'L es Flaminds n'ont nîn peur d' sè l'vér timpe pour daler... wèrkî. ' De Vlamingen zijn niet bang om vroeg op te staan om te gaan... werken. Zo luidt het in het sappige Waals rond La Louvière dat Willy Van Poucke in Langs bergen van werk met aanstekelijk plezier citeert om het aan de vergetelheid te ontrukken. Van Poucke wil met zijn verslag langs de mijnterrils in het zuiden van het land niet alleen het Waals redden maar ook de reputatie van de Waalse én Vlaamse werkmens in eer herstellen. In eerste instantie is dit boek een hommage aan de authentieke proletariër van vroeger, of hij nu in de mijnen van de Borinage ploeterde of in de textielfabrieken van Wetteren, waar Van Poucke is geboren. In tweede instantie schreef Van Poucke met zijn wandeling langs het terrilpad van Berni...

'L es Flaminds n'ont nîn peur d' sè l'vér timpe pour daler... wèrkî. ' De Vlamingen zijn niet bang om vroeg op te staan om te gaan... werken. Zo luidt het in het sappige Waals rond La Louvière dat Willy Van Poucke in Langs bergen van werk met aanstekelijk plezier citeert om het aan de vergetelheid te ontrukken. Van Poucke wil met zijn verslag langs de mijnterrils in het zuiden van het land niet alleen het Waals redden maar ook de reputatie van de Waalse én Vlaamse werkmens in eer herstellen. In eerste instantie is dit boek een hommage aan de authentieke proletariër van vroeger, of hij nu in de mijnen van de Borinage ploeterde of in de textielfabrieken van Wetteren, waar Van Poucke is geboren. In tweede instantie schreef Van Poucke met zijn wandeling langs het terrilpad van Bernissart tot in Blegny een knappe mengeling van egodocument en cultuurgeschiedenis. Van Poucke bewijst met Langs bergen van werk dat de Vlaamse literaire non-fictie, in het spoor van de Nederlandse grote broers als Geert Mak (In Europa) en Frank Westerman (El Negro en ik), eindelijk volwassen is geworden. 'Een leerzame voetreis moest het worden, ook voor mijn zelfkennis.' Dat neemt Van Poucke zich voor wanneer hij in het westen van Wallonië zijn pelgrimage van 280 kilometer te voet aanvat. En Van Poucke houdt woord. Het is geen toeval dat hij Bernissart als start van zijn bedevaart uitkoos. Bernissart is immers niet alleen de vindplaats van de befaamde prehistorische iguanodons, maar ook de site waar het oudste nog bestaande mijngebouw op het Europese vasteland staat. Het dateert van 1781 en vormt voor Van Poucke de aanleiding om al associërend, op het tempo van zijn voetreis, door de industriële geschiedenis van Wallonië te flaneren. Als een etnograaf kijkt hij naar mens en landschap om het industriële DNA van het negentiende-eeuwse België, dat op sterven na dood is, met grote sympathie in kaart te brengen. Of het nu om de volkscultuur gaat, of de hoge cultuur van kunstenaars en vorsten, Van Poucke delft alle mogelijke aders op tijdens zijn zoektocht naar de verloren Belgische tijd. Nooit geweten dat Jacques Du Broeucq in de zestiende eeuw zulke prachtige sculpturen heeft gemaakt die nu nog mondjesmaat te bewonderen zijn in het koor van de Sint-Waltrudiskerk in Bergen. Jammer genoeg gingen de meeste van zijn kunstwerken verloren. Maar laat dat nu net de taak van de auteur zijn volgens Van Poucke: de sporen van het verleden in het heden opnieuw zichtbaar maken. Wie met hem meewandelt, komt Johanna Schopenhauer, de moeder van de beroemde filosoof, tegen zoals zij ooit gecharmeerd werd door het Waalse mijnlandschap, maar evengoed Marcel Matthijs, een vergeten Vlaamse schrijver en verre voorloper van Louis Paul Boon. Hij schetste in zijn roman Doppen uit 1935 al een kleurrijk beeld van het Waalse zwarte land. Matthijs was gefascineerd door de grote mate van onderlinge solidariteit tussen de mijnwerkers, die onder geen enkele omstandigheid hun waardigheid verloren. Soms gaat Van Poucke te ver in zijn idealisering van dat proletarische gemeenschapsgevoel, maar even dikwijls kun je hem als lezer bijtreden, zoals in de slotscène van zijn boek in een café in Ans, een voorstadje van Luik. De cafégangers mogen elk apart aan een tafeltje hun pint pakken, toch zijn ze met elkaar in gesprek en vormen ze op hun manier een hechte familie: 'Dit is een gemeenschap. (...) Het was goed reizen, zo ver weg in België.' Van Poucke is trouwens niet te beroerd om zichzelf op de vingers te tikken voor zijn occasionele dweepzucht met een bepaald soort nestwarmte: 'De Engelsen hebben dit allang door, het woord pedestrian betekent in hun taal zowel "te voet" als "platvloers".' Als antidotum voor de nostalgie die op de loer ligt, dist Van Poucke geregeld harde feiten en cijfers op. In de Belgische mijnbouw lieten tussen 1821 en 1992 niet minder dan 24.000 arbeiders en arbeidsters het leven. Kortom, Van Poucke schreef niet zomaar een gloedvol requiem voor een uitgestorven mensensoort: de mijnwerker. WILLY VAN POUCKE, LANGS BERGEN VAN WERK, GLOBE/ROULARTA BOOKS, ROESELARE, 254 BLZ., 21,90 EURO. Frank Hellemans