Het Amazonewoud is een ongerepte wildernis waarin de mens niet goed gedijt. Hij heeft er dan ook nooit echt voet aan de grond gekregen. De bodem is er veel te onvruchtbaar voor landbouw, waardoor er in het woud alleen kleine stammen van jagers-verzamelaars kunnen overleven. Hun bestaan is zo moeilijk dat ze voortdurend conflicten uitvechten met de buren. Dat is de gangbare gedachte.
...

Het Amazonewoud is een ongerepte wildernis waarin de mens niet goed gedijt. Hij heeft er dan ook nooit echt voet aan de grond gekregen. De bodem is er veel te onvruchtbaar voor landbouw, waardoor er in het woud alleen kleine stammen van jagers-verzamelaars kunnen overleven. Hun bestaan is zo moeilijk dat ze voortdurend conflicten uitvechten met de buren. Dat is de gangbare gedachte. Maar er duiken steeds meer aanwijzingen op dat dit inzicht fundamenteel fout is. Het vakblad Science publiceerde in de zomer enkele artikels, waaruit moet blijken dat 600 jaar geleden grote lappen in het Amazonewoud op zijn minst gedeeltelijk gekapt werden om plaats te maken voor een speciale vorm van menselijke bewoning: over grote oppervlaktes uitgesmeerde stadachtige woonkernen die véél mensen onderdak boden. Het onderzoek verloopt moeizaam, omdat er bijna geen stenen te vinden zijn in het Amazonegebied. De toenmalige bewoners bouwden met zand en leem en plantaardig materiaal, waardoor er weinig restanten van de bouwsels overblijven, laat staan restanten als de enorme tempels van de Inca's die nu zoveel toeristen trekken. Maar er zijn wel degelijk discrete overblijfselen, zoals aarden dammen, nu overwoekerd door woud. Amerikaanse en Braziliaanse archeologen leggen ze bloot met de hulp van lokale indianenstammen, die in de structuren bouwsels van hun goden zien. De belangrijkste van die chefs was zelfs coauteur van een recent artikel in Science! Zo bakenden wetenschappers een enorme lap grond in het centrale Amazonegebied af, met een oppervlakte die in een commentaarstuk in Science 'zo groot als België' wordt genoemd. Verspreid over het geheel lag een vijftiental 'stadsclusters', die door een goed uitgebouwd wegencomplex met elkaar verbonden moeten zijn geweest, en die ingebed lagen in een mozaïek van kleinschalige landbouwgebieden. Zo'n gedecentraliseerde 'urbanisatie' zou perfect geweest zijn om in te spelen op de overleving in een moeilijk milieu, gedomineerd door wisselende waterstanden en een onvoorspelbaar voedselaanbod. De lokale cultuur zou minstens 50.000 mensen omvat hebben, en van de twaalfde tot de zestiende eeuw op haar hoogtepunt geweest zijn. Bosgemeenschappen zouden altijd meer verspreid hebben geleefd dan mensen in open landschap, zoals de oude Grieken en Romeinen die zich concentreerden in échte steden, en die wij graag als model voor de prehistorie gebruiken. Men neemt nu aan dat er destijds miljoenen mensen in het Amazonewoud hebben geleefd. Ze moeten vrij geavanceerd geweest zijn, want in het noorden van het Amazonegebied ontdekten reizigers in 2006 de ruïnes van wat als een astronomisch observatorium wordt omschreven, gedateerd op 'tussen 500 en 2000 jaar oud'. De vergelijking met het Britse Stonehenge is al gevallen. Elders, in het westen van de Amazone, merkten Braziliaanse wetenschappers over een afstand van meer dan 1000 kilometer een hele reeks oude landschapsstructuren op, die ook al wijzen op een intensieve vroege bewoning van de regio. Het betreft een complex van wallen en dijken die misschien al dateren van vóór onze tijdrekening, wat erop zou kunnen wijzen dat de Amazone toen op zijn minst heel wat minder dicht bebost was dan nu het geval is. De constructies zouden in een vorm van landbouw ingeschakeld geweest zijn, of misschien zelfs in een soort visvangst, waarbij vijvers in het natte seizoen vol liepen met water vol vissen, die achterbleven wanneer het water zich na het regenseizoen weer terugtrok. Dat betekent allemaal dat er lang geleden in de Amazoneregio een vrij uitgebreide mensengemeenschap moet hebben geleefd, die aan landbouw, bosbouw en visvangst deed. Men schat dat tussen 10 en 12 procent van het huidige woud ooit door mensenhanden is beïnvloed. Het idee-fixe dat de Amazone altijd weinig mensen heeft gehuisvest en héél ongerept is gebleven, is een gevolg van het trieste lot van die oude mensengemeenschappen die in het archeologisch jargon 'precolumbiaans' worden genoemd, van voor de tijd van Christoffel Columbus, de eerste ontdekkingsreiziger met naam en faam die vanuit Europa de Amerikaanse continenten bereikte. De Europeanen brachten ziektes als de pokken en de griep mee, waartegen de Amerikaanse bevolking niet was opgewassen. Ze had er geen weerstand tegen, en ze had er geen ervaring mee, waardoor verwanten de zieken bleven verzorgen, zodat ze zelf ook besmet raakten, in plaats van ze in quarantaine te zetten zoals de Europeanen toen met hún epidemieën (zoals de pest) deden. Zuid-Amerika werd vanaf het begin van de 16e eeuw geëxploreerd. In de eerste eeuw na de kolonisatie zou 90 procent van de inheemse bevolking gestorven zijn aan ziekten. Oorlog en slavernij nekten diegenen die overbleven, of dwongen hen tot een moeilijk leven diep verscholen in het woud, ver weg van de grote rivieren waarlangs de kolonisatoren bij voorkeur optrokken. Alle ervaring die de mensen hadden opgebouwd, verdween. Zo groeide het idee van een ongerept regenwoud, want de natuur liet de kans uiteraard niet liggen om wat de mens had ingenomen weer te recupereren: de verlaten nederzettingen werden overwoekerd. Inzichten over de manier waarop de mensen vroeger hun leven in het Amazonewoud organiseerden, kunnen nuttig zijn in de context van een efficiënte nieuwe kolonisatie van het woud. Nu wordt het gewoon op grote schaal gekapt, worden er verwoestende slash-and-burn ontginningstechnieken toegepast (kappen en platbranden), waarna mensen een moeizaam bestaan uit de weinig vruchtbare woudbodem trachten te puren, zonder veel succes, zodat ze na verloop van tijd gedwongen worden verder te trekken. Meer dan 15 procent van de oorspronkelijke woudoppervlakte is al verdwenen, en een substantieel deel van de rest is op een of andere manier aangetast door menselijke activiteiten. Maar het concept van de oude 'natuursteden' zou een alternatief kunnen bieden: mensen die ver genoeg uit elkaar wonen om de omgeving niet uit te putten, en die de omgeving op zo'n manier naar hun hand zetten dat ze alles wat ze nodig hebben eruit kunnen halen zonder het milieu zo te overbelasten dat ze na verloop van tijd weer verder moeten trekken. Zeker in een tijd waarin de druk op het woud almaar groter wordt, waarin almaar meer woud wordt gekapt om plaats te maken voor mens en grootschalige landbouw, kan zo'n strategie wenselijk zijn. Het wordt ook stilaan duidelijk dat onze voorouders in het woud hun omgeving toch wat bijstuurden om ze leefbaar te maken. Ze hadden in ieder geval géén aandacht voor monoculturen. Ze moeten, naast visvangst, vooral op een vorm van boomgaarden gedraaid hebben, met bomen uit het woud die ze in georganiseerde vorm aanplantten, bomen met noten en fruit die een belangrijk deel van hun voeding moeten hebben verschaft. Het moet met de weinig efficiënte werktuigen waarover ze beschikten (geen ijzer en vooral geen kettingzagen) niet makkelijk geweest zijn om grote aantallen bomen te vellen. Het was efficiënter ze in hun systeem te incorporeren. De oorspronkelijke bewoners moeten ook een vorm van bodemverbetering ontwikkeld hebben, gebaseerd op een met organische resten (blijkbaar vooral beenderen van schildpadden en vissen) aangelengde vorm van houtskool die ze in de bodem mengden, hoewel het niet duidelijk is hoe ze dat preparaat maakten. Ze moeten echter vooral in een gezonde integratie met hun milieu geleefd hebben, gekneed door meer dan 5000 jaar permanente ervaring. Dat is een héél ander verhaal dan het klassieke verhaal. Een les die eruit geleerd zou kunnen worden, is dat we het woud kunnen handhaven zonder dat we er per se elke menselijke activiteit uit moeten weren. DOOR DIRK DRAULANS