Elk secundair onderwijsprogramma zou het vak ?etymologie? moeten aanbieden. Niet meteen voor het praktische nut ervan, maar omdat afkomst en verleden van dagelijks gebruikte woorden vaak een spannend verhaal bevatten.
...

Elk secundair onderwijsprogramma zou het vak ?etymologie? moeten aanbieden. Niet meteen voor het praktische nut ervan, maar omdat afkomst en verleden van dagelijks gebruikte woorden vaak een spannend verhaal bevatten.Voor het schrijven van onder andere deze tekst krijg ik van mijn uitgever een salaris. Daarin zit het Latijnse woord ?sal? verborgen, zout dus. Van dat kostbare spul kregen Romeinse militairen en ambtenaren vaak ver van huis maandelijks een vast rantsoen : hun salarium, een vergoeding in de gedaante van zout dat op de markt inderdaad een stevige waarde had. Rijsel is een mooie stad in Noord-Frankrijk. Daar heet ze echter Lille en toch is dat hetzelfde. In de naam gaat het Latijnse woordje ?insula?, eiland, schuil (Frans : ?l'île?, het Middelnederlandse isele met (vermoed ik) later aftakkingen naar ?-ijssel? e.d.) Ter stede, ter isele, ging na een paar eeuwen makkelijker klinken als ?Risele?. Een beukenboom was in het middeleeuwse Nederlands nog een ?boeke? of ?boke?, in het Duits nog altijd een ?Buche? en in het Engels ?beech?. Ook het Latijnse ?fagus? ligt niet ver. Pikant detail : een Griekse ?fègos? is geen beuk maar een eik. In het verre verleden heeft iemand zich, wellicht na een verhuis naar onbekende streken, van boomsoort vergist. De oude Germanen gebruikten stokjes uit beukenhout om er tekens in te griffen. Daarna gooiden ze die lukraak op de grond en lazen er zo toekomstvoorspellingen uit af. Die beukenstaafjes zijn nog altijd niet verdwenen : is het Duitse woord voor ?letter? niet Buchstabe ? Zo staat dat toch geboekstaafd in onze handleidingen ! Lang geleden werden de houten plankjes waarop men schreef, inderdaad aaneengehecht tot een boek. MAAR OOK KERKGEBOUWEN hebben hun beuk : hoofd-, dwars- of zijbeuk. Die hebben niets met het stevige hout te maken, maar alles met de menselijke ?buik?, waardoor men kerken ook nog wel eens een ?romp? meegeeft. Vermoedelijk heeft die buik alles te maken met het Indogermaanse basiswoord ?bheu? : opzwellen. Voor wie van zware maaltijden houdt, is verdere uitleg overbodig. Ik hoef hem daarvoor geen brief (een ?korte? tekst, een brevis) op de post te doen. De post (in het Frans ?courrier? als het over de brief gaat, maar ?poste? wanneer de instelling of het gebouw bedoeld wordt,) is een vaste ( posita) standplaats ( statio) waar snel lopende boodschappers, ?koeriers?, destijds konden rusten en van paard wisselen. Vandaag zal een ijlbode liever een trein nemen in het station, of zich in de ?hippodroom? oefenen : de juiste plek voor een wedloop (Grieks : dromos) met het paard ( hippos). Het is een plezierig tijdverdrijf om zelfs de gewoonste woorden met enige nieuwsgierigheid af te tasten. Bovendien kan de liefhebber sommige nog eens opnieuw (Grieks : palin) teruglezen, in omgekeerde richting dus. Zoiets heet dan een ?palindroom? (denk terug aan ?dromos?), zoals de bekende ?negen? en de ?parterretrap?. Schrandere geesten hebben ook hele palindroom-zinnen bedacht : ?koos u de garage dus ook ?? Of sterker : ?laat af, sire, velpon eten op lever is fataal.? En helemaal te gek : ?Nelli plaatst op 'n parterretrap 'n pot staalpillen.? Ook in het buitenland houden ze van dit soort gein. Een mooie, simpele in het Engels : ?Dogma, I am God.? Ik haal dit allemaal uit het bijna zeshonderd bladzijden dikke maar zonder meer aantrekkelijke boek van Bart Mesotten : ? Binnenkijken in woorden? (Uitg. Pelckmans, 1996). De auteur is een al jaren in Vlaams Brabant levende en inmiddels rustende norbertijn uit Averbode. Jarenlang was hij leraar en nadien aalmoezenier (wat een interessant woord) voor bejaarde kloosterzusters. Zijn vrije tijd besteedde hij onder andere aan het vertalen en bestuderen van Japanse haikoe-poëzie, maar misschien nog meer aan studies in verband met de afkomst en betekenisevolutie van taal. Een eeuwigheid geleden schreef hij daarover een aantal columns in Knack. Zijn nu gepubliceerde etymologische verkenningen zijn dus het resultaat van een half leven huisvlijt. Hij biedt geen zoveelste woordenboek aan, maar een paar honderd verhaaltjes over woorden of woordgroepen. Een knap voorbeeld is zijn lange uitweiding over het begrip ?school?. Na eens te meer te hebben uitgelegd dat ook dit woord uit het Indogermaans stamt (heel Europa is filologisch totaal schatplichtig aan onze verre voorouders in het Indusgebied), vertrekt hij van het Griekse scholè : de vrije tijd. Erkende burgers van Athene moesten eigenlijk nooit werken. Ze konden zoveel mijmeren, studeren, onderwijzen en commentaar (?scholion?) geven als ze wilden. Dat vlinderend omgaan met al dan niet aan teksten ontleende kennis konden ze doen in een voor dat doel ingericht gebouw, dat dan ook maar ?scholè? werd genoemd. En tot vandaag is een scholasticus een geleerde boekenwurm, een filosoof. DE ROMEINEN VOELDEN goed aan wat hun Griekse leermeesters bedoelden en noemden het hele schoolgebeuren ludus, spel iets in de buurt van sport of ontspanning. Alvast de Amerikaanse universiteiten hebben die verbinding tussen studie en lichamelijke prestaties goed in ere gehouden. Ze hebben er in de moderne devotie voor gespierde godenkinderen zelfs straffe handel van gemaakt. Maar ook wij hebben het wel eens graag over ?spelenderwijs leren?. En in het feitelijk tweetalige Rome van de Helleense tijd ontstond het ludieke woord schola bijna vanzelf. Het is in vele talen van de wereld een van de meest verspreide geworden. Zowel Britten als Serviërs of Portugezen maken er gebruik van. Het Germaanse ?leerhuis? brak nooit echt door, wel is het vandaag nog de naam van een kunstgalerij in Brugge. En zou de voorzitter van het Vlaams parlement, Norbert De Batselier, zelf beseffen dat zijn naam onstuitbaar doet denken aan de Oudfranse bachelier en de Engelse bachelor, de jonge schildknaap (vaak ook gezien als vrijgezel) die in het Nederlands ?baetseleer? of ?batseleer? heette ? Hij kan ook in verband worden gebracht met het in de Europese academische wereld nog veel uitgereikte baccalaureaat : de titel die een jonge academicus mag voeren tegenover zijn leermeester, de doctor. Tussen twee haakjes, het woord betekent letterlijk ?bes? (Latijn : bacca) van de laurier (laureus). Een aan de universiteit afgestudeerd ?kandidaat? (in de Letteren of de Scheikunde, bijvoorbeeld) zal wel niet meer weten dat hij naar het Latijnse werkwoord candere ?schitterend wit is, blinkt.? Iemand die in het oude Rome solliciteerde voor een openbaar ambt of een promotie, deed immers een spierwitte toga aan en trok zo de straat op. Candide... Dicht in de buurt van alles wat wij met geestelijke of fysieke bezigheid in verband brengen, ligt het tegendeel ervan : vakantie. Het vrij zijn van welke verplichting dan ook. Het Latijnse woord vacare dekt nog altijd de hele lading : ?leeg zijn? (vacuüm !), niets van belang te doen hebben, de afwezigheid van druk. Uitzendbureaus of de VDAB kondigen dagelijks ?vakante? jobs aan. Het Franse ?vanité? en ?vide? gluurt achter de coulissen van al die verschillende woordvormen. In ouderwetse taal bedoelt een Parijzenaar met het woord vacance weinig anders dan : afwezigheid. Moeiteloos legt Bart Mesotten het verband uit met het Angelsaksische Holiday, een woord dat de vrome kerkganger in beeld brengt, iemand die rusttijd moet hebben om het heilige dat wat zich in de eredienst afspeelt te kunnen eren. Algauw belanden we bij het Duitse Ferien, waarin ons Nederlandse ?feest? al doorklinkt. Het duidt de dagen aan waarop destijds geen recht mocht worden gesproken of handel gedreven. HET GRIEKSE bijvoeglijke naamwoord ?etymos? betekent zoiets als ?waarlijk, echt, authentiek.? En we weten stilaan wel dat ?logos? verwijst naar kennis, studie, redenering, begrijpen, achterhalen. Etymologie is dus de taalkundige poging om de oorspronkelijke betekenis van woorden (of delen ervan) op te gaan zoeken. Naarmate we beseffen hoe wonderlijk het is geweest dat anders dan de dieren de menselijke soort erin slaagde namen en werkwoorden te bedenken voor de aanduiding van de werkelijkheid en het spreken daarover, wordt etymologie een adembenemende en zelfs ontroerende wetenschap. Die is verre van simpel, denk er maar eens over na hoeveel betekenissen één enkele lettergreep zoals ?licht? kan hebben : hef op, niet zwaar, helder, makkelijk, prettig, waarschijnlijk, de uitstraling van een lamp of ster of zon. Bovendien verglijdt de betekenis van woorden in de tijd. Een ?wijf? is vandaag iets anders dan driehonderd jaar geleden. En een minister veranderde van ?dienaar? tot politieke machthebber. In hun betekenis verschuiven, verglijden of muteren woorden. Soms trouwen ze na een moeizame verloving met elkaar, of nemen afscheid. Is etymologie een soort taalkundige archeologie ? Ja, maar, ?geologie? is beter : woorden hebben niet alleen zonder meer een chronologisch verleden een spraakkundige leeftijd maar ook een ondergrondse wisselwerking. Vaak rusten ze in verborgen lagen op elkaar. Wat is er allemaal niet gebeurd met de ?mama? of de ?vader? (papa, father, pater, père, padre) ? Welke niet op de hoogte gebrachte leek vermoedt nog wat er allemaal achter het woordje ?paus? schuilgaat ? Om u, aan de schrijvende hand van Bart Mesotten, een extra portie ?goesting? (kijk na...) in het opsporen van etymologische geheimen mee te geven, mag u hier op de valreep kennis maken met het woordje whisky dat overigens nog geen drie eeuwen oud is. Het betekent niets anders dan het klassieke, Franse eau-de-vie of ?levenswater? zoals de vermaarde cognac, armagnac of calvados. De eerste lettergreep ?whis? gaat terug op een oude Keltische stam : ?usque? of ?uisce? die op zijn beurt te maken heeft met het Indogermaanse ?awed? voor water. De ?-ky? verwijst naar het Indogermaanse gwei voor leven, levendig zijn. Of hoe een drankje vol mout, graan en schapengeur verwijst naar een duizenden jaren oude, subtropische beschaving in Midden-Azië. Binnenkijken in woorden, een aanrader. Frans Verleyen Een beukenboom heette in het Middelnederlands boeke. De beuk van kerkgebouwen heeft niets met het stevige hout te maken, wel met de menselijke buik, vermoedelijk via het Indogermaanse bheu : opzwellen.