Het was slikken toen het recente onderwijsrapport van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) uitkwam. Bij de wereldwijde PISA-tests onder vijftienjarigen zakte Vlaanderen op de ranglijst: we worden ingehaald door de Aziatische landen. Voor wiskunde en leesvaardigheid staan we nog wel aan de Europese top, maar voor wetenschappen zijn we zelfs binnen Europa een subtopper geworden.
...

Het was slikken toen het recente onderwijsrapport van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) uitkwam. Bij de wereldwijde PISA-tests onder vijftienjarigen zakte Vlaanderen op de ranglijst: we worden ingehaald door de Aziatische landen. Voor wiskunde en leesvaardigheid staan we nog wel aan de Europese top, maar voor wetenschappen zijn we zelfs binnen Europa een subtopper geworden. De Oproep Voor een Democratische School (OVDS) heeft andere zorgen. Die groep leerkrachten probeert al twintig jaar te wegen op het onderwijsbeleid en heeft nu een rapport klaar: PISA 2012: de naakte cijfers ontsluierd. 'Veel relevanter dan de verschillen tussen de OESO-landen zijn de verschillen tussen de leerlingen binnen één land', zegt Nico Hirtt van de OVDS. 'Wij concentreren ons liever op wat PISA ons leert over sociale ongelijkheid in het onderwijs.' Hij vergeleek de wiskundecijfers in Vlaanderen en de Franse Gemeenschap met zeventien andere onderwijssystemen in West-Europese landen. Eerste vaststelling: de kloof tussen de sterkste en de zwakste leerlingen is nergens groter dan in Vlaanderen. De bottomline is volgens de OVDS dat het Vlaamse onderwijs niet rechtvaardig is en geen gelijke toegang tot kennis biedt aan alle leerlingen. Dat moet blijken uit een 'sociale (on)gelijkheidsindex' die de OVDS opstelde. Daarin werden onder meer de sociaal-economische afkomst van de leerlingen en het diploma van hun moeder mee in de balans gelegd. 'De vaststelling is onherroepelijk,' zegt Hirtt, 'België en Frankrijk zijn de kampioenen van de sociale ongelijkheid in het onderwijs.' Hirtt ging ook na in welke mate de aanwezigheid van allochtone leerlingen (21 procent in de Franse Gemeenschap, bijna 11 procent in Vlaanderen) meespeelt in de sociale gelijkheid. Deels, maar zeker niet volledig, aldus Hirtt. Want zelfs wanneer die leerlingen - die Europees gezien het vaakst uit armere gezinnen komen - samen met hun ouders een hogere sociale status krijgen, blijven ze op school slechter scoren dan autochtonen met dezelfde sociale achtergrond. Tenminste: in Vlaanderen. In de Franse Gemeenschap kunnen ze wél de inhaalbeweging maken. Maar hoe valt de sociale ongelijkheid dan wel te verklaren? Volgens Hirtt zijn er vier vormen van segregatie, die bijna 70 procent van de invloed van sociale ongelijkheid op de PISA-prestaties verklaren. Ten eerste moeten jongeren op hun twaalfde kiezen voor aso, tso of bso. Dat noemt hij 'vroegtijdig, hiërarchisch en sociaal bepaald'. Concreet: in de laagste sociale groepen volgt 20 procent van de vijftienjarigen aso, in bemiddelde gezinnen is dat meer dan 80 procent. Ook zittenblijven is een manier van sociale opdeling. Vooral in Wallonië en Brussel wordt er flink 'gedubbeld': bijna de helft van de vijftienjarigen is al een jaar blijven hangen. In Vlaanderen is dat net geen 30 procent. Hirtt: 'Nochtans weten we al lang dat zittenblijven veeleer contraproductief is voor de vooruitgang op school.' Ook de onderwijsnetten zorgen volgens de OVDS voor segregatie. Het katholiek onderwijs is dan wel het grootste net, het zou ook 'sociaal elitair' zijn - al heeft dat volgens de OVDS meer te maken met de ouders dan met de wervingsmethodes van de scholen. En ten slotte zijn er nog de 'gettoscholen' en 'concentratiescholen', die vooral in de Franse Gemeenschap tot grote sociale ongelijkheid leiden. Maar ook in Vlaanderen is 'het opsluiten van allochtone leerlingen in gettoscholen' wellicht een groter probleem dan hun gebrekkige taalkennis, meent Hirtt. Al slaat hij de bal hier enigszins mis. Uit een PISA-analyse van de Universiteit Gent, in opdracht van Vlaams minister van Onderwijs Pascal Smet (SP.A), blijkt dat allochtone leerlingen die thuis Nederlands spreken de prestatiekloof met autochtone leerlingen met 40 procent kunnen verkleinen. De OVDS stelt vier drastische veranderingen voor: een algemene en polytechnische basisvorming voor alle leerlingen tot 16 jaar; 'brede' basisscholen met kleine klassen waar de leerlingen ook na de lesuren begeleid worden; één openbaar onderwijsnet met pedagogisch zelfstandige scholen; en ten slotte een inschrijvingssysteem waarbij ouders een vlot bereikbare en sociaal gemengde school voor hun kinderen voorgesteld krijgen, al mag er niet geraakt worden aan de vrije schoolkeuze. Minister Smet erkent het probleem. 'In Vlaanderen is er een uitgesproken verband tussen de leerprestaties van leerlingen en hun sociale achtergrond en migratiestatus. Ons onderwijs slaagt er onvoldoende in om de invloed van sociale ongelijkheid te corrigeren', geeft hij toe. Reden genoeg om zijn hervorming van het secundair onderwijs door te drukken, klinkt het. 'Denk aan een brede eerste graad in het secundair onderwijs, diverse taalmaatregelen, volgehouden algemene vorming, differentiëren voor sterke en minder sterke leerlingen, het opheffen van aso, tso en bso, en aan de uitbouw van domeinscholen.' Maar niet alle voorstellen van de OVDS vallen in even goede aarde. 'De opvatting van de OVDS over het inschrijvingsbeleid, met een overheid die ouders zegt waar ze hun kind naartoe kunnen sturen, is niet realistisch in Vlaanderen. In Brussel, Antwerpen en Gent is het aantal leerlingen uit lagere sociaal-economische groepen intussen zo groot dat je nooit overal scholen met een perfecte sociale mix kunt hebben. Ik geloof eerder in aangepaste onderwijsmethodes, die momenteel worden uitgeprobeerd in scholen in Antwerpen, Gent, Brussel en de Limburgse mijnstreek.' En een fusie van alle onderwijsnetten? Daar wil Smet geen energie in stoppen. 'Door het sociaal-economische profiel van hun leerlingen zijn de verschillen tussen scholen groter dan de verschillen tussen de netten. Dat los je niet op door één openbaar net over te houden. We onderzoeken wel de mogelijkheid om te komen tot één publiek net naast het vrije onderwijs.' DOOR PATRICK MARTENS