Zo'n vijftig jaar geleden was de blauwe reiger zogoed als uitgestorven in ons land. Een combinatie van overdreven bejaging en grootschalig gebruik van pesticiden als DDT, die een normale voortplanting van de vogel haast onmogelijk maakten, had hem (bijna) de das omgedaan. Net bijtijds kwamen er beschermingsmaatregelen en werd het gebruik van schadelijke chemische stoffen aan banden gelegd. De vogel herstelde en is de laatste twintig jaar in ons land niet meer weg te denken uit het landschap. Hier en daar is hij zelfs onderdeel van het stadsbeeld geworden.
...

Zo'n vijftig jaar geleden was de blauwe reiger zogoed als uitgestorven in ons land. Een combinatie van overdreven bejaging en grootschalig gebruik van pesticiden als DDT, die een normale voortplanting van de vogel haast onmogelijk maakten, had hem (bijna) de das omgedaan. Net bijtijds kwamen er beschermingsmaatregelen en werd het gebruik van schadelijke chemische stoffen aan banden gelegd. De vogel herstelde en is de laatste twintig jaar in ons land niet meer weg te denken uit het landschap. Hier en daar is hij zelfs onderdeel van het stadsbeeld geworden. Maar niet iedereen was destijds blij met die wederopstanding. Vissers begonnen een campagne om de reiger opnieuw te mogen bejagen - zelfs het woord verdelgen viel. Gelukkig is de overheid daar nooit op ingegaan. Studies wezen uit dat de impact van de blauwe reiger op het visbestand klein is, behalve als het om kleine vijvers gaat met opvallende vissen die weinig plaats hebben om zich te verschuilen, zoals goudvissen in tuinvijvertjes. Ook viskwekers eisten aanvankelijk dat ze de reiger zouden mogen verdelgen, maar na verloop van tijd zagen ze dat hij een bondgenoot was: hij vrat vooral vissen van hun klanten weg, zodat die nieuwe moesten kopen. Vissers en reigers hebben met elkaar leren leven. Ze zitten soms zij aan zij langs een kanaal te wachten tot er iets gevangen wordt. De vissers hebben sinds enkele jaren evenwel een nieuwe vijand, die de reiger als visverdelger in de schaduw stelt: de aalscholver, de zwarte duivel. Ook een vogel die twintig jaar geleden nog vrij zeldzaam was in ons land, maar die nu een regelmatige broedvogel is. Je ziet hem zelfs op verlichtingspalen langs de autosnelweg. In tegenstelling tot de reiger, die vanaf de kant vist, is de aalscholver een zwemmer en duiker die zijn prooien onder water te lijf gaat. Vorig jaar lanceerden vissers en andere uitbuiters van het 'buitengebied' een petitie waarin ze verdelgingsmaatregelen tegen de aalscholver eisten omdat die hen zou broodroven. Daarop startte Vogelbescherming Vlaanderen een petitie vóór de aalscholver en verzamelde al snel vele duizenden handtekeningen. De natuurvereniging wil dat de aalscholver zijn beschermde status gewoon behoudt. De aalscholver heeft duidelijk mee geprofiteerd van de maatregelen die ook de reiger ten goede zijn gekomen. In sommige gebieden, zoals in de Nederlandse IJsselmeerpolders, ontstonden er grote kolonies, die vervolgens de rest van Europa 'veroverden'. In Europa heerst absoluut geen eensgezindheid over hoe de problemen moeten worden aangepakt. Nederland blijft pal achter een onvoorwaardelijke bescherming van de vogel staan, terwijl er in Frankrijk jaarlijks zo'n 40.000 exemplaren worden verdelgd, overigens zonder noemenswaardig effect op het bestand. Het lijkt zinloos om de aalscholverpopulatie met verdelgingsprogramma's te willen reduceren. Een substantieel deel van de vogels broedt niet, maar is klaar om eventuele vrije broedplaatsen als gevolg van de verdwijning van broedvogels in te nemen. De populatie zozeer beïnvloeden dat er een merkbaar effect op vispopulaties zou zijn, lijkt dus een hopeloze onderneming. Het is bovendien onzinnig te beweren dat een aalscholver een nefast effect kan hebben op natuurlijke vispopulaties. Zoals altijd en overal vinden rovers en prooien een balans en is het de hoeveelheid prooien die het aantal rovers bepaalt, en niet omgekeerd. We hoeven dus niet te vrezen dat aalscholvers fragiele natuurlijke visbestanden de genadeslag zullen geven. Factoren als watervervuiling en een slecht beheer van stromen en rivieren zijn noodlottiger voor het visbestand dan de aanwezigheid van wat viseters. En niet iedere vis die in de maag van een aalscholver verdwijnt, is daarom een 'schadegeval'. Want ook in dichte visbestanden kan een vorm van selectie (het wegvissen van beschadigde en andere zwakke vissen) nuttig zijn om het welzijn van de gezonde vissen te bevorderen. Op vele plaatsen hebben rovers een heilzaam effect op de gezondheid van een prooipopulatie. Wel is het zo dat aalscholvers de economische waarde van kunstmatig dichte visstocks in kwekerijen kunnen aantasten. De vogels zullen immers altijd aangetrokken worden door gemakkelijke visplaatsen. Daarom is het beter het vissen voor de aalscholvers te bemoeilijken, door de bereikbaarheid van de vis te verkleinen of onmogelijk te maken. Maar dat horen vele vissers en viskwekers niet graag: zij willen dode vogels zien. Het naïeve geloof van sommige mensen in het succes van verdelgingsoperaties, is stuitend. In Boer & Tuinder, het ledenblad van de Boerenbond, wordt haast lyrisch gedaan over het eerste Vlaamse Duivenweekend, op 23 en 24 februari 2008: toen sloegen boeren en jagers de handen in elkaar om een weekendje houtduiven te gaan schieten - in de veronderstelling dat daardoor de schade aan gewassen zou verminderen. Bijna achthonderd jagers schoten dat weekend exact 8299 houtduiven in de provincie West-Vlaanderen. Alsof dat enig verschil zou maken voor het houtduivenbestand, laat staan voor de aantrekkingskracht van akkers op houtduiven. Tijdens de vogeltrek passeren er miljoenen houtduiven in Vlaanderen. Het is de meest voorkomende soort tijdens vogeltrektellingen. De houtduiven worden onder meer aangetrokken door de maïs die de boeren tijdens het oogsten verspillen. En wellicht zorgen de warmere winters er ook voor dat ze minder ver naar het zuiden trekken. Maar boeren en jagers waren heel tevreden over hun Duivenweekend - want een hoop dode dieren. Dit jaar wordt de actie opnieuw georganiseerd. Een soort die zowel in Nederland als in België genadeloos geviseerd wordt, is de muskusrat. In tegenstelling tot de aalscholver is dat geen zich herstellende soort, want de muskusrat is een exoot: een om zijn bont uit Noord-Amerika ingevoerd dier dat uit kwekerijen is ontsnapt en zich over heel Europa heeft verspreid. Het dier wordt verdelgd omdat het gangen graaft in dijken en schade zou veroorzaken aan landbouwgewassen langs die dijken. Maar noch in Nederland, noch in Vlaanderen is ooit vastgesteld dat een dijk het heeft begeven door de activiteit van muskusratten. Wel als gevolg van slecht onderhoud door mensen. Het beest is echter niet van hier, dus moet het aangepakt worden, luidt de logica. In Nederland woedt al jaren een heftig debat over zin en onzin van de muskusrattenbestrijding. Elk jaar worden er zo'n vierhonderdduizend dieren gedood, een operatie die handenvol geld kost, 30 miljoen euro per jaar, zonder merkbaar effect op de populatie. Berekeningen hebben uitgewezen dat daarmee jaarlijks 5 miljoen euro schade zou worden uitgespaard. Het zou met andere woorden veel goedkoper zijn gewoon de schade te betalen, in plaats van op het beest te jagen. Het waterrijke Nederland met zijn vele dijken is een paradijs voor muskusratten. De populatie zit er nog altijd in de lift. De bestrijding zou, volgens kenners, alleen het effect hebben dat de populatie wat langzamer dan anders zijn maximale capaciteit zal bereiken. Muskusrattenvangst is trouwens een zeer dieronvriendelijke aangelegenheid, want de meeste beesten verdrinken tijdens het vangen. Dierenbeschermingsorganisaties hebben het evenwel nog niet voor de onfortuinlijke soort opgenomen. Opvallend is dat het in Vlaanderen de laatste jaren stil geworden is rond de muskusrat. Dat blijkt zijn redenen te hebben: een doorgedreven bestrijdingscampagne met goed georganiseerde veldwerkers die alert reageren op sporen van de aanwezigheid van de dieren, lijkt de populatie een stevige knauw te hebben gegeven. In die mate dat er in grote delen van Vlaanderen geen muskusrat meer te vinden zou zijn. Tien jaar geleden werden er jaarlijks zo'n 250.000 beesten gevangen, nu amper 10.000. Alleen in de grensstreken worden er nog grote aantallen muskusratten aangetroffen. Beestjes die van bij de buren komen, van bij de Nederlanders en de Walen die minder efficiënt zouden verdelgen. In specifieke gevallen, en met zware inzet van mensen en middelen, lijkt het dus mogelijk een dier onder de knoet te krijgen. Tenzij er in de teloorgang van de muskusrat andere factoren zouden spelen waarop wetenschappers geen zicht hebben. De boodschap moet evenwel ook zijn dat we van verdelging geen gewoonte mogen maken. We zouden toch op een verstandige manier met de andere bewoners van onze natuur moeten kunnen omgaan. Ze horen erbij. DOOR DIRK DRAULANS