Ze gingen er eens invliegen, zie. Ze zouden de klus in een handomdraai klaren. In de aanloop naar de oorlog was vooral het Amerikaanse publiek nog bestookt geweest met doemvoorspellingen over biologische wapens en terroristische aanslagen om de noodzaak van een invasie in Irak te verkopen.
...

Ze gingen er eens invliegen, zie. Ze zouden de klus in een handomdraai klaren. In de aanloop naar de oorlog was vooral het Amerikaanse publiek nog bestookt geweest met doemvoorspellingen over biologische wapens en terroristische aanslagen om de noodzaak van een invasie in Irak te verkopen. Maar eens de beslissing om ten strijde te trekken genomen was, doken er andere scenario's op. Binnen een week zouden de Amerikanen (en hun Britse coa-litiepartners) voor de poorten van de Iraakse hoofdstad Bagdad staan. De Irakezen zouden zo onder de indruk zijn van de militaire machtsontplooiing - de fameuze doctrine van shock and awe, schokken en verbijsteren - dat ze amper weerstand zouden bieden. In het zuiden zouden ze massaal in opstand komen tegen het regime en zich aansluiten bij de 'bevrijders'. In en boven Bagdad, de machtsbasis van de geviseerde president Saddam Hoessein, zou men snel tot het besef komen dat vechten geen zin had. Het land zou als een rijpe appel in de schoot van Amerikanen en Britten vallen. De eerste dagen van de oorlog racete vooral de zevende cavalerie van het Amerikaanse leger door de woestijn. Ze legde een recordafstand af, wisten kenners van de militaire geschiedenis, ze was zelfs sneller dan het Britse leger dat in 1944 in recordtempo vanuit Noord-Frankrijk naar Brussel trok. Militaire en politieke doelwitten in Bagdad en andere steden werden met precisiewapens bestookt. Het Iraakse luchtruim, al grotendeels schoongeveegd in de naweeën van de vorige Golfoorlog, was snel bijna volledig in handen van de Amerikaans-Britse coalitie. Maar de rush stuitte op onverwachte ontwikkelingen. Er kwam geen opstand in het zuiden tegen het regime van Saddam. In de steden op de weg naar Bagdad, zoals Basra en Nasiriya, werden Amerikanen en Britten niet met open armen ontvangen. Het isolate and move on (isoleren van de steden en verdertrekken richting Bagdad) werkte niet, want haarden van verzet bestookten vanuit de steden de meer dan vijfhonderd kilometer lange bevoorradingslijn van de Amerikanen. Een eerste zelfmoordaanslag kostte vier Amerikaanse militairen het leven en vergrootte de kloof tussen burgers en bevrijders. De voorhoede van de 'coalitie' bleef steken in het zand op zo'n honderdvijftig kilometer van Bagdad. Het enige wat Amerikanen en Britten onderweg 'bevrijd' hadden, waren enkele stadjes in het uiterste zuiden en grote stukken haast onbewoonde woestijn. Ze leerden dat Saddam zijn lessen had getrokken uit zijn smadelijke nederlaag in de vorige Golfoorlog, operatie Desert Storm. Toen had hij zijn troepen ingegraven in de woestijn, waar ze een gemakkelijke prooi waren geweest voor de luchtmacht van de 'geallieerden'. Nu heeft hij zijn strijders in de steden teruggetrokken, tussen zijn burgers. Zijn belangrijkste divisies zijn opgesteld in een halve ring op enkele tientallen kilometers van Bagdad, in de dichtbevolkte alluviale vlakte tussen de rivieren Tigris en Eufraat, waar in lang vervlogen tijden de wortels van onze moderne beschaving (met onder meer het schrift) werden gelegd. In de woestijn voeren Saddams militaire en paramilitaire troepen alleen nog hit-and-run aanvallen uit, om de aanvallers maximaal op te houden. Ondertussen zochten de oorlogsplanners een noodoplossing voor het feit dat door de weigering van Turkije om Amerikaanse troepen door te laten, er geen duidelijk noordelijk front kwam. In de Amerikaanse media sijpelden de eerste woorden van kritiek binnen op vooral minister van Defensie Donald Rumsfeld, de man die deze oorlog meer dan wie ook leek te willen. Generaal Tommy Franks, die de operatie Iraqi Freedom tot een goed einde moet brengen, zou hem vruchteloos gevraagd hebben het begin van de oorlog wat uit te stellen om te kunnen anticiperen op het onvoorziene wegvallen van een noordelijke invasie. Wat zowel Franks als Rumsfeld vorig weekend staalhard ontkenden. De 'Rumsfeld-doctrine' - een snelle opmars gekoppeld aan een massaal bombardement met precisiewapens - won het van de naar de huidige Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken genoemde 'Powell-doctrine', die in de vorige Golfoorlog zo'n snel succes had gebaard: het in de strijd gooien van een groot overwicht aan manschappen. Maar vorige week werd bijna de hele Britse bijdrage op het terrein (een divisie) opgehouden door onvoorziene gevechten rond de zuidelijke stad Basra. Ironisch genoeg, stellen analisten nu al, dreigen de 'coalitietroepen' meer tijd te verliezen met het uit hun hol roken van kleine verzetshaarden dan met bijvoorbeeld een echte tankslag tegen een technologisch inferieure tegenstander. Saddam deed zijn huiswerk beter dan de vorige keer. In de afgebroken race naar Bagdad zijn momenteel drie Amerikaanse divisies betrokken, waarvan er slechts één over tanks beschikt. Ter vergelijking, stellen analisten: in de Tweede Wereldoorlog kon Frankrijk, dat ongeveer even groot is als Irak, slechts door de inzet van vijftig divisies op twee fronten veroverd worden op de Duitsers (die weliswaar militair sterker waren dan de Irakezen). In de Golfoorlog worden nu de helft minder troepen ingezet dan bij de vorige editie, toen in principe alleen het kleine Koeweit moest worden bevrijd. Maar Rumsfeld wilde per se een eerste test van zijn doctrine, die de Amerikaanse militaire operatie moet aanpassen aan haar technologische superioriteit. Het Amerikaanse leger moet, in Rumsfelds visie, flexibeler en mobieler worden: minder afhangen van tankdivisies en meer steunen op overwicht in de lucht, op speciale eenheden en op 'niet-conventionele oorlogvoering' waarmee onder meer doorgedreven informatiewinning ( intelligence) wordt bedoeld. Een enorme gok, stellen experts. Want bovenop onvoorspelbare politieke veranderingen in Irak, het Midden-Oosten en de transatlantische relaties tussen Europa en de Verenigde Staten gooiden de haviken in de Amerikaanse regering ook nog een absoluut vertrouwen in een doorslaggevende rol voor haar precisiewapens: de 'slimme' bommen die met lasers en satellieten naar hun doelwit worden geleid. Die slimme bommen kaderen in een geleidelijke vermindering van het aantal manschappen dat een conventionele oorlog voert sinds de Eerste Wereldoorlog, toen een groot aantal soldatenlevens verloren ging omdat de oorlogvoering niet was aangepast aan de ontwikkeling van automatische wapens. Nadien steunde de strijd sterk op tanks en zware artillerie, of indien nodig op tapijtbombardementen zoals tijdens de Tweede Wereldoorlog en in Vietnam. Nu selecteren kleine groepjes speciale strijdkrachten specifieke doelwitten die vervolgens met precisiebombardementen worden uitgeschakeld. Precisiebombardementen impliceren ook dat er minder vliegtuigen moeten worden ingezet om een doel te bereiken. De eerste lasergeleide bommen werden in 1972 in Vietnam gebruikt, om de strategisch belangrijke brug van Than Hoa in de buurt van de hoofdstad Hanoi te vernietigen. Vier aanvallen met lasergeleide bommen brachten ze omlaag, terwijl meer dan achthonderd pogingen met gewone bommen geen resultaat hadden opgeleverd. De opmars van de moderne technologie op het slagveld leidde al tot opvallende wijzigingen in het slachtofferbeeld. In de vorige Golfoorlog sneuvelden er voor de eerste keer meer 'technici' dan echte soldaten, zoals monteurs die op een tank moesten kruipen om het vuurgeleidingssysteem voor de schutter binnenin bij te stellen. Het is nu al duidelijk dat het aantal slachtoffers gevallen onder 'bevriend vuur' of in 'operationale ongevallen' minstens even hoog zal liggen als de vorige keer. In de Tweede Wereldoorlog en in Vietnam, waar uiteraard veel meer doden en gewonden vielen, schommelden die cijfers tussen 1,5 en 2,8 procent, in de vorige Golfoorlog liepen ze op tot 17,4 procent. De alomtegenwoordige aanwezigheid van camera's, de weerstand in grote delen van de wereld tegen de oorlog en de blijkbaar dwingende behoefte om 'hart en geest' van de Iraakse bevolking te winnen, inspireerden 'militaire modernisten' onder Amerikanen en Britten ertoe civiele doelwitten te sparen en zoveel mogelijk infrastructuur (zoals bruggen en elektriciteitscentrales) intact te laten. Ouderwetse ijzervreters, onder wie nogal wat van de gepensioneerde generaals die worden opgevoerd om commentaar te leveren bij wat er te velde gebeurt, zitten met argusogen te wachten op de eerste tekenen dat het nieuwe systeem in de fout gaat. Moderne precisiebommen kunnen door middel van een satelliet tot op 10 meter van hun doel geleid worden. Maar satellietstralen kunnen zonder veel hoogtechnologie worden verstoord, zodat de 'verdediger' een bom kan afleiden van het beoogde doel. Het is momenteel niet duidelijk of de Irakezen daartoe in staat zijn, maar de recente 'ongevallen' met bommen die op markten in Bagdad terechtkwamen worden nauwkeurig geanalyseerd om na te gaan of hier interferentie in het spel was. Het succes van precisiebombardementen staat of valt vooral met de kwaliteit van de inlichtingen die verzameld worden om de doelwitten te selecteren. Was Saddam Hoessein de eerste nacht van de oorlog met een precisiebom gedood, zou iedereen van een geweldig succes gesproken hebben. Nu blijft het afwachten in welke mate de intelligence zo sterk is dat de bommen het Iraakse regime en militaire apparaat genoeg verzwakken om een even- tueel beleg van Bagdad snel te kunnen afronden. Ononderbroken worden telefoongesprekken en e-mailverkeer in Irak gescand. Onbemande spionagevliegtuigjes (zoals de Predator) stralen voortdurend (en live) beelden door van doelwitten. Het is te hopen voor de aanvallers dat het inlichtingenwerk over Bagdad beter is dan wat er uit het zuiden van het land kwam. Binnen een maand zou het gedaan moeten zijn, luidt het nu. Maar als het op inlichtingen gebaseerde precisiewerk onvoldoende scoort om op selectieve wijze de strijd te winnen, zal de oorlog langzaam evolueren naar wat Amerikanen en Britten absoluut wilden vermijden: een langdurig militair beleg dat tot een humanitaire ramp en een politieke catastrofe zal leiden - de nachtmerrie van het 'Mesopotamisch Stalingrad' die Saddam zijn vijanden beloofde. Dan zal de Amerikaanse president George W. Bush zijn vader nog vervloeken dat die in 'zijn' Golfoorlog twaalf jaar geleden de klus niet heeft afgemaakt door naar Bagdad op te rukken en een einde te maken aan Saddams regime. Dirk Draulans