Met tien vrouwen zitten we in een busje met chauffeur, popelend om onze volgende stap te zetten: van het werk als lokale prostituee naar het grote geld in het buitenland. Van Lagos rijden we naar een verlaten bos ten noorden van de miljoenenstad. Op weg naar Italië. Tenminste, dat hopen we.
...

Met tien vrouwen zitten we in een busje met chauffeur, popelend om onze volgende stap te zetten: van het werk als lokale prostituee naar het grote geld in het buitenland. Van Lagos rijden we naar een verlaten bos ten noorden van de miljoenenstad. Op weg naar Italië. Tenminste, dat hopen we. Maar eerst, zo blijkt, krijgen we 'training' in een afgelegen kamp, bewaakt door militairen. Onze madam, Mama C, verwelkomt ons in onberispelijk Engels en vertelt ons hoe bijzonder we zijn en hoeveel geluk we wel hebben dat wij zijn uitgekozen voor dit transport. Daarna worden we naar een kamer gestuurd waar we, zonder eten of bed, de nacht zullen doorbrengen. We hebben van tevoren de risico's in kaart gebracht: mijn krant, The Premium Times, onze collega Reece Adanwenon in buurland Benin, TheZAM Chronicle in Amsterdam, en ik. Contacten, noodgeld, alarmnummers, veilige adressen en ontsnappingsroutes zijn geregeld. Reece wacht in Cotonou op me: honderd kilometer verderop in Benin. Zij zal me ophalen bij een afgesproken ontmoetingsplaats. Maar deze training in dit geïsoleerde kamp in the middle of nowhere hadden we niet voorzien. Het begint tot me door te dringen dat dit een erg kwalijke situatie is. Het begon allemaal in Abuja, de hoofdstad van Nigeria: mijn beslissing om de misdaden van mensenhandelaren aan het licht te brengen. Zij hebben de dood van mijn goeie vriendin Ifuoke op hun geweten. Ik had al eerder vrouwelijke en mannelijke sekswerkers geïnterviewd, die ziek waren geworden door onveilige seks en van hun bazen moesten doorwerken. Ze mochten pas terug naar huis toen je hun ziekte begon te zíén. Ifuoke stierf aan aids. Ik was me er ook van bewust dat machtige politici en overheidsambtenaren de klanten en de beschermheren van die mensenhandelaren zijn, terwijl ze zich naar buiten toe net heel vroom voordoen. Ik wilde de hypocrisie en de officiële propaganda - dat de Nigeriaanse regering mensenhandel bestrijdt - doorbreken, en tonen hoe functionarissen samenspannen met criminelen om van mijn jonge landgenoten slaven te maken. Mijn collega's van The Premium Times hadden eerder al undercoverwerk gedaan. Ze hadden me gewaarschuwd voor de gevaren. Maar ze steunden me toen ik besloot om toch door te zetten. Mede dankzij de hulp van TheZAM Chronicle begonnen de voorbereidingen toen in alle ernst. Verkleed als callgirl begon ik door de beruchtste straten van Lagos te lopen. Ik zocht contact met collega-sekswerkers, vertelde dat ik op zoek was naar een madam om naar het buitenland te kunnen. Het werkte. Ik ontmoette Oghogho Irhiogbe: een rijke, getalenteerde, goed verzorgde academica van in de dertig (hoewel ze beweerde dat ze maar 26 was). Ik had een ingeving die heel goed uitpakte: ik vertelde haar dat ik ook Oghogho heette. Dat vond ze zo leuk dat ik meteen haar lieveling werd. Ik leek op haar zusje, zei ze. Ze gaf me alle informatie die ik nodig zou hebben voor mijn volgende stap: naar het buitenland. 'Maak je geen zorgen over de grenscontrole. Immigratie, douane, politie, leger en zelfs buitenlandse ambassades werken met ons samen. Je komt alleen in de problemen als je niet naar ons luistert.' Ik wist dat het waar was. Twee teruggekeerde sekswerkers die ik eerder had geïnterviewd, hadden geprobeerd om een ticket terug naar huis te krijgen. Ze hadden aangeklopt bij de Nigeriaanse ambassades in respectievelijk Madrid en Moskou. Maar die ambassades, zo merkten beiden na hun bezoek, brachten meteen hun madams op de hoogte. Madam Oghogho had zelf meer geluk. Ooit was ze begonnen als sekswerker, nu bezat ze vier luxeauto's en twee huizen in de deelstaat Edo. Een derde woning, vlak bij de luchthaven Warri in de deelstaat Delta, was in aanbouw. Op een winderige zondagavond in oktober maak ik in Abuja kennis met de buitencategorie van de Nigeriaanse seksmaffia. Gewone meisjes - 'producten', zoals onze madams en pooiers ons noemen - worden meestal niet uitgenodigd op de extravagante feestjes van de vips. Maar ik ben Oghogho's lieveling, en bovendien geclassificeerd als 'forza speciale', zoals dat heet. Mijn naakte lichaam is door een jury van mannen en vrouwen geïnspecteerd en zeer goed bevonden. 'Dat betekent dat je niet de straat op hoeft', had mensenhandelaar 'Tante Precious' me stralend verteld. 'Jij kunt escort worden voor belangrijke klanten.' Forza speciale, dus. Meisjes uit de lagere categorieën werden forza strada genoemd: de straattroepen. Het vip-feestje in een villa in Abuja is, zo blijkt al snel, eerder een orgie. Mannelijke en vrouwelijke strippers vermaken de gasten. Drugs en alcohol zijn er in overvloed. Nauwelijks een uur na aanvang brengt iemand uit een andere kamer madam Oghogho een grote jutezak met geld. Ik zie hoe ze de zak in de kofferbak van haar auto legt. Ze lacht. 'Heel binnenkort krijg jij ook zo'n dividend', roept ze. Een aanwezige gepensioneerde kolonel zorgt ervoor dat we niet gestoord worden op het feestje. 'Hij heeft topcontacten en zorgt voor een soepel verloop van al onze zaken', zegt Oghogho. Hoe 'top' zulke contacten zijn, merk ik als we worden getraind in zakkenrollen. Onze groep van tien 'producten' moet op een overvol busstation in de buitenwijk van Ikorodu, een voorstad van Lagos, oefenen op passagiers. Onder het toeziend oog van twee legerofficieren en een politieman. De agent heeft zelfs zijn naamplaatje nog op. Babatunde Ajala, zo heet hij. De training wordt begeleid door de rondborstige Mama C. Madam Eno is haar assistente. Mama C, een vijftigplusser, heeft ons verteld dat zakkenrollerij een cruciale vaardigheid is voor de forza speciale: we moeten rijke klanten kunnen plukken. De buit zal worden toegevoegd aan ons 'gewone' inkomen. Hoe meer we stelen, hoe sneller we onze schulden aan de mensenhandelaren kunnen afbetalen. 'Doelstellingen behalen', noemt Mama C dat. Omdat ik het slecht doe, scheldt madam Eno me de huid vol. De volgende dag, in het trainingskamp in de bossen benoorden Lagos, begint met training in striptease en etiquette. Intussen zijn er nog vijf andere meisjes aangekomen: allemaal afgestudeerd en mooi. Alle vijf willen ze naar Italië. Uit vrije wil, vertellen ze. 'Maar als de Italiaanse politie me oppakt, zal ik zeggen dat ik tegen mijn wil ben verhandeld', zegt Gbemi, een van de vijf. 'Oyinbo (de blanke man, nvdr.) gelooft Mama C toch niet als die zegt dat ik daar vrijwillig ben.' Omdat ik slecht ben in zakkenrollen, krijg ik een spoedcursus pedicure en manicure. 'Dat zal je goed van pas komen bij je werk in mijn wellnesscentrum in Italië', zegt Mama C. 'Je gaat in een sexy jurkje mannelijke klanten behandelen en zo trek je ze verder naar binnen.' Later moeten we van Mama C een verklaring ondertekenen dat we allemaal vrijwillig met haar op reis gaan. De verklaring is ook een schuldbekentenis: wij stemmen erin toe dat wij bepaalde bedragen aan haar zullen 'terugbetalen'. We krijgen zelf geen kopieën van deze verklaringen en de bedragen verschillen nogal. Terwijl een ander meisje, Isoken, een schuld van 100.000 dollar op zich neemt, hoef ik maar 70.000 terug te betalen. In Benin zullen we nieuwe paspoorten krijgen met valse namen en valse nationaliteiten. Ik word Keniaanse, en een ander meisje, Mairo, wordt Zuid-Afrikaanse. 'Ik heb zulke fijne jongens bij de douane in Benin', schept Mama C op. Een traditionele dokter leidt ons eerst door rituelen die ons zullen moeten 'beschermen' op onze reis naar Italië. Hij leest onze horoscopen en verzamelt monsters van ons bloed en van onze nagels, haar en schaamhaar. Vier van ons zet hij apart: 'problematische gevallen'. Wij - want ik ben een van de vier - zullen ongeluk brengen, zegt hij. Ofwel is hij echt helderziend, ofwel heeft hij een antecedentenonderzoek uitgevoerd, want over drie van ons heeft hij in elk geval gelijk. Twee zijn eerder door Europese autoriteiten terug naar Nigeria gedeporteerd, en zijn dus vermoedelijk bekend bij de vreemdelingenpolitie en de douane. Ik ben nummer drie. Terwijl wij vier 'ongeluksbrengers' aan de kant staan, praat Mama C met vijf chic geklede, duidelijk belangrijke bezoekers die in het kamp zijn aangekomen. Ze praten over een 'pakketje' dat zou worden geleverd. Er wordt naar mij gewezen, maar Mama C schudt haar hoofd. Om onverklaarbare redenen worden dan twee andere meisjes, Adesuwa en Omai, geselecteerd. We zijn er vervolgens - schreeuwend en huilend - allemaal getuige van hoe zij voor onze ogen worden vastgepakt, onthoofd met machetes en aan stukken gehakt. Zij zijn het 'pakketje' waarvoor de mannen zijn gekomen. Er is een gruwelijk bijgeloof dat zegt dat menselijke organen magische krachten bezitten als ze worden verwerkt tot 'medicijnen'. Nog steeds bevend en huilend worden ik en de andere 'ongeluksbrengers' bijeengedreven in een aparte ruimte. Mama C brengt me later naar een andere kamer om me daar persoonlijk te ondervragen. Ze is woedend en slaat me de hele tijd. Ze wil dat ik opbiecht welke krachten mij beschermen. 'Jij gaat nergens heen', blijft ze schreeuwen. 'Ik heb te veel in je geïnvesteerd!' De volgende ochtend eet Mama C haar ontbijt, terwijl ik knagende honger heb. Het is vierentwintig uur geleden dat ik voor het laatst heb gegeten. Als ze klaar is, vertrekken de goedgekeurde meisjes naar Benin, hun eerste tussenstop op weg naar Italië. Mama C gaat met mij en de andere drie ongeluksbrengers langs bij drie dokters. Ze gelooft heilig in de traditionele geneeskunde, en is nu wanhopig op zoek naar een behandeling voor de demonen die ons zouden bezitten. De eerste twee dokters zijn het met de kampdokter eens dat ik slecht nieuws ben. Maar de derde snijdt ruw, met een machete, mijn haar af en verklaart dat hij de boze geest heeft verjaagd. De demonen van de andere drie meisjes zijn intussen ook verjaagd, met zwepen. De kampdokter is niet gelukkig met mijn genezing. 'Die andere dokters zijn oplichters! Dit wicht leidt je naar de ondergang! Je eindigt in de gevangenis!' Ik ben er des te meer van overtuigd dat hij niet over bovennatuurlijke krachten, maar over informatie over mij beschikt. Mama C houdt vol dat ze haar investering niet kwijt wil. 'Oghogho, wat doet een meisje als jij hier toch?' vraagt een van de loopjongens van Mama C, wanneer hij die avond de kamer waar ik opgesloten zit binnenkomt met een bord eten. 'Je vond mijn Blackberry en je gaf 'm aan me terug. Zoiets doen de meiden die hier komen gewoonlijk niet.' Ik eet mijn bord leeg om op krachten te komen. De volgende morgen reizen we naar Benin, waar ik zal ontsnappen. In de bus komen we overal langs de grensweg politie- en douaneambtenaren tegen. Allemaal zwaaien ze naar madam Eno en naar Mister James, onze head of operations. Ook op de grenspost worden ze als oude vrienden begroet. De beambten lopen de minibus door zonder ook maar een van ons om een paspoort te vragen. Net na de grenspost, op een drukke markt, spring ik uit de bus. Rennend trek ik mijn trui uit - ik draag er een T-shirt onder - en bedek ik mijn kale hoofd met een sjaal. Dankzij die vermomming en kronkelend door de menigte marktvrouwen raak ik al snel de legerofficier kwijt die achter me aan loopt. Met een taxibusje reis ik twintig kilometer naar Cotonou. Collega Reece - gealarmeerd door een telefoontje van de taxichauffeur - wacht me daar volgens het oorspronkelijke plan op. In Cotonou zie ik een vrouw staan die ik herken van haar Facebookfoto. 'Reece?' vraag ik. 'Tobore!' roept ze. Ze spreidt haar armen. Ik ben veilig. DOOR TOBORE OVUORIETwee meisjes worden voor onze ogen vastgepakt, onthoofd met machetes en aan stukken gehakt. Hun organen zouden 'magische krachten' bezitten. Alle meisjes moeten een verklaring ondertekenen: ze gaan vrijwillig 'op reis' en zullen hun schuld later terugbetalen. Die kan oplopen tot 100.000 dollar. 'Maak je geen zorgen over de grenscontrole. Immigratie, douane, politie, leger en zelfs buitenlandse ambassades werken met ons samen.'