Dirk De Wolf was een zwoeger op de fiets. Met een van pijn doordrongen gezicht, holle ogen en verwrongen grimassen verlegde hij constant zijn grenzen, gehard als hij was door ontelbare uren van trainingsarbeid. De Aalstenaar was een vulkaan die elk moment kon uitbarsten. In mindere momenten kon je beter uit zijn buurt blijven.
...

Dirk De Wolf was een zwoeger op de fiets. Met een van pijn doordrongen gezicht, holle ogen en verwrongen grimassen verlegde hij constant zijn grenzen, gehard als hij was door ontelbare uren van trainingsarbeid. De Aalstenaar was een vulkaan die elk moment kon uitbarsten. In mindere momenten kon je beter uit zijn buurt blijven. De Wolf werd in 1983 prof en won meteen een rit in Parijs-Nice. Hij verbaasde achteraf op de persconferentie door een halfuur lang ononderbroken aan het woord te blijven. Niet toevallig fungeerde hij later nog een tijdje als cocommentator voor de VRT-televisie. Hoewel De Wolf nooit echt tot de absolute toppers behoorde en zich lange tijd voor anderen wegcijferde, bouwde hij een fraaie carrière op. Met de zege in Luik-Bastenaken-Luik in 1992 als absoluut kroonjuweel. Nadat hij een paar jaar als sportdirecteur van een semiprofessionele ploeg fungeerde, begeleidt hij nu zijn boezemvriend Philippe Gilbert en de jonge Greg Van Avermaet. Maar hij volgt vooral voor Silence-Lotto de klassiekers en de Ronde van Frankrijk als chauffeur van vips. Dat zal ook zondag zo zijn. Luik-Bastenaken-Luik blijft voor Dirk De Wolf een speciale wedstrijd, ook al vond hij zichzelf eigenlijk veel beter geschikt voor de Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix. Daar werd hij vaak het slachtoffer van zijn aanvalsdrift en temperament. Daardoor ook verspeelde hij in 1991 in Japan de wereldtitel: in een spurt met twee moest hij uiteindelijk onderdoen voor zijn betreurde vriend Rudy Dhaenens, nadat hij nog maar eens een hele dag in de vuurlinie had gereden. DIRK DE WOLF: Luik-Bastenaken-Luik is de eerlijkste koers die er bestaat. Je moet alleen opletten dat je niet valt. De wegen zijn zo breed dat iemand die pech heeft bijna geen tijd verliest. Als je goed rijdt, sluit je meteen weer aan. En het parcours, met al die hellingen, zorgt voor een natuurlijke selectie, er zijn voldoende mogelijkheden om aan te vallen. Met excuses hoef je nadien dan ook niet af te komen. In Luik-Bastenaken-Luik hoef je niet zozeer te kunnen klimmen: wie op die hellingen een klein verzet ronddraait, wordt meteen weggeblazen. Nee, je moet kracht hebben. Luik-Bastenaken-Luik is een overlevingsgevecht waarin de beste wint, het is een koers waarin je niet op het wiel kunt rijden. Dat is het verschil met de Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix: als je daar op een slecht moment lek rijdt, mag je het vergeten, hoe goed de conditie ook is. DE WOLF: Ik stond 's morgens op, keek door het raam en zag dat het sneeuwde. Toen wist ik dat ik heel ver zou komen. Hoe slechter het weer, des te beter ik me voelde. Dat heeft te maken met mijn gestel. Ik reed dat jaar voor de Italiaanse Gatorade-ploeg, ik was daar heel graag, ook omdat ze daar beseften dat een goede organisatie het rendement van de renners ten goede kwam. In België bespaarden ze toen vaak op futiliteiten, zonder te beseften dat ze zo het moreel van een renner ondermijnden. Daar stond tegenover dat je het bij Gatorade tijdens de klassiekers vaak alleen moest zien te klaren. Want die Italianen spraken alleen over de Giro, alleen dan moesten ze er staan. Dat was dat jaar in Luik-Bastenaken-Luik niet anders. Sterker zelfs: toen ik ging ontbijten, zaten ze er allemaal als geslagen honden bij. Door het weer waren ze compleet gedemoraliseerd. Op 100 kilometer van het einde stond ik er alleen voor. Gianni Bugno, de kopman, was de laatste die ik in mijn buurt zag. Maar dat is niet erg: in Luik-Bastenaken-Luik speelt ploegtactiek geen enkele rol. Je kunt als eenzaat in een kopgroep zitten met vier renners van dezelfde ploeg, en toch nog winnen. Omdat er genoeg mogelijkheden zijn om aan te vallen. Eigenlijk breng je het wielrennen in deze koers terug tot zijn essentie: zó hard stampen tot iedereen in je wiel sterft. Dat was me op het lijf geschreven. In feite kun je in die koers ook geen fouten maken, dat is in andere wedstrijden wel zo. Ik herinner me een Parijs-Roubaix waarin ik op 60 kilometer van het einde de wedstrijd openbrak. We raakten met zes man voorop, ik beukte, uiteindelijk bleef alleen Jean-Marie Wampers in mijn wiel. Op de wielerbaan liet ik me de leiding opdringen en ik werd tweede. Ook dat hoorde bij mij: ik kon me niet verstoppen en het een beetje leep spelen. DE WOLF: Absoluut. Het beste is dat je vooraf de Ronde van het Baskenland rijdt en zeker ook de Waalse Pijl. En dat je die hellingen gaan verkennen, om dat gevoel in je benen te krijgen. Dat deden we, ik zat geen dag stil. Maar ik kom natuurlijk uit een periode waarin je leven bestond uit trainen en koersen. Er werd niet gepiekt, er werd niet doelgericht getraind, we hadden nauwelijks tijd om te herstellen. Wij reden 130 wedstrijden per jaar. Nu zijn dat er hooguit nog 70. Ik trainde soms tot 300 kilometer per dag. Nooit stelde ik me daar vragen bij. Je rijdt Gent-Wevelgem, een koers van 250 kilometer, en dan nog 100 kilometer met de fiets naar huis. Vaak in slecht weer. Dat was nodig: de meeste voorjaarswedstrijden worden bij slecht weer gereden. Dus moet je daartegen gewapend zijn. DE WOLF: Iemand als Philippe Gilbert is geknipt om ooit deze koers te winnen. Je zag in de Omloop Het Volk dat hij dit jaar een grote progressie heeft geboekt: op 50 kilometer van de aankomst heel alleen op zoek gaan naar de koplopers en dan iedereen achter zich laten. Maar voor Luik-Bastenaken-Luik is hij voorlopig nog niet sterk genoeg, hij mist nog kracht om in de laatste vijftien kilometer te overleven. Dat geldt ook voor Maxime Montfort. Je moet renners de kans geven om te groeien, je moet ze begeleiden. Dat doe ik met Philippe Gilbert en met Greg Van Avermaet, twee renners die nog in de amateurploeg reden die ik destijds leidde. Ik ben vijf jaar geleden met die job gestopt omdat we het geld niet hadden om een degelijk internationaal programma af te werken. Dat kost ongeveer 500.000 euro per jaar. Terwijl buitenlandse wedstrijden natuurlijk noodzakelijk zijn. DE WOLF: Met de belangrijkste sponsors. Dat valt goed mee. Maar je moet het graag doen, en je moet er toch een beetje een babbel voor hebben. Ik vind het leuk: het ontbijt voor de koers, de specifieke sfeer in de wedstrijden, van het ene punt in het parcours naar het andere rijden. Maar misschien moet ik volgend jaar toch iets verder proberen te gaan. Met de begeleiding van renners, bijvoorbeeld. DE WOLF: Ik denk dat ik dat goed kan: luisteren, praten, motiveren, afremmen. Ik probeer in onze ploeg Van Avermaet een beetje te sturen, een echt supertalent. Die heeft zo'n grote motor, eigenlijk is hij een iets verbeterde uitgave van Tom Boonen. Waarmee ik niet wil zeggen dat hij een Boonen zal worden. Maar hij heeft het allemaal: snelheid, aanvalsdrift, kracht, uithouding, gezondheid, goede bloedwaarden. Als Van Avermaet geen tegenslag heeft, staat hij binnen de twee jaar aan de top. Hij moet alleen nog kiezen tussen sommige wedstrijden. De Ronde van Vlaanderen, Gent-Wevelgem en Parijs-Roubaix in dezelfde week afwerken, dat is te veel. Je mag niet overhaasten. Kijk naar Stijn Devolder, die is nu 29 en op zijn sterkst. Vroeger zeiden ze dikwijls: Devolder koerst niet zo slim, hij rijdt te vaak tegen een muur. Maar dat soort renners moet je juist koesteren. Devolder is een renner die in elke koers die binnen zijn mogelijkheden ligt zijn kans moet kunnen gaan. Alleen is dat natuurlijk niet zo gemakkelijk in een sterk team als Quick. Step. In die zin vind ik het verrassend dat hij voor die ploeg koos. Tegelijk: als hij niet voor Quick. Step rijdt, wint hij misschien de Ronde van Vlaanderen niet. Als je zag hoe Boonen hem beschermde... Ik vond het toch knap, dat Tom deed wat zoveel anderen voordien al voor hem hadden gedaan. In Parijs-Roubaix waren de rollen omgedraaid. Trouwens, ik zie de toekomst van de Belgische wielersport heel rooskleurig in. Zeker met de manier waarop er nu wordt gereden. DE WOLF: Door de strijd tegen doping op te voeren, wordt er anders gekoerst. Dat is toch heel duidelijk. Iedereen zat vroeger met de nodige vragen, bijvoorbeeld over die Spanjaarden die in de Vuelta met 40 kilometer per uur een berg op vlamden, terwijl ze in de Tour werden gelost. Je ziet dat renners nog twee, misschien drie keer kunnen demarreren, maar geen zes keer meer. Er zijn nu limieten. De verscherpte controles zijn voor veel Belgische jongeren een zegen. Dat zal ons in de toekomst toppers opleveren, daar twijfel ik echt niet aan. Want ze kunnen nu met gelijke middelen strijden. En dat was een jaar of vier geleden niet het geval. Het wielrennen is geloofwaardiger geworden. Volgens mij is 95 procent van de Belgische renners clean. En als ik zie in welke omstandigheden ze hun vak kunnen uitoefenen, dan vind ik het jammer dat ik in een andere periode koerste. DE WOLF: Ongetwijfeld. Al had ik over een gebrek aan begeleiding eigenlijk niet te klagen: Roger De Vlaeminck hield zich met mij bezig, ik heb veel van hem geleerd. En vooral: De Vlaeminck deed me in mezelf geloven, en maakte me duidelijk dat ik me te gemakkelijk opofferde voor anderen. En hij was altijd eerlijk in zijn beoordelingen. Volgens mij is het absoluut noodzakelijk dat je zelf gekoerst hebt om wielrenners te begeleiden. Ik heb het niet zo begrepen op al die geschoolde trainers die met wetenschappelijke methodes zwaaien. Omdat ze een bepaald gevoel missen, omdat ze zich nooit in de huid van een renner kunnen verplaatsen. Dat leidt vaak tot een monotone aanpak. Trainingen moet je interessant en speels maken. En eigenlijk is het prachtig dat je nu naar specifieke doelen kunt toewerken, terwijl wij van de ene koers naar de andere leefden, van februari tot oktober. En zonder goed materieel, want dat frappeert me nog het meest: dat iedere renner vijf fietsen heeft. In mijn tijd had je er maar één. Alleen de kopmannen kregen een tweede fiets, die tijdens de grote wedstrijden op de wagen stond. En dan praat ik nog niet over de manier waarop de fietsen nu worden gemaakt. Als je ziet dat Eddy Merckx nog het werelduurrecord verbrak op een fiets van ijzer. Als je nagaat hoeveel kou wij leden - zo'n regenjasje, dat was net een serre . Nu hebben ze kledij uit de wereld van de duiksport en zijn ze echt beschermd. Het waren andere tijden. En een andere generatie. Roger De Vlaeminck won ooit 32 koersen op een seizoen en mocht niet mee naar het wereldkampioenschap. Kun je je dat nu voorstellen? Als een renner vandaag na een solorit van 30 kilometer wint, vergelijken ze hem al met Eddy Merckx, zoals Philippe Gilbert in de Omloop Het Volk. Merckxiaans, werd er hier en daar gezegd. Dan wordt er toch een en ander vergeten. Merckx ging in Luik-Bastenaken-Luik eens op 100 kilometer van het einde in de aanval en won met acht minuten voorsprong. DE WOLF: Toch wordt het een interessante wedstrijd. Waarin Silence-Lotto met Cadel Evans zeker niet kansloos is. Ook Evans is een stuk sterker geworden. DE WOLF: Nu Astana niet mag starten, krijgt hij daar een grote kans. Want met Alberto Contador is de belangrijkste concurrent weggevallen. Dat vind ik spijtig, je onthoofdt zo de koers. Terwijl Astana veel geld pompt in interne dopingcontroles; ik kan het allemaal niet goed volgen. Ik denk dat Tourorganisator ASO zich wil wreken op Johan Bruyneel omdat hij zeven of acht jaar lang de Ronde van Frankrijk lam heeft gelegd. Het is tekenend voor de macht van de organisatoren. Vroeger was de UCI, de internationale wielerunie, een standbeeld, een blok waar niemand aan durfde te raken. DE WOLF: Dat is zo, hij zal moeten bewijzen dat hij dat kan. In principe hebben we met Yaroslav Popovych een renner aangetrokken die hem goed moet kunnen helpen. Die heeft talent maar het komt er te weinig uit. Ik denk dat hij zichzelf de eerste twee jaar een beetje heeft opgeblazen. Bij de beloften werd hij een nieuwe Eddy Merckx genoemd, ik heb hem Parijs-Roubaix zien winnen met drie en een halve minuut voorsprong. DE WOLF: Ik leef niet in het verleden. Maar ik ken natuurlijk alle hellingen, het parcours is in grote lijnen hetzelfde gebleven - toen ik won, was dat het eerste jaar dat ze de aankomst van Luik naar Ans hadden verlegd. Wat ik vooral merk, is dat sommige renners er na Luik-Bastenaken-Luik even de riem afleggen. Terwijl het in mijn tijd maar doorging. Ik heb dat seizoen nog de Giro, de Ronde van Zwitserland en de Tour gereden. En wij vonden dat normaal. Ik ging tijdens het seizoen elke avond om negen uur slapen. Mensen kijken raar op als je dat vertelt, terwijl de reden heel simpel was: ik ging zo vroeg slapen omdat ik doodmoe was van het trainen. DOOR JACQUES SYS