INFO : De auteur is chef-econoom van de Europese Centrale Bank.
...

INFO : De auteur is chef-econoom van de Europese Centrale Bank.Onlangs wezen Frankrijk en Neder-land in een referendum het project van Europese grondwet af. Die politieke motie van wantrouwen had een weerslag op de euro. De koers daalde ten opzichte van de dollar, al had dat meer te maken met de sterke Amerikaanse economie dan met het Frans-Nederlandse 'nee'. Ook de deviezenmarkten reageerden negatief, maar ze herstelden zich snel. Een blijvende koersdaling van de euro ten opzichte van de dollar behoort daarom niet tot de verwachtingen. Ook politici reageerden. De Italiaanse minister van Arbeid Roberto Maroni pleitte openlijk voor de herinvoering van de lire. Uiteraard bepaalt de nieuwe Europese grondwet dat elk land de monetaire unie kan verlaten. Ik heb me daartegen verzet, maar het is zo. Niemand kan een land dwingen deel te blijven van een unie. Alleen moeten regeringen beseffen dat elk land dat de muntunie verlaat, een zware economische prijs betaalt - om het nog niet te hebben over de politieke schade. Stel dat Italië de lire weer invoert, dan zou de koers van de lire door de bodem gaan, de in euro berekende schulden zouden letterlijk exploderen en de langlopende rente zou drastisch stijgen. Voor een land als Italië, dat een torenhoge schuld heeft, zou dat scenario enorme uitgaven met zich brengen. Daarom alleen al kan ik me niet voorstellen dat welke regering ook in Rome het ernstig overweegt de muntunie te verlaten. Een dergelijk voorstel lanceren zonder een volwaardig alternatief te formuleren, kan misschien de aandacht afleiden van het eigen falen, maar het is ronduit onverantwoordelijk omdat het de angst van de mensen vergroot en het vertrouwen in de euro verder doet afkalven. Elke munt leeft van het vertrouwen van de burgers. Dat vertrouwen is geschokt en niet enkel in Italië. Dat vertrouwen herstellen is de taak van de Europese Centrale Bank (ECB), maar ook van de politiek. De Bank heeft - volgens mij - haar opdracht nauwkeurig uitgevoerd en zal dat ook verder doen. Maar ook de politiek heeft een opdracht. Het verhaal over de prijsstijgingen als gevolg van de invoering van de euro wordt niet weerlegd. Sommige producten zijn inderdaad duurder geworden, maar alles samen zijn de prijzen veel minder gestegen dan toen elk land zijn nationale munt had. Ook het feit dat ministers en studiediensten de schuld voor de lage economische groei doorschuiven naar de euro is misleidend en onterecht. Om te beginnen is het risico van de snelle wisselkoersveranderingen volledig verdwenen. Dat is een voordeel, ook voor die landen die vóór de euro een sterke munt hadden. Door de uniforme monetaire politiek van de ECB raakten die 'sterkemuntlanden' wel een deel van hun concurrentievoordeel kwijt. Er blijven natuurlijk verschillen tussen de landen als het gaat om de reële rente en inflatie. Maar als één lid van de Europese Unie de rentevoeten zo aanpast dat er een snelle economische groei zonder inflatoire gevolgen komt, is dat dan niet goed voor de hele EU waar de onderlinge export zo belangrijk is? In zo'n grote en heterogene economische ruimte zullen sommige landen altijd sneller groeien dan andere. Dat geldt voor de VS, zowel als voor de EU. Daar is níét de euro en ook niet de ECB voor verantwoordelijk; dat is het gevolg van het financiële en werkgelegenheidsbeleid van de nationale regeringen. Otmar Issing