Jan Braet
Jan Braet Jan Braet is redacteur cultuur bij Knack.

De Vrienden van de Stedelijke Musea sleepten een schilderij van Henry van de Velde in de wacht voor het Brugse Groeningemuseum. Maar er is een stukje af.

Op een voorstelling in de gotische zaal van het stadhuis van Brugge onthulde burgemeester Patrick Moenaert begin april de nieuwste aanwinst van het Groeningemuseum, zo lazen we in de Krant van West-Vlaanderen. Het ging om een zeldzaam pointillistisch schilderijtje van Henry van de Velde, naar alle waarschijnlijkheid een portret van zijn broer Laurent (ca. 1888). Voor de collectie van Groeninge, waar de negentiende eeuw zwak vertegenwoordigd is, inderdaad een buitenkansje. Ook het prijskaartje, om en bij de anderhalf miljoen frank, leek mee te vallen. Des te opvallender was de afwezigheid op de presentatie van conservator Dirk De Vos. Toen we hem onlangs in zijn aangenaam ouderwetse bureau in Groeninge confronteerden met de verzorgde persbrochure onder het logo SPQB Stad Brugge, viel hij uit de lucht.

Volgt de conservator, die door zijn studiewerk voor de Memling-retrospectieve in 1995 ?twee tot drie jaar achterstand? in zijn basiswerk opliep, de zaken in zijn museum dan niet meer op de voet ? ?Integendeel, ik was van bij het begin bij de onderhandelingen over de aankoop en de expertise van het werk betrokken,? bevestigde hij. De wegen van de Brugse museumbureaucratie, waarin tien musea onder één hoofdconservator ( Valentin Vermeersch) ressorteren, zijn waarlijk ondoorgrondelijk. Hoe dan ook, het kleine schilderij (44 x 34 cm) in kwestie prijkte, in afwachting dat het eerstdaags in de zalen komt, alleszins op de schoorsteenmantel bij De Vos. In de lichtgrijze passe-partout en dikke, blinkende lijst van bladgoud, hielden we het vanop afstand even voor een stemmige fotoreproductie. ?Zeg dat straks maar liever niet aan mevrouw Meire,? lachte hij. Anne-Marie Meire, voorzitster van de vzw Vrienden van de Stedelijke Musea, is de ontdekster en enthousiaste bewerkstelligster van de aanwinst, die door de Vrienden helemaal zelf is gefinancierd.

De verwarring met de fotografie is anders zo gek nog niet. De conservator vergeleek de stippeltjes (de pointilles) met een procédé in de negentiende-eeuwse kleurenfotografie waarbij als emulsie een soort aardappelpap werd gebruikt. De cellen van de aardappel die de fotografische korrels vormden, zijn moeilijk te onderscheiden van de stippels op pointillistische schilderijen. ?Die foto’s, dat is ongelofelijk, dat zijn precies Seurats of Signacs.?

EEN STERKE VIBRATIE

Toen de jonge Henry van de Velde in 1887 op de tentoonstelling van les XX in Brussel het monumentale doek Un dimanche après-midi à La Grande Jatte van Georges Seurat zag, was hij zo diep onder de indruk dat hij terstond zelf begon te experimenteren met onvermengde kleuren die, in stippels aangebracht, door het oog worden waargenomen als gekleurd licht. In plaats van in elkaar over te vloeien, trekken de pointilles elkaar aan, wat een sterke vibratie teweegbrengt.

In datzelfde jaar kreeg Van de Velde in Wechelerzande het bezoek van zijn moeder die aan kanker leed. Hij verzorgde haar in Boechout, waar ze op 22 juli 1888 overleed. Ten prooi aan een diepe depressie, trok hij in bij zijn broer Laurent, apotheker in Blankenberge. Hij raakte er bevriend met de dichter Charles Van Lerberghe, de kunstenaars Georges Lemmen en Auguste Rodin. Later maakte hij er ook kennis met Max Hallet en Emile Vandervelde van de Parti Ouvrier Belge. Die contacten voedden zijn anarchistische en socialistische sympathieën. Hij las Nietzsche en de Bijbel. Met zijn beste vriend, de dichter Max Elskamp, rookte hij hasj. Een ongelukje in de liefde deed hem uit Blankenberge wegvluchten.

Van de summiere tentoonstellingscatalogus bij les XX in 1889 weten we dat hij daar vertegenwoordigd was met een portret van zijn broer, zonder nadere specificaties. Dat het om het Groeninge-werk gaat, is zeer waarschijnlijk. Het aantal pointillistische schilderijen van Van de Velde bestaat uit hooguit een tiental. Hij schilderde later nog onder invloed van Van Gogh en Gauguin, symbolisme en art nouveau, maar uiterlijk in 1892 gaf hij er de brui aan. ?Het is eigenlijk geen echte schilder? zei De Vos, ?zijn bestemming lag elders.? Inderdaad, als ontwerper en architect met vooruitstrevende ideeën zou hij wereldfaam verwerven.

De helder gestippelde lucht van Blankenberge met een zitbank en een lantaren, de donkere pointilles op de muur onder het raam snijden het beeld doormidden. De lezende figuur op een stoel links op de voorgrond is echter met krachtige penseelslag geschilderd, wat De Vos aan de late Manet deed denken. En de lezer ?lijkt sprekend op Henry?. We hebben te maken met een alleraardigst schilderij. Alleen jammer dat er een stuk van gesneden is, en dat het signatuur noch datum bevat. Op basis van stijl en herkomst schreven echter zowel de Groeningestaf, met de kenner negentiende eeuw Dominique Maréchal in hun rangen, als de Amerikaanse professor Susan Canning het werk toe aan Van de Velde.

Voor de kunstwereld bleef het meer dan honderd jaar spoorloos. Hoe zij achter het bestaan van dit portret kwam en het op de koop toe voor het museum op de kop wist te tikken, wilde Anne-Marie Meire ons vertellen in de cafetaria annex shop van de Vrienden van de Stedelijke Musea bij het Gruuthusemuseum. Een fotosessie voor een huwend paartje, dreef ons naar een belendend pand. Bij een glas tomatensap in brasserie-restaurant Marieke van Brugghe verhaalde een wat persschuwe voorzitster hoe zij enkele jaren geleden bij een Brugse kleermaker een schilderijtje zag hangen dat de eigenaars net uit een familiekoffer hadden gehaald, waar het jaren zonder lijst opgerold had gelegen, naast ceramisch serviesgoed van Van de Velde en een partij juwelen. De echtgenote van de kleermaker bleek de kleindochter langs vaderszijde te zijn van Johanna van de Velde, dochter van de broer van Henry. Het schilderijtje paste echter niet bij het interieur, zodat de familie een verkoop aan het Groeningemuseum in overweging beloofde te nemen. Na onderzoek door het museum boden de Vrienden een goede prijs.

PORTRAIT OF A WOMAN

Tot haar grote verbazing zag Meire het werk plots verschijnen in de veilingcatalogus van 6 juni 1995 bij Christie’s Amsterdam, 80.000 – 120.000 gulden geschat. In dezelfde catalogus was ook een tweede schilderij van Van de Velde opgenomen, herinnert Meire zich vaag. Navraag bij Christie’s leert dat de bewuste catalogus ook een Portrait of a Woman (103×79 cm.) door Henry van de Velde bevatte, VE gesigneerd in de linker benedenhoek. Geschatte waarde : 90.000-130.000 gulden. Beide doeken hadden een redelijke pedigree, en waren ooit geauthentificeerd door specialiste Susan Canning. Wat Christie’s niet wist was dat Canning op haar oordeel over ?Portrait of a Woman? teruggekomen was, zodat het werk slechts na publicatie van de catalogus alsnog uit de veiling gehaald werd. ?Het werk werd niet goed bevonden,? zei een woordvoerster. ?Dat is veilingsjargon voor een vervalsing,? haastte ze zich erbij te zeggen. De twijfel was gezaaid, en ook het portret van Laurent VDV vond geen kopers meer. Monique Vande Putte, nakomelinge van Johanna Van de Velde, bleef met haar erfstuk zitten.

Aanwezig op die bewuste veiling was de Antwerpse galerist, boek- en kunsthandelaar Ronny Van de Velde. ?Ik heb helaas alleen maar negatieve herinneringen aan het portret van Laurent VDV? zei hij aan de telefoon. Hij had immers vastgesteld dat het portret ?langs de vier kanten helemaal afgesneden was?. (Conservator De Vos had het over ?een smalle strook?). Dat zou kunnen verklaren waarom het signatuur ontbreekt. Bovendien was het ook hem opgevallen dat de rechtervoet van de geportretteerde geamputeerd was. Voor een museum hoeft dat geen probleem te zijn, zei de galerist, maar voor de doorverkoop is het funest. Stel dat binnen vijf jaar een document opduikt waaruit blijkt dat het schilderij aan elke kant vijf of tien centimeter groter was, dan is het werk gegarandeerd onverkoopbaar. Bovendien zijn de zo al niet te talrijke kandidaat-Van de Velde-kopers niet erg happig op een schilderij zonder signatuur noch datum, zeker niet als het zo hoog geprijsd staat.

Dat ?Portrait of a Woman?, de valse Van de Velde, überhaupt in de catalogus opgenomen was, had de Antwerpse galerist zeer verbaasd. Hij had het werk voor het eerst gezien op een veiling bij Themis in de Bruselse Waterloolaan in het begin van de jaren tachtig, aangebracht door een Nederlands kunsthandelaar. Het werd als een anoniem werk verkocht, tot het plots als een echte Van de Velde verscheen op de grote tentoonstelling Henry van de Velde, paintings and drawings in 1987 in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten in Antwerpen, met Cannings fiat nog wel. Het ging er door voor het portret van zijn grootmoeder. In een discussie over de stijl van het werk, (door Ronny VDV als een soort van ?Italiaans tachisme? omschreven) ging Canning twijfelen en herzag haar mening. Hoe het na een veiling bij Campo uiteindelijk bij Christie’s Amsterdam toch nog als een Van de Velde aangeboden werd, is een raadsel.

Het Portret van Laurent deelde van de brokken, en voor de Vrienden van de Brugse Musea was het vervolgens een koud kunstje om het doek alsnog aan Monique Vande Putte te ontfutselen. Beide partijen moeten gedacht hebben dat ze al bij al een zaakje gedaan hadden. De eigenaar, omdat zijn stuk voor de doorverkoop oninteressant bleek. De museumvrienden, omdat ze zonder al te diep in de beugel te hebben moeten tasten, een lacune in de Groeninge-collectie konden dichten.

STUKKEN EN BROKKEN

Dat er een stuk van het schilderij gesneden was wellicht omdat het na jaren opgerold in een koffer te hebben gelegen, schade had opgelopen werd door conservator De Vos allerminst gedramatiseerd. Hij is wel meer stukken en brokken gewoon. Terugblikkend op zijn Memling-studie reconstrueerde hij de puzzel van een Staande Madonna met Kind en twee schenkers, een altaarstuk waar drie fragmenten van overgebleven zijn : twee in Boekarest, en één in een Engelse privécollectie. De Vos was de eerste om ze met elkaar in verband te brengen. Met de catalogus in de hand verschoof hij de drie stukken zodanig dat de mantel van de maagd, patroonheilige van de schenkster, perfect doorliep van het ene fragment naar het andere.

Dat de meeste fragmenten van dit onschatbare tweeluik wel nooit meer zullen opduiken, omdat onverlaten het waarschijnlijk nog voor de zeventiende eeuw helemaal verzaagden en de losse delen apart verkochten, scheen de Memling-specialist er nu eenmaal bij te nemen. Het maakte zijn genoegen om een door hem geformuleerde hypothese, die hij bevestigd zag door de tentoonstelling, er niet minder om.

De vrienden van de musea putten hun enthousiasme elders. ?Wij houden ons absoluut niet bezig met kunsthistorische of wetenschappelijke zaken,? zei Meire. Er is het pure esthetische genot van elke kunstliefhebber, en het verlangen om het patrimonium van de eigen stad beter te leren kennen, de mogelijkheid van sociaal contact ook, en er zijn de persoonlijke overwegingen. Zo was de Vriendenwerking voor Meire zelf ooit ?een weg om met musea betrokken te blijven? nadat ze door het vroege overlijden van haar vader overijld in de familiezaak in Brugge moest komen werken. ?Ik had gezworen nooit in de zaak te staan, maar het is anders uitgedraaid,? stelde ze vast, het tomatensap onaangeroerd latend.

Na een opleiding aan de Gentse academie werkte ze een tijdlang als museumdecoratrice in het natuurwetenschappelijk museum Michel Thiery, beter bekend als het schoolmuseum. Daartoe had ze in Duitsland en Salzburg gespecialiseerde stages gevolgd, meer bepaald in het maken van diorama’s waarmee men hier te lande nog niet zo vertrouwd was. Dinosaurussen uit het Carboon, door Meire op diorama gebracht, spreken wellicht nog tot de verbeelding van de jonge bezoekers van het schoolmuseum.

A. Meire in de Geldmuntstraat is een oud huis van vertrouwen, gespecialiseerd in Engelse en Oostenrijkse kleding. Met zijn honderdvijftig jaar is het Brugges oudste familiezaak in textiel. Twee generaties lang werd er stof aan de meter verhandeld en ook laken, later kwam er een kleermakerij. Alfons Meire, haar vader, was zelf nog een kleermaker, maar was vlak na de Tweede Wereldoorlog zo vooruitziend om er confectie bij te nemen. In de jaren zestig, toen veel historische huizen werden afgebroken, kon hij als actief lid van de vereniging Natuur en Stedeschoon enkele monumenten uit de sloop houden.

HEREN VAN GRUUTHUSE

?Van huis uit zijn we altijd met kunst bezig geweest?, zei Meire. Sinds haar grootvader met collectioneren begon, bestaat het familiepatrimonium uit toegepaste kunst van de zestiende en zeventiende eeuw, achttiende-eeuws ceramiek en zilver. Zij zelf verzamelt uitsluitend ceramiek. Vooral Delftse wandtegels uit de zeventiende en achttiende eeuw, maar ook een kleinood in aardewerk uit de ateliers van het Valenciaanse Manises waarover net toeval bestaat niet een tentoonstelling in het Gruuthusemuseum loopt. De voorzitster wist dus heus wel waarover ze het had toen ze ons, als hadden we het vooraf afgesproken, binnenleidde in de sterk naar geschiedenis ruikende ruimten van de heren van Gruuthuse, waarin de toonkastjes met Middeleeuws Valenciaans Aardewerk niet eens opvielen.

Eenmaal ontdekt, verschenen de motieven op het in verguld, groen, blauw of paars geglazuurde vaatwerk als brokstukken uit een ridderepos als Morte Darthur, gemengd met franjes uit de 1001 Nacht. De herovering van Valencia op de Moren in 1238 door koning Jaime I van Aragon leidde tot een gemengde cultuur die islamitische en vroegmiddeleeuwse elementen uit de hoofse christelijke wereld met mekaar verbond. Het serviesgoed, goeddeels gevonden op de plek waar de pottenbakkers van Paterna bij Valencia hun min of meer mislukte of lichtjes kaduke potten dumpten, is versierd met fabeldieren, hoofse jonkvrouwen, vliegende insecten met geschubde vleugels, versterkte burchten, slingerend loofwerk, grillige en geometrisch-abstracte motieven.

Dit alles in een gebald primitieve stijl, vaak erg verwant aan wat de Cobra’s in onze eeuw opnieuw uitvonden : art has to be spontaneous, crude, personal and expressive. Sommige kunstenaars waagden zich al eens aan metamorfoses of vervormingen. Er is een groene vis met drie lijven, in het midden samenkomend in een driehoekige kop met drie zijogen en een centraal oog. Er zijn twee groene schalen waarop het ene oog van de afgebeelde jonkvrouw als in half perspectief wegdraait, terwijl het andere ons frontaal aankijkt. Anne-Marie Meire wachtte zwijgend bij dat kastje tot de frappante gelijkenis met één van Picasso’s kubistische procédés tot ons doorgedrongen was. ?Er is niets nieuws onder de zon,? wilde ze wel gezegd hebben.

Toen ze zich in 1978 bij de Vrienden aansloot, telde de vereniging zo’n driehonderd leden. Het zijn er inmiddels meer dan tweeduizend. Ze organiseren rondleidingen ?Bloemlezen in eigen musea? , één- of tweedaagse museumreizen, ze verzorgen promotie en logistiek van grote tentoonstellingen (in 1998 ?Van Hans Memling tot Pieter Pourbus?) en spelen de melkkoe bij tentoonstellingen en aanwinsten. Behalve de inkomsten uit de lidgelden, innen ze de vaste toeslag op de museumtoegangsticketten en krijgen ze subsidies van de stad en de Vlaamse Gemeenschap. Anders dan de stadsbureaucratie is hun Vereniging Zonder Winstoogmerk in staat om als dat nodig is snel met geld op tafel te komen, en daartoe met banken te onderhandelen. Dat was onlangs broodnodig voor de pre-financiering van de vijf werken van Georges Vantongerloo die Groeninge als het ware in de schoot geworpen werden.

KOSMISCHE KRACHTVELDEN

Dirk De Vos was getipt dat de weduwe van Max Bill, die de nalatenschap van Vantongerloo beheert, bereid was om een Belgisch museum een drietal werken te laten kiezen voor een totaal bedrag van 20 miljoen frank. De conservator reisde naar Zwitserland, kreeg een goed contact met mevrouw Bill, die hem méér toonde dan ze van plan was en die hem uiteindelijk voor hetzelfde geld met vijf sleutelwerken in plaats van de afgesproken drie liet vertrekken. Samen bevatten ze de hele artistieke ontwikkeling van Vantongerloo in een notendop. Het Intérieur avec femme (1916) schildert hij volgens een wat kalend post-impressionistisch patroon, als een Rik Wouters die zijn gevoel voor vloei zou verloren hebben.

Het beeldje Construction dans la sphère (1917) waarvan Groeninge de versie in cement verwierf, is het meest voldragen voorbeeld van de manier waarop Vantongerloo de geometrisch-abstracte principes van De Stijl in de beeldhouwkunst introduceerde. De naakte krommen, twee rode haren en een groen haar, die hij in Fonction et variante (1939) op masoniet schilderde, markeren zijn afscheid van de orthodoxie van de rechtlijnige opbouw binnen het neo-plasticisme van Mondriaan en Van Doesburg. Het was het begin van een hoogst persoonlijke benadering, weliswaar op een soort wiskundige grondslag, van de kosmos. Stralingen, atomen, planeten en hun omwentelingen inspireerden hem tot originele creaties. De met kleurstreepjes bestreken spiraal in plexiglas, Elément indéterminé (1955) getiteld, evoceert ?kosmische krachtvelden en lichtbreking, parallel aan het esthetische wordingsproces van de natuur?, schreef De Vos zopas in het museumjaarboek.

De vijfde aanwinst is het voorlaatste werk dat de kunstenaar realiseerde. Des écliptiques, of : Zonnebanen, een zon van onze melkweg met twee van haar planeten (een variant van dezelfde wet, en wat is die wet ? : eeuwigdurende chemisch-fysische transformatie) uit 1963 bestaat uit een spiraal van metaaldraad als een kosmisch energieveld voor twee kleurige plexiglazen bollen, planeten zeg maar, waarvan de gele met zijn rode ring op Jupiter gelijkt. Diep in zijn glas kijkend, word je een magnetisch veld gewaar dat recht naar de hemelse extase bij Dood van Maria door Hugo van der Goes leidt. Opgesteld op een kruispunt van zalen, stralen de objecten van Vantongerloo vooral in de richting van de verbindingsgang met de Vlaamse Primitieven.

?Men kan in een museum niet altijd recht op het doel af verzamelen. De gelegenheden moeten zich presenteren en men moet daar op inspelen… Ik stond niet te trappelen om een Van de Velde te krijgen, maar als je die kans krijgt, en je ziet dat het dan nog een historisch werk is, dan moet je er alles aan doen om dat te krijgen.? Zonder veel gerucht te maken heeft deze conservator de jongste jaren gewerkt aan een verzameling die de intimiteit, het gevoel voor kleur en stoffelijk detail, en de beheerste exaltatie die de kerncollectie Vlaamse Primitieven eigen is, door de tijden heen verderzet.

WASVROUWEN

Stilaan ontstaat ook voor de late negentiende eeuw een constellatie van werken die deze trekken naar ons gevoel zelfs uitstekend vertolken. Ze zijn opgehangen in het achterste deel van de Sint-Xaveriuskapel en scheppen een introvert klimaat van post-impressionisme ( Le Sidaner, Degouve de Nuncques, een vroege Gust Desmet) en symbolisme (spiegelingen van Khnopff, de Mens-God van Delville), en zowaar een vleugje realisme (wasvrouwen van Léon Frédéric), vaak dan nog verankerd in de sfeer van het verstilde Brugge. Het hoeft geen betoog dat Henry van de Veldes Blankenbergse portret in dit gezelschap past als een handschoen.

Elk museum dat zichzelf respecteert heeft wel een vriendenvereniging die min of meer analoge activiteiten ontwikkelt als de Brugse. Het bijzondere aan de club van Anne-Marie Meire is dat zij niet minder dan tien plaatselijke musea van steun behoort te voorzien. Dat heeft te maken met de centralistische structuur van de Brugse stedelijke musea. De vrienden hebben er geen erg in, omdat het toch de liefde voor het eigen stedeschoon is, wat hen voor alles drijft.

Trekken alle conservatoren dan niet tegelijk aan haar mouw wanneer ze een zeldzame schaal of een uniek wandtapijt willen verwerven zonder daar onmiddellijk centen voor te hebben ? Dat blijkt nogal mee te vallen. Blijkbaar vindt iedereen het even evident dat er voor Groeninge ?meer gebeurt? dan voor pakweg Volkskunde of het Gezellemuseum. Terwijl de verdere financiering van de Vantongerloo’s nog een tijdje op het buget zal wegen, staan alweer enkele zestiende eeuwse werken op paneel op het lijstje voor Groeninge, terwijl Gruuthuse pas een zilveren koffie- en chocoladekan met de Brugse merktekens heeft gekregen.

De stad houdt meer dan een stevige vinger in de pap bij het beheer van de vriendenvereniging. Naast de voorzitter en zeven bestuursleden, zitten ook de hoofdconservator, de schepen van cultuur en de burgemeester (als ere-voorzitter) in de raad van bestuur. En van enige financiële autonomie voor de stadsmusea zelf is al helemaal geen sprake. De veertig miljoen winst die de Memlingtentoonstelling opleverde, diende integraal in de stadskas te worden teruggestort. Zo is dat. De andere Westvlaamse tentoonstellingstopper, Van Ensor tot Delvaux, bracht het Provinciaal Museum voor Moderne Kunst in Oostende (PMMK) meer voordeel. Uit een nog iets grotere winst dan Groeninge met Memling boekte, betaalde het PMMK de partners (Toerisme Vlaanderen, Stad Oostende, Provincie West-Vlaanderen en Kredietbank) eerst de 5 miljoen terug die ze elk hadden ingebracht, en mag de rest nu besteden aan nieuwe projecten, waaronder een heruitgave van de vroegere Triënnales voor Beeldende Kunst (in Oostende en… Brugge), en de aankoop van de achtdelige Domaine Enchanté van Rene Magritte. Daar komt het engagement van bevriende burgers helemaal niet bij te pas. Terwijl dat nu juist zo fijn is.

Jan Braet

Henry van de Velde, Portret van Laurent olie op doek, 44x34cm, ca.1888 : aardappelpap.

Georges Vantongerloo, Des écliptiques, metaaldraad, plastic, 1963 : de planeet Jupiter.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content