Zij werden in het secundair onderwijs niet erg concreet voorbereid op wat onderwijs op het niveau hogeschool inhoudt. Dat zeggen alvast eerstejaarsstudenten orthopedagogie.
...

Zij werden in het secundair onderwijs niet erg concreet voorbereid op wat onderwijs op het niveau hogeschool inhoudt. Dat zeggen alvast eerstejaarsstudenten orthopedagogie.Bijna 80 procent van de eerstejaarsstudenten geeft aan dat ze de overgang van secundair naar hoger onderwijs moeilijk vonden. Slechts 9 procent ervoer dit niet als moeilijk en 11 procent heeft hierover geen mening. Vorig academiejaar hield het departement Sociaal-Agogisch Werk, opleiding graduaat orthopedagogie van de Katholieke Hogeschool Limburg een enquête met als centrale vraag: wie zijn onze eerstejaarsstudenten? Uit de enquête blijkt dat nogal wat studenten moeite hebben om regelmatig, een heel academiejaar lang, te studeren. Velen hebben dit in het secundair onderwijs nooit of zelden moeten doen, alleen vlak voor een toets. Van hen vereist het hoger onderwijs een studiehouding die niet of nauwelijks voorkwam in hun vroegere school. In het hoger moeten ze plots leren meer verantwoordelijk te zijn voor zichzelf en leren omgaan met een grotere vrijheid. Meer leerstof verwerken, betekent voor de meesten meer studeren dan ze gewend waren in het secundair. Ze beseffen dat ze anders moeten studeren, omdat ze op een heel andere manier geëvalueerd worden met bijvoorbeeld meer inzichtsvragen, hogere eisen aan kennis van leerstof, multiple choice enz. Een aantal studenten verwijst naar de andere manier van onderwijs krijgen: veel meer zelfstudie, sneller, meer projecten en bijkomende taken, zodat men goed moet plannen. De enquête van de Katholieke Hogeschool Limburg besteedt ook aandacht aan de zittenblijvers. Een peiling naar het belangrijkste struikelblok dat de zittenblijvers ervoeren in hun allereerste jaar levert antwoorden op zoals 'niet genoeg gestudeerd' en 'bepaalde theorievakken onvoldoende beheerst'. Slechts drie zittenblijvers op een totaal van 38 geven aan dat een onaangepaste studiemethode hun grootste struikelblok was. Geen optimale voorbereiding op de andere leeromgeving en de daarvoor vereiste zelfstandige manier van leren en studeren, is blijkbaar hét euvel bij de overgang van het secundair naar het hoger onderwijs. Moeten we de zwartepiet doorschuiven naar het secundair onderwijs? Overigens is de begeleiding bij de studiekeuze ook een aas in het spel. 'We komen uit een periode waarin de secundaire school deze verantwoordelijkheid traditioneel doorschoof naar een externe dienst, het PMS-centrum', zegt coördinerend inspecteur-generaal Peter Michielsens. 'Niet alleen de studiekeuze, maar het hele leerlingendossier was in handen van het PMS. Wanneer in september de Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB) de huidige PMS-centra vervangen, komt de eerstelijnszorg bij de scholen te liggen. Ook de begeleiding van de studiekeuze. De gespecialiseerde informatie kan een school nog altijd bij het CLB halen, maar voor de vorming, de training om in een ploeg van een hogere klasse te spelen, zal de trainer van het secundair onderwijs moeten instaan. Die kent immers zijn spelers het best en weet wat ze aankunnen. Of de trainer daarvoor een geschikt terrein heeft? Ik denk van wel, maar hij benut te weinig mogelijkheden. Op een eerste werkterrein kunnen de leraars die in de derde graad lesgeven hun didactiek en vooral hun evaluatie aanpassen. Uit de toelatingsexamens voor (tand)arts leren we dat laatstejaars secundair haast niet voorbereid zijn op het systeem van multiple choice. Leerlingen zullen andere toetsmechanismen moeten leren kennen. Op een tweede werkterrein kan men in het voorlaatste jaar van het secundair onderwijs de leerling al bewust laten werken aan zijn keuzeproces. Daarbij moet hij ook werken aan zijn vaardigheden en zelfconcept. Hij moet voor de spiegel durven staan om zichzelf te bevragen over zijn mogelijkheden en interessegebieden. En die antwoorden moet hij toetsen aan derden. Daarvoor hoeft de school haar structuur niet te veranderen. De secundaire school kan alvast instrumenten aanreiken om de studiekeuze zo raak mogelijk te maken.' 'Daarbij is niet alleen de vraag "wat ken ik?" van belang, maar ook "wat kan ik?". Een "keuzedossier", waarbij de leerling gedurig verplicht wordt om na te denken over zijn studiehouding en -vaardigheden, is een goed systeem. Het wordt helaas nog niet overal toegepast. Of daar nu nog een oriënteringsproef bij moet komen, is een bijkomstige vraag.' Om de overgang van het secundair naar het hoger onderwijs te verbeteren, is een soepele organisatie van de derde graad in de secundaire scholen nodig. Hierdoor kan de school meer mogelijkheden creëren om de leerlingen te laten kennismaken met en zich voorbereiden op hoger onderwijs. Dat staat in het 'Advies over de overgang van secundair naar hoger onderwijs' van de Vlaamse Onderwijsraad (Vlor). Samengevat hieruit enkele aandachtspunten. Aan de universiteit zijn studenten niet verplicht een agenda in te vullen. In de derde graad moeten leerlingen bijgevolg zelf leren plannen en niet alleen studeren voor aangekondigde toetsen. Daarbij speelt de doelstelling 'zelfstandig leren' een sleutelrol. De leerplannen van de derde graad kunnen pedagogisch-didactische wenken bevatten om de zelfwerkzaamheid van de leerlingen te stimuleren. Leerlingen moeten zelfstandig beslissingen kunnen nemen over hun studieloopbaan. Daarom mogen de leerplannen het onderdeel studiekeuze niet verwaarlozen. Om doorstromen mogelijk te maken, houden secundaire scholen rekening met de 'begintermen' van hoger onderwijs. Ook universiteiten en hogescholen hebben een verantwoordelijkheid. Ze moeten studenten in spe informeren over de opleidingen die ze aanbieden. Bovendien wordt van hen verwacht dat ze de aanvangsvereisten (begintermen), de doelstellingen en het abstractieniveau van de opleidingen formuleren. Op dit vlak verloopt het samenspel tussen secundair en hoger onderwijs vaak nog stroef. Misschien kunnen ze beter samen training geven aan de overstappers naar hoger onderwijs.G.D.M.