Vorige dinsdag 7 maart was Super Tuesday in de VS, de doorslaggevende dinsdag in de primaries. Dat zijn de per staat georganiseerde voorverkiezingen waarin de twee grote partijen, Democraten en Republikeinen, beslissen wie hun officiële presidentskandidaat moet zijn. 'Dolle dinsdag' kreeg zijn naam omdat die dag voorverkiezingen gehouden worden in zestien staten tegelijk, waaronder twee van de allergrootste, New York en Californië. Blijven theoretisch nog altijd verrassingen mogelijk, in de praktijk gaat men ervan uit dat de echte kandidaten voor de eindspurt - de eigenlijke verkiezingscampagne - dan wel bekend zijn.
...

Vorige dinsdag 7 maart was Super Tuesday in de VS, de doorslaggevende dinsdag in de primaries. Dat zijn de per staat georganiseerde voorverkiezingen waarin de twee grote partijen, Democraten en Republikeinen, beslissen wie hun officiële presidentskandidaat moet zijn. 'Dolle dinsdag' kreeg zijn naam omdat die dag voorverkiezingen gehouden worden in zestien staten tegelijk, waaronder twee van de allergrootste, New York en Californië. Blijven theoretisch nog altijd verrassingen mogelijk, in de praktijk gaat men ervan uit dat de echte kandidaten voor de eindspurt - de eigenlijke verkiezingscampagne - dan wel bekend zijn. Dit jaar is het niet anders gegaan, de mainstream-kandidaten Al Gore voor de Democratische en George W. Bush voor de Republikeinse partij kwamen als afgetekende winnaars uit de strijd en hun respectieve tegenstanders, de 'rebellen' Bill Bradley en John McCain, trokken zich terug. Met reden: George W. Bush bracht die dinsdag zijn stemmenaantal op 617 (hij heeft er 1034 nodig, van de 2066, om genomineerd te worden), tegen 231 voor John McCain. Al Gore kwam aan 1419 stemmen, van de 2170 die hij nodig heeft, en Bill Bradley maar aan 405. De echte campagne kan nu beginnen. Voor de toeschouwers is dat een beetje spijtig, al moeten de Amerikanen natuurlijk zelf maar weten wat ze willen. De 'rebellen' brachten namelijk wat kleur in de campagne en in de Amerikaanse politiek. Bradley dwong vice-president Al Gore stelling te nemen op een aantal punten die hij liever vermeden had in zijn strijd voor de Democratische Partij, met als resultaat dat de saaie Gore een heel eind naar links opschoof, in de richting van de vakbonden, die traditionele steunpilaren van de Democraten. En John McCain duwde George W. Bush, die de campagne begonnen was als de 'milde conservatief', resoluut een heel eind naar rechts - zo ver zelfs dat hij ook zijn medestanders schokte door een bezoek te brengen aan de Bob Jones University in South Carolina, een conservatief etablissement van de fundamentalistische christelijke rechterzijde waar interraciaal vrijen expliciet verboden is. Gore bij de vakbond, Bush bij de integristen: het bracht leven in de brouwerij en het hielp de toeschouwer de echte kandidaten te ontwaren onder de lagen electorale schmink. Zodat het uiteindelijk inderdaad de échte kandidaten zijn, de doorgewinterde partijmannen, die voor hun respectieve partijen gekozen zijn op de traditionele stellingnames en programma's van die partijen.NEK-AAN-NEKRACENu de echte campagne begonnen is, de titanenstrijd met het geweld van de tientallen miljoenen dollars (67 miljoen dollar per kandidaat aan federale subsidies alleen al), zullen beide kandidaten allereerst proberen het middenveld te heroveren dat ze onder druk van hun 'rebellen' verlaten hebben - de een naar links, de ander naar rechts. Want daar bevinden zich de onafhankelijke kiezers, de 'zwevende stemmen', de lieden die voor McCain of voor Bradley gestemd zouden hebben als die hadden meegedaan: Democraten die de regering-Clinton en de bureaucratie beu zijn, Republikeinen die van de christelijke fundamentalistische chantage af willen. Op zich kan dit ook geestig worden, zeker als Bush zich na de Bob Jones-universiteit weer als Spaanssprekende Latino-kandidaat en milde conservatief gaat voorstellen, want de opiniepeilingen na Super Tuesday wezen al dadelijk in de richting van een nek-aan-nekrace tussen de twee kandidaten. In dat geval kan men zich voorstellen dat er nog behoorlijk wat met modder gegooid zal worden voor de beslissende slag in november. Maar niet alleen voor de toeschouwers, ook voor de Verenigde Staten zelf is het een beetje sneu dat de vernieuwers - ook al waren ze verre van revolutionair - gewipt zijn. Het is nu al traditie dat de president van de VS verkozen wordt door ongeveer eenvierde van de stemgerechtigde Amerikanen, en dat percentage slinkt bij elke verkiezing. De belangstelling van het publiek voor de politiek is zelden zo laag geweest. Die had door mensen als McCain of Bradley een beetje opgepept kunnen worden, als die échte politieke thema's op tafel hadden gebracht. Dat zal nu dus niet gebeuren, terwijl de VS - ondanks de roes van de aanhoudende economische groei of misschien juist daardoor - een periode van diepgaande veranderingen doormaken die eigenlijk een groeiende interesse voor de politiek wenselijk zou maken. Die mutaties zijn zichtbaar in speerpunttechnologie en communicatie, ze worden gedragen door een demografische revolutie die tien jaar geleden al voelbaar werd: over vijftig jaar zal één Amerikaan op drie een Latino of een Aziaat zijn. De kandidaat die de meeste moderne kiezers uit dit veranderende Amerika naar de stembus weet te sturen, maakt het meeste kans de volgende president van de VS te worden. Helaas ziet het ernaar uit dat de meesten van die kiezers thuis zullen blijven.Sus van Elzen