Tien jaar na de explosie in de kerncentrale van Tsjernobyl noteerden wetenschappers afwijkende kleurpatronen op de veren van boerenzwaluwen. Dat meldde het wetenschappelijke vakblad Nature eind 1997. Na 1986 werden vogels uit drie zones met een verschillende graad van radioactieve contaminatie vergeleken met geprepareerde soortgenoten in musea. Daarbij bleek dat de vogels die dichtbij Tsjernobyl broedden, witte plekken op de veren kregen. Partieel albinisme, heet dat in het jargon.
...

Tien jaar na de explosie in de kerncentrale van Tsjernobyl noteerden wetenschappers afwijkende kleurpatronen op de veren van boerenzwaluwen. Dat meldde het wetenschappelijke vakblad Nature eind 1997. Na 1986 werden vogels uit drie zones met een verschillende graad van radioactieve contaminatie vergeleken met geprepareerde soortgenoten in musea. Daarbij bleek dat de vogels die dichtbij Tsjernobyl broedden, witte plekken op de veren kregen. Partieel albinisme, heet dat in het jargon. Aangenomen wordt dat dit nadelig is voor de vogelpopulatie omdat de dieren gemakkelijker door predatoren kunnen worden opgemerkt, en omdat het kenmerk zou wijzen op zware beschadiging van het genetisch materiaal. De zwaluwen rond Tsjernobyl accumuleerden twee tot tien keer meer fouten in hun genen dan zwaluwen in gezonde zones. Het is algemeen bekend dat straling het DNA - de molecule die de code draagt van de erfelijke kenmerken - in de war brengt, wat soms nefaste gevolgen heeft. Kanker kan een teken zijn van genetische schade. Ook in Nature publiceerden andere wetenschappers in 1996 informatie die leek uit te wijzen dat zware genetische schade, tot veler verrassing, niet per se tot grote overlevingsproblemen voor een soort leidde. Onderzoek van veld- en woelmuizen rond Tsjernobyl toonde aan dat het genetisch materiaal van de diertjes honderd tot duizend keer sneller wijzigde dan in normale omstandigheden. Toch bleken de populaties daar op het eerste gezicht niet veel hinder van te ondervinden. Zelfs binnen een straal van één kilometer van de uitgebrande reactorkern leven muizen die, hoewel ze radioactiviteit uitstralen en uitsluitend besmet voedsel eten, floreren in hun verontreinigde milieu. Hun succes kan niks te maken hebben met het feit dat ze minder roofdieren tegenkomen, want door het vertrek van de mens kregen die in het gebied net weer meer kans. De enige afwijking die bij de muizen kon worden vastgesteld, was een wat grotere milt dan normaal. De onderzoekers vermoedden wel dat de individuele muizen korter leefden dan vroeger, maar dat leek een volwaardige populatieontplooiing niet te belemmeren. De catastrofe bleek een geschikte gelegenheid om een natuurlijk experiment met de evolutie uit te voeren. In principe verandert het genetisch materiaal van dieren slechts heel geleidelijk. Tsjernobyl zal wetenschappers in staat stellen het effect van een sterk versnelde genetische evolutie te bestuderen. Insecten en spinnen waren het eerste jaar na de ontploffing minder talrijk dan voordien, maar hun aantallen bereikten snel weer normale waarden. Waterdieren werden ogenschijnlijk niet beïnvloed, tenzij vastzittende soorten zoals driehoeksmossels. Bruine kikkers legden weliswaar 30 procent steriele eieren, tegen slechts 1,5 procent in normale omstandigheden, maar dat bleek de populatie niet te remmen - blijkbaar hebben kikkers een grote eireserve. Dennenbossen leden het eerste jaar na de ramp vooral aan de rechtstreekse gevolgen van de ontploffing: hun naalden waren "rood verbrand". Maar tegen 1989 waren deze effecten grotendeels verdwenen. De bomen stapelden echter wel genetische fouten op en vertoonden links en rechts kleine, maar soms opmerkelijke afwijkingen in onder meer de vorm van de naalden. Wetenschappers zijn er huiverig voor om uit deze waarnemingen de conclusie te trekken dat de effecten van genetische schade op de overleving nogal meevallen. Zeker omdat de studies niets zeiden over de overlevingskansen van het individu - een factor die bij mensen belangrijker is dan bij dieren. Er doken al gegevens op over een verhoogde mutatiegraad bij mensen. Nature meldde (eveneens in 1996) dat kinderen geboren in 1993 in de regio rond Tsjernobyl dubbel zoveel veranderingen in hun genetisch materiaal hadden dan kinderen in andere zones. De beschreven studies hebben gemeen dat ze duidelijk aantonen dat blootstelling aan radioactieve straling zware afwijkingen in het genetisch materiaal kan veroorzaken. Het is vooralsnog niet duidelijk in welke mate die zich ook uiterlijk zullen manifesteren. Er worden verhoudingsgewijs weinig "fenotypische" veranderingen (genre kankerontwikkeling) vastgesteld. Hoewel. De boerenzwaluwpopulatie rond Tsjernobyl lijkt dramatisch te dunnen. In andere regio's in Oost-Europa is dat niet het geval.D.D.