De Verenigde Arabische Emiraten vierden net hun 25-jarig bestaan. In die kwarteeuw evolueerden ze van woestijnstaat naar luxeoord.
...

De Verenigde Arabische Emiraten vierden net hun 25-jarig bestaan. In die kwarteeuw evolueerden ze van woestijnstaat naar luxeoord.Hoe verteert een volk een sprong van armoede naar luxe ? Wat zijn daarvan de gevolgen op korte en lange termijn ? Met die vragen worstelen de heersers van Abu Dhabi, Dubai, Sharja, Ajman, Umm al-Qaywayn, Ras al-Khayma en al-Fujayra, de zeven landen die samen de Verenigde Arabische Emiraten vormen. Hun bezorgdheid klinkt door in alle gesprekken en dwingt hen tegelijk tot een zoektocht naar het eigen verleden. Nog niet zo lang geleden strekte zich tussen Saudi-Arabië, Qatar en Oman een woestijn uit die alleen onderbroken werd door enkele oases en kleine dorpen en een beschermd fort waar de sjeik woonde. Die sjeik was niet noodzakelijk de rijkste man van de nederzetting, wel het hoofd van de familie, die het meest aanzien had en dan ook geraadpleegd werd bij problemen. En dat fort was mooi meegenomen om de groep te beschermen tegen aanvallen van rovers. Aan de kust vonden vissers en parelduikers onderdak. Er waren twee natuurlijke havens : Dubai, waar een brede kreek scheepvaart toeliet en Sharja met zijn toegankelijke kust. Zo'n tweehonderd jaar geleden had Dubai zich, dankzij zijn haven, ontwikkeld tot een van dé handelscentra aan de Golf (de Perzische volgens Iran, de Arabische volgens de rest van de landen daar). De Britten die het niet zo begrepen hadden op de piraterij in het gebied , bombardeerden Sharja in het zand. Dubai echter bleef een welvarende op handel gerichte stad met toen al een internationale bevolking en een commerciële geest. Dat Dubai bovendien bestuurd werd door een dissidente tak van de over het grootste gebied heersende familie, kon voor de bewoners de vreugde enkel verhogen. Die familie was dan wel baas over het grootste deel van de kuststrook (Abu Dhabi) ; veel voordeel hadden ze daar nu ook niet aan. De zee bracht wel wat vis op die werd dan op het strand gedroogd. Maar de enige rijkdom van de streek kwam van de dadelpalmen en de kudden. En van piraterij, zowel te land als ter zee. EEN WOESTIJN VOL OLIEDat laatste was niet naar de zin van de Britten die naar een veilige handelsweg verlangden en de Golf wilden beheersen, zodat andere westerse landen daar geen voet aan de grond kregen. Dus sloten ze een aantal verdragen die erop neer kwamen dat de bewoners van de Golfstaten de zogenaamde Verdragstaten of Trucial States in hun eigen gebied konden doen en laten wat ze wilden, maar zich op zee moesten gedragen. Dat verdrag had nogal wat onverwachte gevolgen. De Verdragstaten, nu de Verenigde Arabische Emiraten (VAE), lagen eigenlijk geïsoleerd : de Rub al-Khali, de grote lege woestijn waar alleen bedoeïenen kunnen overleven, zonderde hen af van de rest van de wereld. Alleen de Golf bood hen een uitweg en die werd nu door de Britse vloot gedomineerd. Daardoor bleven de Verdragstaten wel buiten de oorlogen en de kolonisatie, die andere landen verwesterden, en konden ze hun eigen cultuur, gebaseerd op overleg en consensus, behouden. Een ander gevolg was dat de ondertekenaar van dat verdrag voortaan door Londen en dus de wereld werd aanzien als heerser ( emir) over dat gebied. Die kon, op zijn beurt, dankzij de beschermende Britse hand, zijn macht vestigen. De negentiende eeuw luidde in de regio een aantal veranderingen in. In de rijke westerse kringen werd het, bijvoorbeeld, mode om lange parelsnoeren te dragen : als teken van weelde en als aandenken aan exotische landen, die men dan wel niet zelf had bereisd, maar waar toch maar de eigen vlag wapperde. De parelduikerij, geen nieuwigheid in die streken, bezorgde de mensen dus enige welvaart, al was het vreselijk hard labeur. Veel woestijnbewoners trokken naar de kust en schakelden snel en blijkbaar zonder veel moeite om naar een leven op zee. Die parels werden afgenomen door handelaren uit alle landen, wat het buitenland naar de woestijngebieden bracht. De Japanse ontdekking dat parels konden worden gekweekt, sloeg die welvaart ineens stuk. En toen de Indische regering in 1946 elke import vanuit de Golfstaten verbood, was de pret helemaal over. Maar inmiddels was er een nieuwe bron van rijkdom ontdekt. In de jaren dertig van deze eeuw werd in Saudi-Arabië en Bahrein olie gevonden. Prospectoren keken begerig naar de rest van de woestijn en dachten aan de voorraden olie die daar misschien wel verscholen konden zitten. Ze kregen nog gelijk ook. In 1969 exporteerden Abu Dhabi en Dubai voor het eerst ruwe olie, bijna zestig jaar nadat de eerste prospectoren daar arriveerden. Er was veel gebeurd sindsdien : de Tweede Wereldoorlog had de machtige Europese landen half failliet achtergelaten, de Verenigde Staten waren tot een wereldmacht uitgegroeid. De vondst van olie zette ook de cartografen aan het werk : ze legden de grenzen van de verschillende staten vast. Want van de grens hing de rijkdom af. Dat de zeven kleine staatjes zich in 1971 aaneensloten tot wat nu de Verenigde Arabische Emiraten heet, lag voor de hand. Toen de Britten in 1969 lieten weten dat het handhaven van een leger hen te zwaar op de geldbeugel woog, konden de zeven steden en hun hinterland alleen overleven door samen te werken. Dat had het verleden bewezen : in 1952 claimde Saudi-Arabië een deel van het grondgebied en het kostte twee jaar onderhandelen voor er opnieuw vrede was. En in 1971, toen de Britten hun troepen terugtrokken, controleerde Iran drie eilanden voor de kust. De onderhandelingen daarover zijn nog altijd aan de gang. DE ROZEN MOGEN BLOEIENDe Golfoorlog (1990-1991) maakte nogmaals duidelijk dat goede nabuurschap voor zo'n kleine federatie van levensbelang is. De internationale boycot tegen Irak en Iran wordt tot op vandaag stilzwijgend genegeerd. Wie naar de officiële politiek terzake vraagt, krijgt in Abu Dhabi te horen dat ?ook in Irak de rozen mogen bloeien?, terwijl het antwoord in Dubai luidt dat de ?Amerikanen eerst eens moeten uitleggen waarom er Amerikaanse producten op Cuba zijn, voor ze zich opwinden over de handel tussen de VAE en de buurlanden.? Wie dan nog aandringt, verneemt dat Dubai officieel geen handel drijft met Irak en Iran, maar er ook niets tegen kan doen als ?een schip halverwege van koers verandert. Smokkel is voor ons een manier van handel drijven.? Met zo'n houding ligt een snelle economische opmars voor de hand. Zeker wanneer die kan gevoed worden door oliedollars. Die gingen, net als in de andere Arabische koninkrijken, rechtstreeks naar de heersende families. Opvallend is dat de VAE dat geld in de eerste plaats aanwendden om het leven van de eigen bewoners te verbeteren. De woestijn veranderde in een groene kuststrook, besproeid door kilometers lange sprinklersystemen. Oases zijn nu bloeiende boerderijen. De moderne welvaarstaat ontwikkelde zich razendsnel : in 1972 waren er 18 scholen, vandaag de dag zijn er 395. In 1972 was er nog geen veldhospitaal, nu zijn er 36 grote en meer dan 300 kleine ziekenhuizen over het hele gebied. Perfecte wegen verbinden de enkele steden van het land en het achterland wordt steeds verder ontsloten. Flatgebouwen, regeringsgebouwen, universiteiten, ze schoten als paddestoelen uit de grond. Waarbij het protserige Amerikaanse uitzicht vermeden werd, de supermoderne gebouwen behouden een Arabisch uitzicht. De opstoot als welvaartstaat en de uitbouw van infrastructuur vroegen ook almaar meer regeringsapparaat en werkkrachten. De werkkrachten worden grotendeels geïmporteerd : Indiërs, Pakistani, Banglasdeshi en Filippino's vormen een leger van arbeiders, terwijl hogere kaderfuncties in toerisme, olieindustrie en bedrijven voorbehouden blijven aan westerlingen. Drie op vier arbeidskrachten zijn buitenlanders en iedereen werkt hier onder contract : de sponsor draagt niet alleen verantwoordelijkheid voor de werkkrachten die hij importeert, hij strijkt ook het geld voor de verblijfsvergunning op. En al lijkt het systeem perfect met contracten van bepaalde duur, minimumloon en een veertig-urenweek, in de praktijk loopt het vaak fout. Dat bewijzen de verschillende maatregelen tegen illegale arbeiders. Ook hier doet zich weer een vreemde mengeling voor : aan de ene kant geven de autoriteiten toe dat illegalen uitgebuit worden ze genieten ook geen bescherming want kunnen nergens klagen ; aan de andere kant wordt de massale uitstoot van illegalen voorgesteld als humanitair : ?het is voor hun eigen goed.? De illegale werklieden vormen als onzichtbaar, onderbetaald leger officieel een gevaar voor de volksgezondheid omdat ze slecht gevoed kunnen zijn, geen recht hebben op medische zorgen en dus ziek blijven rondlopen. VAN WOESTIJN NAAR STADTerwijl de regering samengesteld is uit de familieleden van de emirs, blijft het regeringsapparaat voorbehouden aan de lokale mensen, wat volgens critici de werkloosheid verdoezelt. Hoge lonen zorgen wel voor tevredenheid bij de plaatselijke bevolking. En gezien er geen belastingen worden geheven en de bevolking ook nog eens wordt verwend met gratis huizen, onderwijs, ziekenzorg, lijken de Emiraten inderdaad een paradijs. Maar elk paradijs heeft een slang. De té grote afhankelijkheid van de olie kan op termijn een probleem worden, dat wordt openlijk toegegeven. Er zijn dan ook initiatieven om meer toeristen aan te trekken, welvarende toeristen welteverstaan. Ook gisten er plannen om de economie te diversifiëren. En om Hongkong op termijn als financiële centrum te vervangen. Dat alles moet de staat ontlasten en de lokale bevolking ànder werk bezorgen. Maar tegelijk stelt zich het probleem dat de luxe, waarin de kinderen van deze maatschappij leven, hen slecht voorbereidt op arbeid. Vooral jongens verlaten de school vroegtijdig en er groeit, geeft prins Abdullah, staatssecretaris van Cultuur, ruiterlijk toe ?een drugsprobleem bij de jongens.? Meisjes studeren beter en langer en werken harder. Wat dan weer de traditionele positie van de vrouw doet kantelen. De bedoeïenenvrouwen hadden altijd een eigen bezit, waren baas in het gezin omdat ze thuis waren en dus opdraaiden voor huis, kinderen en landbouw. Vrouwen kunnen werken, er is geen enkele wet die het hen verbiedt, maar de traditie wil dat getrouwde vrouwen (zeker met kinderen) thuis blijven. Hoe sterk de druk is om zich aan de aloude gewoonten te houden, hangt af van de ouders, van de grootouders vaak. Hoe de mensen de sprong van woestijn naar stad verteerden, daar kom je erg moeilijk achter. Duidelijk is wel dat veel oudere familieleden (nog altijd of opnieuw) in de oude dorpen en steden wonen. Maar de jongere generatie is daar weg, gebruikt het ?voorouderlijke? huis alleen nog als een soort buitenverblijf. Veel hoog opgeleide dertigers leven met een gevoel van nostalgie naar een geïdealiseerd vroeger. ?Ik kom hier vaak,? zegt een bezoeker in het museum van Dubai, waar de bezoeker dwars door de tijd lijkt te wandelen. De jonge man vertelt dat hij pas op zijn tiende naar school ging. Voor hem is het museum geen verleden tijd, maar een spiegel van de gelukkige jaren uit zijn jeugd. De tweespalten die in deze samenleving zeker bestaan tussen generaties, tussen mannen en vrouwen, tussen lokale en buitenlandse werknemers impliceren een grote tolerantie. Christelijke kerken staan broederlijk naast moskeeën, in restaurants wordt openlijk en zonder voorbehoud gepraat over de verschillen tussen islam en christendom, worden voor- en nadelen afgewogen. Hoe die maatschappij zich verder zal ontwikkelen, blijft voorlopig de vraag. De heersende families hebben in die 25 jaar van hun bestaan, bewezen snel en efficiënt te kunnen omschakelen als dat nodig was. Als het land en het volk erin slagen even tolerant, zij het vol weemoed, heden en verleden te blijven verzoenen, ziet het er goed uit. Misjoe Verleyen Heden en verleden, godsdienst en zakendoen : de Verenigde Arabische Emiraten verzoenen ze moeiteloos.Midden in de woestijn leveren enorme boerderijen groenten en fruit.Hoog opgeleide lokale mensen moeten op termijn de buitenlandse werknemers vervangen.