Door Patrick Martens
...

Door Patrick MartensHet beleid van minister van Onderwijs Frank Vandenbroucke (SP.A) stond vijf jaar lang in het teken van gelijke onderwijskansen: leerlingen die sterk presteren nog meer prikkelen en leerlingen die zwak presteren zoveel mogelijk bijtrekken, zodat ze allemaal hun talenten maximaal kunnen ontplooien. De minister startte een 'tienkamp' voor gelijke kansen. Hij zette onder meer in op een hogere kleuterparticipatie, betere taalkennis, een groter engagement van de ouders, bewuste studiekeuze, meer kwaliteitscontrole op school, nieuwe 'tussentrappen' in de 'onderwijsladder' van beneden (het basisonderwijs) tot boven (het hoger onderwijs), en een financiering die moest gericht zijn op 'gelijke kansen op uitstekend onderwijs voor iedereen'. De kerncijfers van het Vlaamse onderwijs maken indruk. Het basis- en secundair onderwijs telt 1,1 miljoen leerlingen en 170.000 studenten volgen hoger onderwijs. Op alle niveaus samen zijn meer dan 150.000 leerkrachten, docenten en andere personeelsleden aan het werk. De onderwijsbe-groting is goed voor ongeveer 9,5 miljard euro. Dat is weliswaar ruim 1,5 miljard meer dan vijf jaar geleden, maar ook niet veel meer dan 4 procent van het bruto regionaal product. Tegelijk is het aandeel van de onderwijsuitgaven op de hele Vlaamse begroting gedaald onder de 40 procent. Een decennium geleden slokte onderwijs nog de helft van alle Vlaamse overheidsmiddelen op. Vandenbroucke gebruikte de (extra) middelen voor een reeks structurele maatregelen: meer werkingsmiddelen voor het basis- en secundair onderwijs, meer geld voor het hoger onderwijs, herwaardering van het technisch onderwijs, schooltoelagen en een maximumfactuur in het basisonderwijs, meer leerkrachten voor scholen met veel kansarme leerlingen, voltijds leren en werken voor 11.000 jongeren van het deeltijds onderwijs, het in de steigers zetten van hoger beroepsonderwijs, proeftuinen rond studiekeuze, enzovoort. Maar de tienkamp is niet af. De nieuwe Vlaamse regering zal die moeten verlengen. De onderwijsadministratie bereidde daarom een lijvige nota met prioriteiten voor. Daarvan kunnen er vijf onmogelijk overgeslagen worden. Een commissie onder leiding van voormalig secretaris-generaal Georges Monard heeft de krijtlijnen van een hervorming van het secundair onderwijs (465.000 leerlingen verspreid over 1068 scholen) op papier gezet. Ze stelt voor om in de eerste graad een algemene vorming aan te bieden en de studiekeuze uit te stellen tot in de tweede graad of de leeftijd van 14 jaar. Dan verdwijnt ook de klassieke opdeling tussen algemeen, technisch, kunst- en beroepssecundair onderwijs. In de plaats komen 'belangstellingsgebieden' (bijvoorbeeld talen/kunst en natuur/techniek/wetenschap-pen), met telkens richtingen die voorbereiden op de arbeidsmarkt of op het hoger onderwijs. De voorstellen beogen 'geen revolutie' en zouden over een periode van tien jaar kunnen worden uitgevoerd. Ze moeten ook verkeerde studiekeuzes en schooluitval (15 procent van de leerlingen verlaat de school zonder enig diploma) helpen te voorkomen. Het recente incident in een BuSO-school in Hoegaarden, waarbij een leerling hardhandig werd aangepakt door een leerkracht, richtte de focus opnieuw op de extra zorg die nodig is voor leerlingen met leerproblemen, gedragsstoornissen, fysieke en mentale functiebeperkingen. Het buitengewoon onderwijs telt 46.500 leerlingen en ook in het gewoon onderwijs zijn er 100.000 leerlingen die specifieke ondersteuning nodig hebben. Vandenbroucke werkte aan een beleidskader voor Leerzorg om de muren tussen gewoon en buitengewoon onderwijs neer te halen en elk kind 'zorg op maat' te bieden. Maar zijn voorstel, dat de leerlingen indeelt volgens zorgniveaus met telkens een aangepaste financiering, stootte op weerstand in het onderwijs en in de politiek. Het kreeg geen fiat van het Vlaams Parlement. De volgende Vlaamse regering moet na meer dan tien jaar discussiëren knopen doorhakken. Vandenbroucke realiseerde een historische doorbraak door bij de financiering van de werkingsmiddelen van het basis- en secundair onderwijs de lat gelijk te leggen tussen de scholen. Niet meer het onderwijsnet, maar de kenmerken van leerlingen en scholen zijn relevant. Het budget voor de werkingsmiddelen werd ook met 285 miljoen euro verhoogd. De nieuwe Vlaamse regering moet een soortgelijke operatie doorvoeren voor de financiering van leerkrachten en het ander personeel van de scholen. Daarbij moet er eveneens aandacht zijn voor het lerarentekort: de vergrijzing laat ook in onderwijs sporen na en 30 procent van de beginnende leerkrachten houdt het binnen de vijf jaar voor gezien. De helft van de huidige schoolgebouwen werd gebouwd tussen 1950 en 1990. Meer dan een kwart is helemaal niet (meer) aangepast aan de hedendaagse onderwijsbehoeften. De wachtlijsten met investeringsdossiers zijn lang. De aftredende Vlaamse regering trok de gewone investeringsmiddelen aanzienlijk op. Vandenbroucke stak ook geld in energievriendelijke renovatie en zette een inhaalprogramma van 1 miljard euro voor ruim 200 bouwprojecten op via een privaat-publiek initiatief. Maar een definitief akkoord over dat laatste werd niet bereikt. Dat is werk voor de volgende Vlaamse regering. In het hoger onderwijs is de Bolognahervorming uitgerold: associaties tussen universiteiten en hogescholen, bachelor- en masteropleidingen, flexibele studietrajecten voor studenten, een outputgerichte financiering, academisering van de vierjarige opleidingen van de hogescholen et cetera. In principe worden instroom, doorstroom en uitstroom pas in 2014 grondig geëvalueerd. Dat gebeurt het best veel vroeger om de effecten op onder meer de onderwijskwaliteit, de studieduur, het aantal afgestudeerden en de internationalisering in de gaten te houden. Tegen 2012 moet bovendien de academisering van de hogeschoolopleidingen en hun integratie binnen de universiteiten een feit zijn. Ook heel belangrijk wordt een continuüm voor beroepsopleidingen: van het technisch en beroepssecundair onderwijs, over het nieuwe hoger beroepsonderwijs tot de professionele bachelor-opleidingen.