In het sociaal overleg was er vorige week een dubbele doorbraak. Na maanden van rondjes draaien en zware schermutselingen aan de onderhandelingstafel, slaagden de vakbonden en werkgeversorganisaties er toch in om een nieuw centraal akkoord voor de privé-sector te sluiten. Even later waren ook de Vlaamse sociale partners en de Vlaamse regering klaar met een nieuw werkgelegenheidsakkoord voor 2005-2006. In combinatie met het centraal akkoord zou het volgens een optimistische prognose kunnen zorgen voor 30.000 nieuwe banen per jaar. (zie kaderstukken)
...

In het sociaal overleg was er vorige week een dubbele doorbraak. Na maanden van rondjes draaien en zware schermutselingen aan de onderhandelingstafel, slaagden de vakbonden en werkgeversorganisaties er toch in om een nieuw centraal akkoord voor de privé-sector te sluiten. Even later waren ook de Vlaamse sociale partners en de Vlaamse regering klaar met een nieuw werkgelegenheidsakkoord voor 2005-2006. In combinatie met het centraal akkoord zou het volgens een optimistische prognose kunnen zorgen voor 30.000 nieuwe banen per jaar. (zie kaderstukken)'De verhoudingen waren koud tijdens de onderhandelingen. We hebben meer apart dan samen vergaderd', zegt voorzitter Luc Cortebeeck van de christelijke vakbond ACV over het sociaal overleg. Hij ontkent niet dat de vakbonden in het defensief zaten. 'Terwijl bij de socialistische collega's van het ABVV na het vertrek van Mia De Vits het interne leiderschap lange tijd ter discussie stond, waren er ook belangrijke wijzigingen aan werkgeverszijde. Zowel in het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) als bij de Unie van Zelfstandige Ondernemers (Unizo) was er een wisseling van de wacht en drukten de hardliners hun pleidooi door om langer en flexibeler te werken en om de sociale bescherming terug te schroeven. Het VBO werd bovendien opgejaagd door de harde opstelling van enkele bedrijfssectoren en het Vlaams netwerk van ondernemingen (Voka).' Een extra handicap was volgens Cortebeeck dat de discussies al van voor de zomer van 2004 in de media gevoerd werden en dat daarbij drie grote dossiers - een loonakkoord, de eindeloopbaan en de toekomst van de sociale zekerheid - op een hoop werden gegooid. 'Het heeft bloed, zweet en tranen gekost om die weer uit elkaar te halen, want dat is de enige manier om iets te bereiken', aldus Cortebeeck. 'De kille paringsdans heeft bijzonder lang geduurd. Daarbij woog het machtsspel zwaarder door dan de cijfers, ook al omdat die een paar keer veranderden en zodoende voor de werkgevers helemaal onbespreekbaar werden. De Centrale Raad voor het Bedrijfsleven zag in november een marge van 5,3 procent voor een loonstijging. Even later schroefde de OESO die terug naar 5,1 procent, terwijl uit gegevens van de sociale zekerheid dan weer bleek dat er geen overschrijdingen van de loonnorm in het verleden waren geweest en het concurrentieverschil met de buurlanden meeviel.'Toch werden de gesprekken volgens Cortebeeck niet afgebroken 'omdat het wederzijdse vertrouwen altijd groter bleef dan de gedeelde schrik voor de federale regering die het zónder centraal akkoord van ons zou overnemen. De vakbonden waren onzeker over haar plannen met het brugpensioen en de loonnorm. De werkgevers hadden dit keer geen grote lastenvermindering binnengehaald voor de start van het sociaal overleg.' Twee kantelmomenten beslisten uiteindelijk over een gunstige afloop, aldus de ACV-voorzitter. Enerzijds was er in de eindfase zijn eigen publieke dreiging om op te stappen als de werkgevers hun houding niet milderden. Anderzijds was er de uitkomst van het schaakspel met de regering over de omvang, de financiering en de voorwaarden van een lastenvermindering om een aantal punten van het akkoord uit te voeren. Cortebeeck: 'Het afgesproken bedrag van 252 miljoen euro is belangrijk, maar het mag niet overschat worden. De ondernemingen hoesten 4 tot 5 miljard euro op voor een loonstijging van 4,5 procent. Dat is niet niks. Maar in ruil is er sociale stabiliteit en zonder akkoord zouden de afspraken in de sectoren voor hen mogelijk nog duurder kunnen worden.'LUC CORTEBEECK: Behalve een indicatieve loonnorm van 4,5 procent, hebben we de koppeling van de lonen aan de index behouden. Dat is niet te onderschatten. Een ander belangrijk symbool is de verlenging van enkele brugpensioenregelingen. Voorts zijn er nieuwe solidariteitsmechanismen, zoals de verhoging van de laagste lonen en een sluitingspremie voor werknemers van kleinere bedrijven. Kwaliteitsafspraken gaan over vorming, innovatie en oudere werknemers die van nacht- naar dagarbeid kunnen overschakelen. Ten slotte is er overurenregeling die al in een 50-tal sectoren bestaat en veralgemeend wordt, maar met een controle van de vakbonden. Globaal gaan de werknemers er zeker niet op achteruit. CORTEBEECK: De economische globalisering heeft nooit eerder zo hard op het sociaal overleg gewogen. In het verlengde daarvan lag een onvergelijkbaar zwaar eisenprogramma van de werkgevers. Hun strategie is duidelijk veranderd. In het verleden wachtten ze af. Nu gaan ze in het offensief. Voorts wordt het steeds moeilijker om algemene afspraken te maken. Zowel aan werkgevers- als aan vakbondszijde worden specifieke belangen van bedrijven en werknemers naar voren geschoven. Ten slotte evolueren we steeds meer van een twee- naar een driepartijenoverleg, met ook een regering die merkbaar aanwezig is. In Nederland en in de Scandinavische landen is dat gebruikelijk, maar bij ons is het geen uitgemaakte zaak of we verder in die richting moeten gaan. CORTEBEECK: Daar ben ik het helemaal niet mee eens. De solidariteits- en de kwaliteitskenmerken in het akkoord spreken die kritiek tegen. Bovendien is het akkoord niet alleen een goede basis voor het komende overleg in de sectoren en bedrijven. Het legt meteen een fundament voor de debatten over de eindeloopbaan en de sociale zekerheid. CORTEBEECK: Die druk is er onmiskenbaar, en ik heb geen glazen bol. Toch blijft een centraal akkoord nuttig, onder meer omwille van de sociale vrede en het consumentenvertrouwen. Een alternatief overleg dat dichter aanleunt bij de mogelijkheden van een bedrijfssector of onderneming, verhoogt alleszins het risico op sociale onrust. Het vergroot ook de kloof tussen zwakke en sterke sectoren, tussen kleine en grote bedrijven. Aan Vlaamse werkgeverszijde zegt Voka de spreekbuis van duizenden ondernemingen te zijn. Maar Voka heeft hen nog nooit één euro moeten vragen om Vlaamse werkgelegenheidsakkoorden te sluiten. Het geld komt van de Vlaamse regering. Zou het zonder die middelen zo gemakkelijk gaan? Ik denk dat het VBO beter in staat is om gegroepeerd te werken en een serieuze inspanning van de bedrijven te vragen. CORTEBEECK: Tijdens de onderhandelingen heb ik voortdurend contact gehouden met de verschillende ACV-centrales, en dus ook met onze mensen van de non-profit. Mede daardoor hebben we snel gereageerd toen de premier op de proppen kwam met 360 miljoen euro voor het centraal akkoord. Dat was niet in verhouding tot wat er op de overlegtafel lag en dat geld mocht volgens ons niet van de inkomsten van de sociale zekerheid af gaan. De nu afgesproken 252 miljoen euro komt van de belastingen. Binnen het ACV wordt dit niet ervaren als strijdig met de eisen van de witte woede. We steunen die volop. CORTEBEECK: Ik ben zeer tevreden over dat Vlaams akkoord. Het vult het centraal akkoord op een uitstekende manier aan. Ik hoop dat in Brussel en Wallonië soortgelijke akkoorden worden gesloten. CORTEBEECK: Die onderhandelingen zullen niet gemakkelijk zijn, maar het centraal akkoord biedt aan de werkgevers en vakbonden in de sectoren een houvast. Ik denk dat ze er wel uit zullen raken. De discussies over de eindeloopbaan en de sociale zekerheid zullen nog ingewikkelder zijn, omdat ook de regering mee aan tafel komt. We willen in elk geval geen herhaling van de Werkgelegenheidsconferentie. In oktober 2003 zette de regering iedereen onder druk om in korte tijd tot besluiten te komen. Maar de interne mechanismen van de politiek en bij de sociale partners zijn verschillend. Zolang ze niet worden teruggefloten door hun eigen partij geven ministers een ruime interpretatie aan hun mandaat. Bij de vakbonden spreekt ook de achterban meer dan een woord mee. CORTEBEECK: Ja, maar dan moeten álle elementen correct kunnen worden besproken. Gilbert liep al een tijd rond met het idee voor dat boek. Het is een persoonlijk initiatief en geen ACV-publicatie. Maar ik neem er geen afstand van. Gilbert zegt terecht dat er over de vergrijzing veel halve waarheden en leugens verteld worden. Uit OESO-statistieken blijkt bijvoorbeeld dat Belgische mannen gemiddeld slechts 36 jaar zouden werken. In andere landen vinden enquêtes plaats om informatie over de loopbaanduur te verzamelen. Bij ons neemt men de leeftijd waarop een jongere nu begint te werken en de leeftijd waarop een oudere werknemer er nu mee ophoudt. Maar dat zijn niet dezelfde mensen. Zo krijg je een vertekend beeld dat vervolgens dient om erop te hameren dat we langer moeten werken om het systeem betaalbaar te houden. Mag ik er dan op wijzen dat er nog altijd 600.000 mensen - vrouwen, jongeren, allochtonen - werkzoekend zijn? Ander voorbeeld: het aandeel van het bruto binnenlands product dat naar de sociale zekerheid gaat. Dat is in 60 jaar niet wezenlijk veranderd. Als we het mee laten evolueren met de groei van de economie en tegelijk de uitgaven voor een deel verleggen van jongeren naar ouderen, dan hoeven we allicht niet zo dramatisch te doen over de vergrijzing. CORTEBEECK: Het ACV deelt veel van hun inzichten. De mensen van het Planbureau en de Commissie voor de Vergrijzing zijn geen idioten. Maar in hun prognoses blijft de werkloosheidsgraad ook in de toekomst vrij hoog. Waarom zou dat zo zijn? Wil men misschien druk zetten op de arbeidsvoorwaarden voor de mensen die werk hebben? CORTEBEECK:(laconiek) Als het gaat over cafépraat is Steve Stevaert in elk geval goed geplaatst. En wat Vandenbroucke betreft: hij heeft het debat over de vergrijzing aangezwengeld, maar hij heeft niet alleen de waarheid in pacht. Mijn klomp breekt trouwens als ik zie hoe de politiek met ons sociaal systeem omspringt. De Vlaamse regering, waarvan ook Vandenbroucke lid is, zal werkenden belonen met een belastingvermindering. Vanaf 2009 wil ze daarvoor 500 miljoen euro per jaar uittrekken. Dat is het dubbele van de bijdrage van de federale regering voor het centraal akkoord. Tegelijkertijd zegt de Vlaamse regering dat ze weinig of geen middelen heeft om de lonen in de non-profit te verhogen en het zorgaanbod uit te breiden. Belastingverlagingen zijn prima, maar je kunt de mensen niet blijven voorspiegelen dat de sociale bescherming gevrijwaard kan worden zonder een financiële inspanning van hen. CORTEBEECK: Het bewijst alleszins dat veel werklozen zelf werk zoeken. We zijn akkoord gegaan met die controle en we hebben de organisatie ervan kunnen verbeteren. Maar niemand moet de illusie hebben dat dit 600.000 werkzoekenden een job zal bezorgen. Daarvoor is het arbeidsaanbod op vele plaatsen te klein. Cijfers vertellen ook niet alles. Minstens even belangrijk is dat die controle een dynamiek veroorzaakt. Meer werkzoekenden krijgen een begeleiding maar ze hebben ook een eigen verantwoordelijkheid opdat het stelsel overeind kan blijven. CORTEBEECK: We moeten afstappen van die fixatie op leeftijden en durven denken in termen van loopbanen. Daarbij kan ook rekening worden gehouden met de zwaarte van verschillende beroepen, hoewel het niet eenvoudig is om daarvoor de juiste criteria te bepalen. CORTEBEECK: De huidige, algemene afspraak over een brugpensioen vanaf 58 jaar geldt niet voor alle werknemers. Een bruggepensioneerde krijgt een uitkering en in diverse sectoren en bedrijven leggen werkgevers dan een bedrag bij. Maar in andere sectoren en ondernemingen willen ze niets bijleggen en is er daarom geen brugpensioen. Die ongelijkheid moet verdwijnen om de overgang naar redeneringen over de loopbaanduur voor beroep x en y mogelijk te maken. Zowel in de politiek als bij de sociale partners is er een consensus dat het die kant moet uitgaan. Een lastig punt is dat werkgevers dit niet mogen aangrijpen om oudere werknemers na een bepaalde loopbaanduur zomaar met pensioen te sturen. Bedrijven moeten ook oudere personeelsleden aan het werk houden en bijpassen voor hun bruggepensioneerde werknemers. CORTEBEECK: Daar zijn we volop mee bezig. Het is bekend dat we niet opgetogen waren over een dergelijk menu dat eten en drinken voor socialisten en liberalen moet bevatten. Dat vergemakkelijkt de discussie niet. Met premier Guy Verhofstadt (VLD) ben ik het wel eens dat de kwestie van de eindeloopbaan niet met één maatregel van de baan is. We hebben een evenwichtig pakket van stimulerende en bestraffende maatregelen nodig. CORTEBEECK: In de politiek is er een tendens om de ziekteverzekering en de kinderbijslag te zien als een algemeen recht dat niet meer gefinancierd wordt met lasten op arbeid. Het Planbureau vindt een ASB een van de betere alternatieve formules en in de Scandinavische landen werkt dit financieringssysteem goed. Maar grote tijdsdruk kunnen we missen. Na het loonakkoord beginnen we volgende maand aan het dossier van de eindeloopbaan. Als die twee etappes achter de rug zijn, staan we al heel ver voor het debat over de sociale zekerheid. Maar het is belangrijker dat er beslissingen vallen - in deze of een volgende regeerperiode, dan dat ze op een drafje worden genomen. CORTEBEECK: We zijn het eens met hen dat de sociale regels in alle regio's op dezelfde manier moeten worden toegepast. Maar we staan niet achter hun splitsingseisen. Ze hebben ook geen oplossing voor Brussel. De Vlaamse zorgverzekering heeft ruimschoots aangetoond hoe moeilijk en complex dit is. Als belangrijke onderdelen van de sociale zekerheid worden gesplitst, verkleinen de financiële massa's. Dat maakt het systeem op twee cruciale punten - de solidariteit en de verzekering - zwakker. Ik vrees dat we dan in Vlaanderen snel een privatisering van de sociale bescherming krijgen. Voor de gezondheidszorg houdt dit extra risico's in, want in Vlaanderen slaat de vergrijzing sneller en feller toe dan in Wallonië. Door Patrick Martens'Een centraal akkoord blijft nuttig, onder meer omwille van de sociale vrede en het consumentenvertrouwen.'