'De mensen vragen mij: "Hoe oud word je? Dertig! Amai, dat is toch ineens een groot getal." Maar het betekent niets, ik ben daar niet op die manier mee bezig. Ik zie het als een continuïteit, zeker als schilder in mijn atelier is het gewoon een organisch proces. Leeftijd is geen artistiek criterium. Alsof ik ineens volwassen werk moet maken. Nee, ik geef mezelf nog altijd evenveel krediet als toen ik twintig was. En ik denk niet dat ik nu een soort professionalisme moet invoeren.'
...

'De mensen vragen mij: "Hoe oud word je? Dertig! Amai, dat is toch ineens een groot getal." Maar het betekent niets, ik ben daar niet op die manier mee bezig. Ik zie het als een continuïteit, zeker als schilder in mijn atelier is het gewoon een organisch proces. Leeftijd is geen artistiek criterium. Alsof ik ineens volwassen werk moet maken. Nee, ik geef mezelf nog altijd evenveel krediet als toen ik twintig was. En ik denk niet dat ik nu een soort professionalisme moet invoeren.''Tussen twintig en dertig leg je wel de basis voor een oeuvre, om een groot woord te gebruiken. Het is belangrijk dat je niet alles ineens verschiet, dat je niet alles wat je in huis hebt direct exposeert, en in die exposure zo verblind wordt dat je niet meer weet hoe het verder moet. De basis die je gecreëerd hebt, laat je toe om met generositeit deel te nemen aan tentoonstellingen, en om in je atelier terug te vallen op de reflectie. Daaruit worden dingen getriggerd. Dit is geen strategische redenering maar een mechanisme om het organische proces van het schilderen in beweging te houden, zodat het niet stagneert tot iets wat zich moet beginnen reproduceren door gebrek aan vitaliteit.' 'Schilderen is een fysieke activiteit, en daarbij hoort het probleem dat het lichaam veroudert, vermoeid raakt en aftakelt - gelukkig nog niet echt een groot probleem voor mij. Bij het chronologisch bekijken van catalogi van grote meesters zie ik door de werken hoe ze lichamelijk geëvolueerd zijn. De evolutie bij Goya van een tamelijk gecontroleerd verfgebruik naar een hele ruwe en directe, lichamelijke omgang met verf. Of hoe bij Willem de Kooning de schilderijen volledig overnemen op het lichaam, zodat ze materieloos worden. Het chronologisch verloop in het werk loopt gelijk met de evolutie van uw lichaam, en natuurlijk ook uw mentale evolutie. Die dingen zijn onafscheidelijk. Dat proces boeit me niet alleen bij schilders, maar ook bij mensen als Elvis of Vanden Boeynants. Elvis in Hawaï, dat is alleen nog theatraliteit, de geloofwaardigheid is verloren. En hoewel hij dan totaal voorbijgestreefd is, zorgt de glitter nog altijd voor een enorme hysterie en adoratie.' 'Schilderen, het maken van een beeld met verf is moeilijk te verantwoorden in deze tijd. Het behoort tot het verleden, het is een dood medium, dat telkens opnieuw door nieuwe lichamen wordt bepoteld. De enorme spanning tussen het gewicht van het verleden en het directe, niet reflexieve van een lichaam dat zich daarop zet, vind ik heel boeiend. Mijn onderwerp is die spanning tussen lichaam en beeld, tussen organisme en pose. Schilderkunst is een zombie, een medium opduikend als een lijk uit het verleden, geen rust vindend in de hedendaagse kunst, die tamelijk gestroomlijnd en gedesigned is.' 'Een icoon, een fetisj, een ideaal of exemplarisch beeld uit een modemagazine... door het te schilderen, verschuift mijn interesse naar de manier waarop het geschilderd is. Om echt te kunnen kijken naar een schilderij moet je het verlangen afleggen om met je Evil Eye op zoek te gaan naar het beeld waarin alles zal verschijnen. En in het atelier moeten de fascinatie voor het beeld, het ego en de persoonlijkheid plaatsmaken voor pure interesse in de verf en de opbouw van het schilderij. Dat is het verhaal van alle werken. De materialisering van iets wat heel vluchtig is of enkel gericht op aantrekkelijkheid en verleiding.' 'In de porno's die ik geschilderd heb, ontstaat de gruwelijke interesseverschuiving van iets wat direct in het teken staat van de opwinding, naar de pure opwinding van het schilderen zelf, en de fascinatie voor kleur. Dat krijgt iets onmenselijks. Ik moet denken aan Monet. Een goede vriend van hem is gestorven. Hij is er helemaal kapot van. Hij gaat hem groeten. Hij komt bij de kist waarin zijn vriend ligt, en ineens betrapt hij zichzelf erop dat hij in de oogholte aan het kijken is: dat is kobaltblauw met cadmiumgeel... Verdomme, dat kan gewoon niet. Zo'n totale afstandelijke blik. En dat is in wezen de horror van het schilderen: niet geïnteresseerd blijven in de puur persoonlijke dingen, maar de bijna volledige abstractie maken, kleur en vorm. Het is de fascinerende kracht van het maken van een schilderij. Dat kan heel desoriënterend zijn.'Jan Braet