Klonen blijft wereldnieuws. Zeker als er mensen gekloond worden. Ons land stapte in de race om de techniek zo snel mogelijk écht in de vingers te krijgen. De ploeg rond Josiane Van der Elst van het Laboratorium voor In-Vitro Fertilisatie (IVF) aan de Universiteit Gent maakte in het begin van de zomer bekend dat ze erin geslaagd was menselijke embryo's vanaf onrijpe eicellen te klonen.
...

Klonen blijft wereldnieuws. Zeker als er mensen gekloond worden. Ons land stapte in de race om de techniek zo snel mogelijk écht in de vingers te krijgen. De ploeg rond Josiane Van der Elst van het Laboratorium voor In-Vitro Fertilisatie (IVF) aan de Universiteit Gent maakte in het begin van de zomer bekend dat ze erin geslaagd was menselijke embryo's vanaf onrijpe eicellen te klonen. Menselijke embryo's klonen was geen primeur - dat was in Zuid-Korea al gebeurd. Ook onrijpe eicellen laten uitrijpen was al gedaan. Maar de twee combineren was nieuw. De ultieme bedoeling van het werk is niet om mensen te dupliceren, wel om uit de klonen stamcellen te puren waarmee geslachtscellen gemaakt kunnen worden. Zo kunnen mensen zonder zaad- of eicellen toch een eigen kind krijgen. JOSIANE VAN DER ELST: Onrijpe eicellen zijn een bijproduct van ivf. Tien tot 15 procent van de eitjes die worden opgepikt, zijn onrijp. Die gaan meestal verloren, omdat ze niet bruikbaar zijn. Maar bij klonen is een van de pijnpunten net een tekort aan eicellen, en daarom dachten wij: laten we het eens proberen met onrijpe cellen. We laten die eitjes in een speciaal medium gedurende meer dan 40 uur uitrijpen, dan halen we de kern eruit en plaatsen we er de kern van een lichaamscel in. Vervolgens starten we het geheel op en zien we of er een embryo van komt. VAN DER ELST: We gebruiken cumuluscellen: voedingscellen van eicellen, maar van een andere vrouw dan die van het eitje. Dat was een gemakkelijkheidsoplossing, want die cellen pikken we sowieso mee op met de eitjes. VAN DER ELST: Ja, maar het kan ook met mannen hoor, zoals de Koreanen hebben aangetoond. En met andere lichaamscellen, zoals fibroblasten uit een cultuur van huidcellen. VAN DER ELST: Ze zijn gestopt met groeien net voor de vijfde dag, voor ze een blastocyst vormen: een holle bol gevuld met vloeistof en daarin een celklompje. Dat was een tegenvaller, want er komen pas stamcellen in dat celklompje vanaf de blastocystfase. De Koreanen hebben al wel stamcellen kunnen verzamelen, zelfs vertrekkend van huidcellen van een zieke patiënt. Wij zijn nog niet zo ver geraakt omdat we met gecompromitteerd materiaal starten: onrijpe eicellen hebben een lagere doordelingskracht. We hadden ook niet verwacht onmiddellijk succes te hebben. Wij werken maar met drie mensen aan onze proeven, in Korea zijn ze met driehonderd. VAN DER ELST: We zijn met 61 eicellen vertrokken en hebben vijf embryo's verkregen. VAN DER ELST: Omdat we ervan uitgaan dat we in Vlaanderen niet genoeg vruchtbare vrouwen zullen vinden die bereid zijn een stimulatie te ondergaan en eicellen af te staan voor wetenschappelijk onderzoek. VAN DER ELST: Nee. Wij werken in het laboratorium vooral met onvruchtbare vrouwen. VAN DER ELST: Tja, er zit voor de vrouwen in ons land in ieder geval niet veel meer in dan aandacht en het gevoel mee te werken met de wetenschap. In de wet op onderzoek van embryo's staat duidelijk dat er geen financiële tegemoetkoming mag zijn voor het afstaan van eicellen. VAN DER ELST: Dat is een cruciale fase in de overgang naar het blastocyststadium die wij compactie noemen. De cellen zijn dan niet goed meer van elkaar te onderscheiden, gaan aan elkaar klitten, en vervolgens komt er een differentiatie tussen een binnenste en een buitenste cellaag. De buitenste cellen, die later de placenta vormen, pompen vocht tussen beide lagen, en er ontstaat een soort gewelf. Het celklompje binnenin vormt de eigenlijke foetus, waarin ook de stamcellen groeien. Daar zijn we dus nog niet geraakt. VAN DER ELST: Dat proberen we. We kijken hoe we de eicellen beter kunnen laten rijpen, of er cellen zijn die gemakkelijker te manipuleren zijn dan andere, hoe we onze technieken kunnen verbeteren. Het schijnt belangrijk te zijn de eicel te gebruiken één of twee uur nadat ze gerijpt is, maar soms is dat praktisch onmogelijk, omdat we eerst de behandeling van het onvruchtbare koppel moeten afwerken. VAN DER ELST: Absoluut. Ik heb al verhalen gehoord dat ik in deze branche ben gestapt omdat ik zelf geen kinderen heb, maar dat is het niet. Mijn basismotivatie is onderzoeken wat er in een cel gebeurt, antwoorden zoeken op de vragen naar wat het leven is en wat de dood. Ik ben begonnen in het kankeronderzoek, waar ik de eindfase van de normale cel bestudeerde, en vervolgens heb ik de stap naar de embryologie gezet, naar de beginfase. Beide liggen trouwens niet zo ver uit elkaar, want in de twee gevallen zijn er problemen van differentiatie en dedifferentiatie aan de orde, van specialiseren en ontspecialiseren van cellen. VAN DER ELST: Het is een andere manier van leven creëren. We kijken hoe ver we een cel kunnen drijven. In plaats van een zaadcel gebruiken we een gewone cel voor een soort pseudobevruchting. We reproduceren zo een bestaand iemand in embryonale vorm, en daarmee zoeken we een oplossing voor onvruchtbare paren. VAN DER ELST: Voor de mensen die ermee geconfronteerd worden wel. Je wordt er natuurlijk niet ziek van. Je zou het ook kunnen omschrijven als een biologische variatie. VAN DER ELST: Inderdaad, als er een genetische grondslag is. Ik zeg soms ironisch: we geven ons werk door aan de volgende generaties. Voor een man zonder zaadcellen moeten we soms héél ver gaan om een celletje te vinden. We maken een sneetje in de teelbal en halen daar wat weefsel uit, waarin we naar een onrijpe zaadcel gaan zoeken. Het valt me trouwens op hoe huiverig mannen tegenover die ingreep staan. Vrouwen laten zich zonder veel vragen gewillig puncteren om eitjes op te pikken, maar bij mannen is zelfs het kleinste sneetje vaak een drama. VAN DER ELST: Ik zou het zelf zeker niet laten doen. Mijn voornaamste motivatie is ook puur wetenschappelijk onderzoek. VAN DER ELST: Ik heb daar vele redenen voor, maar de voornaamste is dat het mij nooit echt heeft aangesproken. Ik vind het concept van virtuele kinderen - in mijn familie of op het laboratorium - voldoende. Ik heb nooit echt geprobeerd om zelf kinderen te krijgen, ik weet zelfs niet of ik eventueel onvruchtbaar ben. Maar ik kan me probleemloos neerleggen bij het zonder kinderen door het leven gaan. Ik heb natuurlijk de keuze, en voor mensen die de keuze niet hebben ligt het dikwijls moeilijker. VAN DER ELST: Nee, maar ik zou er geen problemen mee hebben. Maar ik ben nu ongetwijfeld te oud om nog bruikbare eicellen te produceren. VAN DER ELST: O ja, zeker, dat past perfect in het stamcellenverhaal, in het uitstellen van de menopauze. Men gaat er altijd van uit dat stamcellen alleen in het embryo en het bloed te vinden zijn, maar in ieder orgaan zitten stamcellen. Twee jaar geleden toonde een Amerikaanse onderzoeksgroep zelfs aan dat er in eierstokken stamcellen zitten, hoewel de gangbare gedachte was dat de voorraad eitjes van een vrouw nooit aangevuld werd. Dat blijkt dus wel het geval te zijn. VAN DER ELST: Dat is een mysterie. Een foetus produceert miljoenen eicellen, en daar schieten er bij de geboorte nog een miljoen van over. Misschien zijn die een soort buffer tegen alles wat er mis kan lopen. Stel dat een meisje bij de geboorte maar een paar honderd eitjes zou hebben. Dan is de kans groot dat ze er na een ziekte geen meer overhoudt. Bij de eerste menstruatie heeft een vrouw nog een half miljoen eitjes, maar ze blijven verdwijnen, en er worden er uiteindelijk slechts vier- tot vijfhonderd gebruikt. De menopauze begint als de eicellen op zijn. Bij sommige vrouwen is dat al op hun twintigste. VAN DER ELST: Dat kan. Want bij ivf is de eierstok hormonaal zo gestimuleerd dat alle eitjes in principe rijp zouden moeten zijn. VAN DER ELST: Het is mijn gevoel dat er alleen eitjes bijgemaakt worden als er te veel verdwijnen. Dat die stamcellen als een soort back-up dienen. VAN DER ELST: Ongetwijfeld. De eierstok en de eicellen produceren de hormonen die een vrouw nodig heeft om er als vrouw uit te zien en als vrouw te functioneren. Als er geen oestrogenen meer komen, worden bijvoorbeeld de beenderen broos, zoals na de menopauze het geval is. VAN DER ELST: De bedoeling is dat die uitmonden in een nieuwe geneeskunde. In plaats van zieken te genezen met een medicament zouden we met stamcellen een weefsel gaan herstellen. Wij zullen connecties trachten te maken met andere laboratoria, bijvoorbeeld uit de neurologie of de cardiologie. VAN DER ELST: Wij kunnen als leverancier fungeren van het startmateriaal, hoewel we natuurlijk zelf ook onderzoek gaan doen, naar de mechanismen die stamcellen in de richting van hun functie sturen. Neurologen kunnen zenuwcellen nodig hebben, cardiologen hartspiercellen. Voor ons, in de onvruchtbaarheidssector, is de vraag: kunnen we uit stamcellen ei- en zaadcellen maken? VAN DER ELST: Dat wordt héél ingewikkeld. Maar we kunnen nu wel tegen een man of een vrouw zonder geslachtscellen zeggen: we maken een kloon, halen daar stamcellen uit en die laten we differentiëren tot geslachtscellen voor uzelf. Je hebt natuurlijk wel altijd een donoreicel nodig om tot een embryo te komen. Je gaat dan via de omweg van ongeslachtelijke terug naar geslachtelijke voortplanting. VAN DER ELST: Ja, dat is de nieuwste evolutie. Twee jaar geleden zijn er ei- en zaadcellen van muizen gemaakt. Nu zijn we al aan mensen toe. Men is erin geslaagd om vanaf menselijke stamcellen voorlopers van kiemcellen te maken - dat zijn zelf de voorlopers van geslachtscellen. Deze techniek gaat een tegenhanger worden voor het reproductief klonen, waarbij men gewoon een kopie van een bestaande mens maakt. Met de nieuwe methode gaan we zover komen dat we van iedereen geslachtscellen kunnen maken, zodat reproductief klonen niet meer nodig is. VAN DER ELST: Dat is een ander verhaal. Bij de voortplanting is het zo dat er voor bepaalde kenmerken alleen genen van de vader gebruikt worden, en voor andere uitsluitend genen van de moeder. Twee vrouwelijke of twee mannelijke cellen samen zou niet gaan. Een dubbele vrouwelijke combinatie geeft een abnormale ontwikkeling van het embryo, en een dubbele mannelijke combinatie leidt tot een woekerende placenta. Toch is een Japanse groep erin geslaagd een muizenembryo te maken uit de bevruchting van twee vrouwelijke kernen, waarvan ze er eentje door middel van een speciale genexpressie een vaderlijk tintje gegeven had. Het muisje was normaal en kon zich voortplanten. Dus als je erin zou slagen bij lesbiennes één cel wat te vermannelijken, zou dat ook bij mensen kunnen. De volgende uitdaging is het met twee mannelijke kernen te proberen. VAN DER ELST: Uiteraard. VAN DER ELST: Nee hoor, daar wordt aan gewerkt, vooral in Azië, waar veel mogelijk is en waar de overheid dit soort werk sterk steunt. Het moet mogelijk zijn om met stamcellen een artificiële uterus te maken, eerst een soort staketsel te bouwen waaromheen dan weefsel wordt gelegd. Er zijn al oren gemaakt met stamcellen - die zien er heel normaal uit. Weefselengineering is een wetenschap voor de toekomst, met uit stamcellen gepuurde cellen die door een soort biochemische positiebepaling hun juiste plaats in een orgaan gaan innemen. VAN DER ELST: Dat lijkt me een utopie. Véél te ingewikkeld om te sturen. VAN DER ELST: Nee, ik heb ze nooit geloofd, en het is nu wel duidelijk dat ze bluften. Er zijn op congressen al diverse vragen over hun cijfers gesteld, maar er is nooit een antwoord gekomen. Ze trokken ook altijd naar obscure landen, terwijl de wet in België of het Verenigd Koninkrijk reproductief klonen op dat ogenblik niet verbood. Ze hadden dus gewoon naar hier kunnen komen. VAN DER ELST: Vreemd genoeg niet. De wet op onderzoek op embryo's van mei 2003 laat toe dat we embryo's voor onderzoek maken, dus ook dat we ze klonen. Wij hebben voor onze experimenten toestemming van ons ethisch comité. In de toekomst zal er ook toestemming moeten zijn van een federale commissie, maar die is nog altijd niet opgericht. We wachten nu tot die er is om verder te gaan. VAN DER ELST: De wetenschappelijke consensus onder embryologen is: na veertien dagen, als de laag van de neurale buis in een embryo zichtbaar wordt, het begin van het zenuwstelsel. Dat is ook de termijn voor het houden van een embryo in vitro, omdat dan de eerste zenuwprikkels zouden kunnen ontstaan. Maar wie herinnert zich nog iets van toen hij een veertien dagen oud embryo was? VAN DER ELST: Dat klopt, dan is er blijkbaar nog geen opslagcapaciteit in de hersenen, en liggen de elektrische leidingen nog niet goed. Maar er is geen sprake van dat iemand dit soort experimenten op kinderen zou doen. Geen enkel ethisch comité zou dat goedkeuren, en terecht. VAN DER ELST: Nog niet. Ik weet dat er in Vlaanderen een stamcelcircuit op gang gaat komen, zeker nu de bekende stamcelonderzoekster Catherine Verfaillie uit de Verenigde Staten terug naar België komt. Ik vind ook dat die samenwerking er moet komen, zowel voor volwassen als voor embryonale stamcellen, want als iedereen in zijn eigen hoekje hetzelfde gaat proberen, gaan we veel geld weggooien. Ik ga er in ieder geval voor ijveren om zo'n samenwerking mee op gang te trekken. Als we in de wereld iets willen betekenen, moeten we dat doen. Anders bloeden we allemaal dood. VAN DER ELST: Het is een groot misverstand dat stamcellen alles zullen oplossen. Hoe gaan we stamcellen in een lichaam brengen? Waar zullen ze naartoe gaan? We weten nog zo weinig. Bij ratten is vastgesteld dat in het bloed ingespoten stamcellen de gevolgen van een hartaanval kunnen herstellen. Als ze goed terechtkomen, is er geen probleem. Maar wat als ze ergens beginnen te woekeren waar ze niet thuishoren? Er is al gezien dat stamcellen tumoren vormen. We zitten dus nog een eind van de klinische stap van stamcelonderzoek. VAN DER ELST: Ik schat tien tot vijftien jaar. VAN DER ELST: Dat klopt. In het begin zeiden we: vijf jaar, nu zitten we al aan meer dan het dubbele, en misschien zal het nog langer duren. Met gentherapie was dat ook zo, eerst was er de hype en dan doken ineens de ongewenste neveneffecten op. Dat kan met stamcellen eveneens het geval zijn. We moeten eerst in celculturen goed gaan kijken wat de cellen doen, en zien of we ze op weg kunnen zetten om, bijvoorbeeld, zenuwcellen te vormen. Dan moeten we zien hoe we ze naar het ruggenmerg of de hersenen kunnen sturen. VAN DER ELST: Ja, en met homing-factoren om ze in de juiste richting te sturen. De stamcel moet weten: mijn sleutel past alleen in een slot dat in het ruggenmerg zit. Maar om dat allemaal behoorlijk te laten werken... Ik word sceptischer naarmate we meer over die cel- systemen leren. VAN DER ELST: Doping ligt niet zo ver van mijn bed, hoor, want het dopingproduct epo is een factor die stamcellen activeert. Epo zet stamcellen in het bloed aan om te delen en nieuwe rode bloedcellen te vormen. Zo kwam ik in dat debat terecht. Ik twijfel er overigens niet aan dat epo al achterhaald is, dat de sportwereld al in het verhaal van de genetische doping zit. VAN DER ELST: Natuurlijk, tenzij al de anderen veel blijven nemen. VAN DER ELST: Niet noodzakelijk, want de media en de kijkers willen altijd meer. Een rit met zes cols, dat kan niet zonder stimulerende middelen, dan stappen de renners halverwege afgepeigerd af. Het is altijd zwaarder geworden, en ook sneller, want de koers moest integraal op de televisie kunnen. Het is dus niet fair om alleen de renners in dit verhaal met de vinger te wijzen. VAN DER ELST: Kanker fascineerde mij omdat daar ongecontroleerde celgroei bij komt kijken. Een embryo heeft dat ook. Een embryo vreet zich de eerste dagen van zijn bestaan letterlijk in het slijmvlies van de baarmoederwand, net zoals kanker dat doet. Maar een embryo stopt, en een kankergezwel gaat door. Kanker is ook een cel die dedifferentieert, die zijn specialisaties verliest en echt op een stamcel begint te lijken. En een van de belangrijkste eigenschappen van stamcellen is ongecontroleerde proliferatie, zoals kankercellen. VAN DER ELST: Ja, die vergeet in welk weefsel ze zit en begint ongecontroleerd haar goesting te doen, en zelfs op stap te gaan, een heel lichaam te overwoekeren, zoals een klimop. VAN DER ELST: Ik hoop het. Ik vind het erg dat ik zal doodgaan. Niet om het fysieke verdwijnen, wel omdat ik dan niet meer ga weten wat we nog allemaal zullen ontdekken, of we het heelal zullen koloniseren. Ik zou daar graag bij zijn. VAN DER ELST: Waarschijnlijk wel. Er is een ganse wetenschap aan de gang rond verjonging, en daar komen weer stamcellen bij kijken. Als je weefsels kunt dwingen in de richting van het almaar vernieuwen van cellen, zowel cellulair als immunologisch, kunnen we misschien de onsterfelijkheid benaderen. Maar dat moet dan wel voor elk stuk van het lichaam kunnen. VAN DER ELST: Verjonging heeft de mensen altijd beziggehouden. Nu gaan we misschien een doorbraak forceren, omdat we het wetenschappelijk kunnen benaderen, omdat we weefsels zullen kunnen herstellen. Dieren die lager in de evolutie staan, zoals amfibieën, hebben een sterk regeneratievermogen. Als die een poot verliezen, groeit hij probleemloos weer aan. Wij zijn dat vermogen in de loop van de evolutie kwijtgeraakt. VAN DER ELST: Omdat we te ingewikkeld geworden zijn, te sterk gespecialiseerd. Cellen hebben een soort geheugen, maar dat is niet onbegrensd. Toch zouden we er misschien in kunnen slagen om dat bij de mens opnieuw te activeren. Niets zegt dat wij die capaciteit definitief verloren hebben. Door Dirk Draulans en Joël De Ceulaer