Toen ze de para's naar Rwanda stuurde, was de regering bezig met heel andere zaken.
...

Toen ze de para's naar Rwanda stuurde, was de regering bezig met heel andere zaken.In een eerste reactie liet voormalig minister van Buitenlandse Zaken Willy Claes (SP) weten dat het rapport van de ad hoc-werkgroep onvolledig is. Hij is bereid om aanvullende informatie te geven en zo bij te dragen tot een ?objectieve verfijning? van de conclusies. De volledigheid van het verhaal wordt zeker niet geschaad door de hectische politieke agenda van de topministers in oktober en november 1993 in herinnering te brengen. Vooral eerste-minister Jean-Luc Dehaene (CVP) had toen veel meer om handen dan Rwanda. Alle aandacht en energie ging naar het globaal plan, dat nodig was om de normen van Maastricht te halen en de (nood)-regering overeind te houden. Op dinsdag 9 november had het vakbondsfront een actieprogramma bekendgemaakt, waardoor de roomsrode coalitie grote averij riskeerde. De dag dat een beperkt ministercomité zich principieel akkoord verklaarde met een actie in Rwanda, liet zelfs het liberaal syndicaat weten dat het aan de 24-urenacties meedeed. Twee dagen voor de ministerraad met het vertrek van 370 para's naar Rwanda instemde, legde Dehaene in het parlement het algemeen crisisplan voor. Hij had er toen ruim vijf dagen Hertoginnedal op zitten. Voor Dehaene, Claes en de regering was er toen nog veel meer werk aan de winkel. België fungeerde op dat ogenblik als voorzitter van de Europese Unie, waardoor Dehaene en Claes voortdurend op internationale fora moesten optreden. Op 29 oktober organiseerde Brussel een bijzondere Europese top, die diende om drie dagen later het Verdrag van Maastricht in werking te laten treden. Vooral de minister van Buitenlandse Zaken vertoefde die dagen meer in het buitenland dan in België. Weliswaar niet in Afrika, want de prioriteit van Claes lag toen in Europa en voormalig-Joegoslavië. Maar ook Dehaene moest met enige regelmaat buiten Brussel aan de slag. Op 11 november reisde hij met toenmalig voorzitter van de Europese Commissie Jacques Delors naar Moskou om er met president Boris Jeltsin te overleggen. Tijdens die vlucht sprak Dehaene de woorden uit : ?Het wordt pas plezant als het moeilijk wordt.? Een kleine maand later maakte Jeltsin zijn opwachting in Brussel voor een driedaags bezoek aan België, de Navo en de Unie. Dehaene en Claes stonden toen opnieuw onafgebroken in het gareel, ook al omdat de visite samenviel met de zesmaandelijkse Europese top. Ook zonder Rwanda had de regeringstop werk genoeg. In feite vonden Dehaene en Claes in die dagen nauwelijks de tijd om zich met ?details? als Rwanda bezig te houden. Dat dossier werd de facto aan de goede zorgen van minister van Defensie Leo Delcroix (CVP) toevertrouwd. Hij had het toen aanzienlijk minder druk en bezat bovendien veel meer affiniteit en parallelle contacten rond een dossier dat de regeringstop als een vervelende erfenis uit het verleden beschouwde. Allicht was dat een beoordelingsfout, onder meer omdat tussen Delcroix en stafchef José Charlier de relaties compleet verstoord waren en communicatie haast onmogelijk bleek. Charlier ergerde zich immers blauw aan het populistisch pleidooi van Delcroix voor een beroepsleger.