Begeleiding van de studiekeuze is een achterhaald begrip. Tegenwoordig spreken PMS-medewerkers van schoolloopbaanbegeleiding. In de jaren zestig en zeventig betekende een studiekeuze meteen ook een beroepskeuze. Deze automatische koppeling bestaat niet meer. Vroeger begonnen acht of negen van de tien germanisten een carrière in het onderwijs. Nu nog maar twee op tien. Een diploma van een hogeschool en vooral van een universiteit wordt steeds meer bekeken als een bewijs dat je beschikt over een platform van kennis en vaardigheden. Dat platform helpt je om later opgedane kennis beter te integreren. Roger Dillemans, ererector van de KU Leuven, zegt dat de kennis om de zeven jaar verdubbelt. Het heeft dan ook niet veel zin dat het hoger onderwijs alleen instaat voor kennisoverdracht. Volgens Dillemans moeten jongeren een voorbereiding krijgen op een maatschappij die ze nog niet kennen. Wetenschappers beweren trouwens dat vermoedelijk negentig procent van de beroepen die in 2010 zullen bestaan, nu nog niet eens een naam hebben.
...

Begeleiding van de studiekeuze is een achterhaald begrip. Tegenwoordig spreken PMS-medewerkers van schoolloopbaanbegeleiding. In de jaren zestig en zeventig betekende een studiekeuze meteen ook een beroepskeuze. Deze automatische koppeling bestaat niet meer. Vroeger begonnen acht of negen van de tien germanisten een carrière in het onderwijs. Nu nog maar twee op tien. Een diploma van een hogeschool en vooral van een universiteit wordt steeds meer bekeken als een bewijs dat je beschikt over een platform van kennis en vaardigheden. Dat platform helpt je om later opgedane kennis beter te integreren. Roger Dillemans, ererector van de KU Leuven, zegt dat de kennis om de zeven jaar verdubbelt. Het heeft dan ook niet veel zin dat het hoger onderwijs alleen instaat voor kennisoverdracht. Volgens Dillemans moeten jongeren een voorbereiding krijgen op een maatschappij die ze nog niet kennen. Wetenschappers beweren trouwens dat vermoedelijk negentig procent van de beroepen die in 2010 zullen bestaan, nu nog niet eens een naam hebben. "Daarom moeten we vooral streven naar een minder schools universitair onderwijs", zegt Dillemans. "Hierbij wordt leren leren de strategie bij uitstek. Die kunnen we aanzwengelen door de jongeren allerlei technieken en vaardigheden mee te geven: denktechnieken, probleemoplossende attitudes, dat alles in een vormingsconcept met geïntegreerde informatie. Of zoals de Amerikanen zeggen: Don't teach what to think, but how to think." Intussen staan laatstejaars secundair onderwijs voor de keuze. Voortstuderen, maar wat en waar? Heeft het PMS-centrum een invloed op jongeren? Piet de Koning van het vrij PMS-centrum in Gent: "Wij creëren momenten waarop we de laatstejaars confronteren met informatie, meningen over studierichtingen, ervaringen van oud-leerlingen die bepaalde studierichtingen gekozen hebben. Zo zetten we ze aan het denken. In samenwerking met het departement Onderwijs organiseren we studie-informatiedagen of sid-in's. Zo'n impuls hebben de scholen en de laatstejaarsscholieren nodig, anders laten ze de zaken makkelijker op hun beloop. Op school, op PMS-centra en in de infotheken kunnen de jongeren allerlei informatie vinden over voortstuderen. Maar blijkbaar mist die informatiestroom zijn doel." Wat staat in uw opvatting van het keuzeproces centraal?PIET DE KONING: De jongere moet zelf kiezen en dat vereist activiteit. Hij moet er ook tijdig mee beginnen en zich niet doodkijken op oktober. Hij moet niet wachten tot iemand anders hem uiteindelijk een studiekeuze voorschotelt. Het PMS werkt in dit proces emancipatorisch en vraaggestuurd. Als iemand in zijn keuzeproces voor vragen staat, moeten we daar kunnen op inspelen. We verruimen de horizon van de leerling waardoor hij over zijn studiekeuze niet te vlug in een smalle tunnel gaat denken. We zeggen de jongere ook dat hij genoeg naar zichzelf moet leren kijken: waar heb ik belangstelling voor, waar ben ik goed in? Hij moet zichzelf ook leren inschatten op het gebied van inzet en doorzettingsvermogen. Daar heeft een jongere soms een scheef beeld over. Het is natuurlijk moeilijk om vast te leggen in welk soort beroep hij zal terechtkomen. Maar jongeren kunnen meestal al zeggen of ze, bijvoorbeeld, met mensen willen werken in de sociale sector. Of dat ze liever technische problemen willen oplossen in een industriële omgeving. Ten slotte moeten wij de kandidaat-student wijzen op competenties en vaardigheden die nodig zijn om een bepaald beroep uit te oefenen. Die moet hij afwegen tegenover zijn persoonlijke mogelijkheden. Wachten nog veel afgestudeerden secundair onderwijs tot in de grote vakantie eer ze zich eindelijk ergens in het hoger onderwijs inschrijven?DE KONING: Om die laatbeslissers op te vangen, zijn we nu ook open in de vakantie. Het eerste jaar kregen we op de infolijn tweeduizend oproepen, waarvan ruim een derde met vragen over hoger onderwijs. Daar zaten nog vragen bij om toch nog gauw een brochure over een studierichting op te sturen. Na alle mogelijke informatiesessies... Anderen stellen hun keuze almaar uit. Voor hen valt het denken op termijn niet zo makkelijk. Uiteindelijk vragen we aan scholieren om in september al na te denken over wat ze in oktober van het jaar daarop zullen doen. Hoe staat u tegenover oriëntatieproeven?DE KONING: In bijna geen enkel land kom je het hoger onderwijs binnen zonder dat je bewezen hebt dat je ook geschikt bent voor dat soort opleiding. Wij hebben een democratische, gelijke toegang voor elke vorm van hoger onderwijs. Ik zou hier en daar wel voorstander zijn van proeven die de kandidaat-student confronteren met het opleidingsniveau dat hem staat te wachten. Maar of je voor zowat alle opleidingen moet voorzien in een verplichte toelatingsproef blijft zeer de vraag. Een gevolg is natuurlijk dat het eerste jaar hoger onderwijs veelal een selectiejaar is. Ondanks alle pogingen om leerlingen te begeleiden in hun keuzeproces zitten ze soms waar ze helemaal niet hadden moeten zitten. Je zou verbaasd zijn over de smalle basis waarop ze soms hun keuze maken. Omdat een vriend het ook deed. Omdat de helft van de klas voor die richting koos enzovoort. Zijn er ook jongeren die een goede keuze maken?DE KONING: Gelukkig wel. Ik heb de indruk dat velen kiezen op grond van hun eigen interesse. Nog twee andere elementen spelen mee: een bepaald studieniveau aankunnen en het toekomstperspectief. Aan de toekomstmogelijkheden denken de ouders het meest, de jongeren het minst. Bekijken ouders het PMS-centrum niet argwanend? Het PMS, dat zijn toch degenen die tests afnemen en van iemand zeggen of hij al of niet geschikt is voor een bepaalde studierichting?DE KONING: Dat beeld leeft nog bij de ouders. Maar intussen zijn we geëvolueerd. We doen meer dan alleen aan studie- en beroepskeuzebegeleiding. Schoolloopbaanbegeleiding is het nieuwe woord. Kiezen begint eigenlijk al in de kleuterklas. De hele omgeving van de leerlingen is erbij betrokken. Het is een complex proces waarin het PMS moet samenwerken met de school en de leerkrachten. Zij zijn tenslotte degenen die geregeld contact hebben met de leerlingen. Dit vereist van de leerkrachten dat ze ook oog hebben voor niet-vakgebonden doelstellingen. Dat ze alert zijn voor wat bij jongeren leeft en waar ze belangstelling voor hebben. Dat is heel wat anders dan controleren of ze hun wiskundeles wel kennen. Voor leerkrachten is dat wennen. Het PMS is niet de allesweter in dat proces, veeleer de coach. De keuze tussen hoger onderwijs van één cyclus of twee cycli of universitair onderwijs is meer dan er een jaartje bijdoen.DE KONING: Dat is een fundamentele keuze. We moeten in onze informatieve brochures nog meer de klemtoon leggen op de eigenheid van die drie onderwijsniveaus. Het onderwijs van één cyclus is het meest praktisch gericht. In de algemene vakken is het verkennend, minder grondig en wetenschappelijk abstraherend dan het hoger onderwijs van twee cycli. Maar dan merk je dat je vaak tegen een aantal andere verwachtingen moet opboksen, namelijk de status van het diploma en de druk van de ouders. G.D.M.