Muziek uit het land van de ayatollahs.
...

Muziek uit het land van de ayatollahs. De oorsprong van de Perzische klassieke muziek is gehuld in de nevelen der oudheid. Een systematische studie is moeilijk door de plunderingen van de bibliotheken van het oude Perzische rijk tijdens de invasies van de Grieken (3000 v.C.), de Arabieren (7de eeuw), de Mongolen (13de-15de eeuw) en de Afghanen (18de eeuw). De muziek wordt echter nog ten dele mondeling overgeleverd. Het klassieke repertoire, radif, omvat een 400-tal muziekstukken ( gusheh-ha). Er zijn twaalf modale groepen ( dastgah-ha) : zeven hoofdgroepen en vijf afgeleiden ( avaz). Een dastgah bestaat uit een variabel aantal gusheh-ha of melodische sequenties. Ze kunnen de basistoonladders van de hoofdmodus verlaten, maar keren er altijd naar terug. De intervallen kunnen zowel groter als kleiner zijn dan hele of halve tonen, kwarttonen zijn er niet. De precisie van de toonafstanden binnen een modus is één van de elementen die de Perzische muziek haar grote emotionele waarde geeft. Zoals in bijna alle oosterse muziek speelt de improvisatie binnen welbepaalde regels een grote rol. De inventiviteit en de virtuoze versieringen zijn hierbij buitengewoon. Poëzie speelt een belangrijke rol in de Iraanse muziekcultuur. Shâhrâm Nâzerî is zo'n vocale grootmeester die de poëzie tot haar recht laat komen. Hij werd geboren (1949) in Kermanshah (Iran). Op achtjarige leeftijd zong hij tijdens sufi-seances al de Masnavi, het meesterwerk van de 13de-eeuwse sufi-dichter Jalâloddin Rûmi. In Iran wordt Nâzerî alom geprezen om zijn heldere en warme uitvoeringen. Nâzerî wordt begeleid door het vierkoppig ensemble Dastan. Hamîd Motebassem bespeelt de tar, een langhalsluit met een diepe klankkast in de vorm van een acht en bespannen met een lamsvel. Het timbre doet aan een banjo denken, maar heeft een subtielere klank. Keyhân Kalhor bespeelt de kamancha, een viersnarige spijkvedel. De strijkstok uit paardenhaar wordt nooit opgespannen en de vingers zorgen voor een constante druk. Hossein Behrûzî-niyâ is een meester in het barbat-spel, een oude Perzische luit die aan de oorsprong zou liggen van de Arabische ûd. De moderne versie telt zes dubbelsnaren die met een plectrum worden bespeeld. De ronde en diepe sonoriteit contrasteert mooi met de heldere en soms scherpere klanken van de andere instrumenten. Ten slotte zijn er de tombak (bekervormige trom uit moerbeziënhout of notelaar) en de daf (een lijsttrom met aan de binnenzijde metalen schellen die tegen de huid trillen die over de lijst is gespannen) waarop Mortezâ Ayân het ritme aangeeft. Johan Van AckerIraanse klassieke- en volksmuziek, 14/6, 20.30, Paleis voor Schone Kunsten, Brussel.Shâhrâm Nâzerî : heldere uitvoeringen.