn waardigheid geven en perspectieven openen op een betere toekomst in zijn eigen taal. Prof. Em. Jan Gijssels, Kraainem.