JA

Voor de these dat het portret een vervalsing is, zijn er één historisch en twee technische argumenten. In het Metropolitan Museum in New York heb ik in documenten van de kunsthandelaar Francis Kleinberger een fiche ontdekt waaruit blijkt dat hij, in opdracht van Leopold II, het originele schilderij heeft verkocht aan Auguste de Ridder, een Duitse zakenman met Antwerpse wortels. Toen de verkoop bekend raakte, rees er in België fel protest. Men vond dat de koning het werk aan het Museum van Schone Kunsten in Brussel had moeten verkopen, maar omdat het daarvoor te laat was, heeft de koning allicht een kopie verkocht. De Ridder was kwaad op Kleinberger omdat hij dacht een kopie te hebben gekocht. Hij gaf het werk terug en Kleinberger sleet het begin jaren 1920 aan Harold Pratt, een zakenman uit New York. Ik weet nog altijd niet waar het is, maar ik ben wel op documenten gestoten die erop wijzen dat het origineel zich niet in B...

Voor de these dat het portret een vervalsing is, zijn er één historisch en twee technische argumenten. In het Metropolitan Museum in New York heb ik in documenten van de kunsthandelaar Francis Kleinberger een fiche ontdekt waaruit blijkt dat hij, in opdracht van Leopold II, het originele schilderij heeft verkocht aan Auguste de Ridder, een Duitse zakenman met Antwerpse wortels. Toen de verkoop bekend raakte, rees er in België fel protest. Men vond dat de koning het werk aan het Museum van Schone Kunsten in Brussel had moeten verkopen, maar omdat het daarvoor te laat was, heeft de koning allicht een kopie verkocht. De Ridder was kwaad op Kleinberger omdat hij dacht een kopie te hebben gekocht. Hij gaf het werk terug en Kleinberger sleet het begin jaren 1920 aan Harold Pratt, een zakenman uit New York. Ik weet nog altijd niet waar het is, maar ik ben wel op documenten gestoten die erop wijzen dat het origineel zich niet in Brussel maar in de Verenigde Staten bevindt. Om de originaliteit van een werk te kunnen beoordelen, is er meer nodig dan eensgezindheid onder kenners, want zelfs zij kunnen zich vergissen. Ik heb het schilderij onlangs nog met twee collega's bezocht en we waren het erover eens: het portret van - vermoedelijk - François Duquesnoy is een schoolvoorbeeld van een late Van Dyck. Ik weet waarover ik spreek, want ik ben al 37 jaar kunsthandelaar, 35 jaar gerechtsexpert en heb meegewerkt aan de Van Dycktentoonstellingen in Antwerpen en Londen. Omdat het begrip van elke imitator altijd beperkter is dan wat de meester tentoonspreidt, tonen kopieën altijd een gebrek aan differentiatie en subtiliteit. Het is zoals Beethoven en James Last: Last adopteert in zijn muziek de basiskenmerken van Beethoven op een rudimentaire, meer herkenbare manier. Dat is niet onmogelijk, want het proces van attributie, het toeschrijven van een auteur aan een schilderij, is geen exacte wetenschap. Als het echter een negentiende-eeuwse kopie was, ziet een expert dat - in tegenstelling tot een zesderangs-amateur - zelfs van op afstand, aan de gebruikte materialen. Een bijkomende analyse om aan te tonen dat het schilderij oorspronkelijk is, is niet nodig. Maar om de kritiek te pareren, hoe onzinnig die ook is, zou het wellicht niet slecht zijn. Het is niet omdat het museum iets weet, dat het niet moet worden uitgelegd. Voor de these dat het portret een vervalsing is, zijn er één historisch en twee technische argumenten. In het Metropolitan Museum in New York heb ik in documenten van de kunsthandelaar Francis Kleinberger een fiche ontdekt waaruit blijkt dat hij, in opdracht van Leopold II, het originele schilderij heeft verkocht aan Auguste de Ridder, een Duitse zakenman met Antwerpse wortels. Toen de verkoop bekend raakte, rees er in België fel protest. Men vond dat de koning het werk aan het Museum van Schone Kunsten in Brussel had moeten verkopen, maar omdat het daarvoor te laat was, heeft de koning allicht een kopie verkocht. De Ridder was kwaad op Kleinberger omdat hij dacht een kopie te hebben gekocht. Hij gaf het werk terug en Kleinberger sleet het begin jaren 1920 aan Harold Pratt, een zakenman uit New York. Ik weet nog altijd niet waar het is, maar ik ben wel op documenten gestoten die erop wijzen dat het origineel zich niet in Brussel maar in de Verenigde Staten bevindt. Om de originaliteit van een werk te kunnen beoordelen, is er meer nodig dan eensgezindheid onder kenners, want zelfs zij kunnen zich vergissen. Ik heb het schilderij onlangs nog met twee collega's bezocht en we waren het erover eens: het portret van - vermoedelijk - François Duquesnoy is een schoolvoorbeeld van een late Van Dyck. Ik weet waarover ik spreek, want ik ben al 37 jaar kunsthandelaar, 35 jaar gerechtsexpert en heb meegewerkt aan de Van Dycktentoonstellingen in Antwerpen en Londen. Omdat het begrip van elke imitator altijd beperkter is dan wat de meester tentoonspreidt, tonen kopieën altijd een gebrek aan differentiatie en subtiliteit. Het is zoals Beethoven en James Last: Last adopteert in zijn muziek de basiskenmerken van Beethoven op een rudimentaire, meer herkenbare manier. Dat is niet onmogelijk, want het proces van attributie, het toeschrijven van een auteur aan een schilderij, is geen exacte wetenschap. Als het echter een negentiende-eeuwse kopie was, ziet een expert dat - in tegenstelling tot een zesderangs-amateur - zelfs van op afstand, aan de gebruikte materialen. Een bijkomende analyse om aan te tonen dat het schilderij oorspronkelijk is, is niet nodig. Maar om de kritiek te pareren, hoe onzinnig die ook is, zou het wellicht niet slecht zijn. Het is niet omdat het museum iets weet, dat het niet moet worden uitgelegd.