Van wie is deze uitspraak: "In de sport gaat het alleen nog om geld, om veel te veel geld. Ik vind dat de andere waarden, ethische en sociale, weer hun plaats moeten krijgen in de sportwereld."
...

Van wie is deze uitspraak: "In de sport gaat het alleen nog om geld, om veel te veel geld. Ik vind dat de andere waarden, ethische en sociale, weer hun plaats moeten krijgen in de sportwereld." Van Etienne Davignon! Voorzitter van de Generale. De maatschappij die het geld omzeggens heeft uitgevonden. Als het om geld gaat, zijn er weinig mensen die meer recht van spreken hebben dan burggraaf Davignon. Sinds eind vorig jaar toegetreden tot de raad van bestuur van Sporting Anderlecht. Davignon heeft gelijk, maar hij zal door een zure appel heen moeten bijten tijdens deze Coupe du Monde. Want als het in Frankrijk om één ding draait, dan wel om geld. Dat het voetbal primeert, klinkt mooi in een officieel discours, maar stemt niet overeen met de feiten. Om het geld zijn voor het eerst 32 landen aanwezig op de eindronde. Dat leidt ons naar een eindeloze reeks wedstrijden in de eerste ronde, waarvan de aanvangsuren zo gespreid zijn dat ze zo goed als allemaal integraal en rechtstreeks op zoveel mogelijk tv-stations kunnen worden uitgezonden. Geen mens kan zo naïef zijn te geloven dat men hiermee de voetballiefhebber een plezier wil doen. Wie wel met deze overvloed in de wolken is, zijn sponsors, adverteerders en mediaconcerns. Om die waar voor hun riante investering te geven, heeft het Comité Français d'Organisation (CFO) op geen Franse frank gekeken. Frankrijk moet zich een maand lang zo ideaal mogelijk aan de wereld presenteren. Stakingsacties bij spoor-, lucht- en wegvervoerders dreigen in extremis behoorlijk wat roet in het eten te strooien, maar tegen dat soort chantage staat elke organisatie machteloos. Aan de voorbereiding van het CFO heeft het niet gelegen. En net als in 1984, toen Frankrijk het Europees landenkampioenschap organiseerde en ook won, steekt vooral de nieuwe of vernieuwde stadioninfrastructuur de ogen uit. Zeker van ons, Belgen, die het spookbeeld van de Bosuil door onze gedachten zien dansen. La Coupe du Monde is op zichzelf al een van de grootste Franse prestigeprojecten van de eeuw; binnen dat geheel is het splinternieuwe Stade de France in Parijs-Saint-Denis, het kroonjuweel. Een stadion met een woelige voorgeschiedenis, en ongetwijfeld ook een woelige toekomst. Voor de Fransen is het een nieuwe Eiffeltoren. Lees dit maar eens: "Alleen maar ernaartoe gaan. Op een avond, want de betovering is 's nachts het grootst. Het van de zuidelijke kant besluipen, met de rug naar Parijs gekeerd. De occulte sfeer opsnuiven, van het nog ongerepte terrein, tussen de bruggen en de vanuit de verte oprukkende kantoortorens. Een blik naar rechts op het kanaal Saint-Denis werpen, en je dan volop overgeven aan het Stade de France. Eindelijk. Tien minuutjes stilstaan, de ogen wijd open gesperd voor dit grandioze kunstwerk, dat oprijst als een gigantisch ruimteschip. Er alleen maar omheen wandelen, langs de loketten stappen, over het voorplein, tot aan de centrale inkomhall met haar kaarsrechte luifels. Het hoofd even achterover houden, de ogen laten glijden over de spanten van het dak. Duizelingwekkend, monumentaal. Over het terras schrijden. Naar beneden wandelen, tot aan de rand van de zachte kortgeknipte grasmat, een onberispelijke groene vlakte, omsloten door een Grand Canyon van tachtigduizend zitjes. Of naar boven klimmen, via de betonnen trappen naar de hoogste rijen. En dan... dan zin hebben om door het ellipsvormige zwevende dak heen een ster te plukken." Potgieter uit de doden opgestaan? Nee, l'Equipe Magazine naar aanleiding van de officiële inhuldigingswedstrijd van het Stade de France, eind januari van dit jaar tegen Spanje. Les Bleus wonnen met 1-0. HET STADION VAN LE CORBUSIERHet Stade de France is, zoals elk groot stadion, adembenemend. En des te meer nog op dagen waarop er niet gevoetbald wordt. Want dan wordt de toevallige bezoeker geconfronteerd met een immense omwalde leegte, gelijk aan het leven zelf. Mensen die bij het begrip stadion denken aan het Veltwijckpark of de Freethiel, vragen zich af hoe men in vredesnaam een mastodont als het Stade de France gefinancierd krijgt. Maar in Frankrijk is zoiets een staatszaak. Dat was het ook al zestig jaar geleden, toen Frankrijk de derde wereldbeker mocht organiseren. De eerste editie had in 1930 in Uruguay plaats, de tweede vier jaar later in Italië. Voor de derde, in '38, had ook Argentinië zich kandidaat gesteld. De Argentijnen eisten dat afwisselend op het Europese en het Amerikaanse continent georganiseerd zou worden. Maar Fifavoorzitter Jules Rimet, de man die tien jaar voordien met het idee van de wereldbeker op de proppen was gekomen, was een Fransman, en dat zijn zo van die argumenten die de doorslag kunnen geven. Frankrijk kreeg dus de eindronde toegewezen. De Franse voetbalbond FFF wenste vooral niet onder te doen voor de monumentale pracht van het Reichssportfeld van Berlijn, waar Hitler-Duitsland in 1936 de Olympische Spelen onderbracht. En zo werd voor het eerst het idee geboren van een nieuw Stade de France, met honderdduizend plaatsen. Een van de kandidaat-architecten was Charles Jeanneret, beter bekend als Le Corbusier. Hij tekende een plan voor een futuristisch multifunctioneel stadion, voorzien van allerlei moderne snufjes. Sommige daarvan zouden pas vijftig jaar later, elders, worden gerealiseerd. Maar de Franse regering, die in 1937 ook al de wereldtentoonstelling moest op- en ontvangen, zag het anders. "Wij willen geen honderdduizend toeschouwers voor tweeëntwintig sporters. Wij willen tweeëntwintig toeschouwers voor honderdduizend sporters", zo besliste de toenmalige minister van Sport, niet toevallig lid van het Front populaire. Massasport boven elitesport, je hebt zo van die mensen. Vaak in socialistische hoek. En dus werden de al te ambitieuze plannen opgeborgen, en werd uitgeweken naar Colombes, waar in '24 de Olympische Spelen hadden plaatsgehad. Het idee van een megastadion in Parijs is sindsdien altijd blijven leven. In 1960 gaf Charles de Gaulle in eigen persoon een duwtje aan het voornemen van de regering -Debré, om als cofinancier op te treden voor een fonkelnieuwe arena met honderdduizend plaatsen in Vincennes. Frankrijk hoopte toen op de Olympische Spelen van '68. Dat leidde tot heel wat gekissebis, onder meer met urbanisten die het geklasseerde bos van Vincennes niet zomaar om zeep wilden laten helpen door een betonnen bak van tachtig meter hoog. In 1963 werd een ontwerp van de beroemde architect Henri Bernard goedgekeurd. Hij zou een kuip in de grond ingraven. Kostprijs: om en bij het miljard Belgische frank. Begin jaren zestig was dat te hoog gegrepen. De Gaulle en zijn nieuwe eerste minister, Georges Pompidou, stelden de beslissing uit. Van uitstel kwam afstel, toen het IOC de Spelen van '68 aan Mexico toewees. Nadat begin jaren zeventig het Prinsenpark vernieuwd werd, verdween het Stade de France opnieuw naar een verre achtergrond. Van waaruit het weer opdaagde in de jaren tachtig, toen Parijs zich kandidaat stelde voor zowel Olympische Spelen als wereldbeker. De officiële toewijzing van de wereldbeker '98 aan Frankrijk, op 2 juli 1992, bracht allerlei sluimerende projecten in een stroomversnelling. Op 19 oktober 1993 hakte premier Edouard Balladur de knoop door, koos uit achttien offertes voor het voorstel van het architectenkwartet MZRC (Macary, Zublena, Regembal, Costantini), verleende een bouw- en uitbatingsconcessie voor dertig jaar aan een consortium rond de grootste Franse bouwondernemingen (Bouygues, GTM, Entrepose en de Société Générale des Eaux) dat ook 53 procent van de financiering moest rond krijgen, en wees Saint-Denis aan als uiteindelijke locatie. Waarna Patrick Braouezec, de communistische burgemeester van Saint-Denis, de historische woorden sprak: "Als dank aan premier Balladur zullen we het stadion bouwen naar zijn gelijkenis: volledig rond."EEN CLUB VOOR TWEE STADIONSDe bouw van het Stade de France moet een slordige zestien miljard Belgische frank hebben gekost. Het consortium draait daar voor de helft voor op, de andere helft is voor de staat. Die bovendien de garantie heeft gegeven dat hij de volledige investering op zich neemt, indien vier jaar na de opening niet een van de grote Parijse clubs in het stadion resideert. De club die moest komen, was vanzelfsprekend Paris-Saint-Germain, dat in het Prinsenpark speelt en daar ook wilde blijven, op voorwaarde dat het stadsbestuur de nodige aanpassingswerken zou uitvoeren. De Parijse burgemeester Jean Tiberi eiste dan weer dat PSG in ruil voor die werken een huurcontract van twaalf jaar zou ondertekenen, met een zeer hoge afkoopsom. Deze wat vreemde situatie van één club voor twee stadions, leidde in de lente van dit jaar tot een intens diplomatiek overleg, waarbij achter de schermen een ware oorlog werd uitgevochten. Canal-Plusvoorzitter Pierre Lescure, hoofdaandeelhouder van PSG, was in geen geval bereid om zonder aanzienlijke compensaties te verhuizen naar het nieuwe stadion, waar het merendeel van de inkomsten naar het consortium gaat. PSG had trouwens andere, interne, katten te geselen, vooraleer er van een verhuis sprake kon zijn. De trotse club eindigde na een erg slecht seizoen pas achtste. Op achttien punten van Lens. De enige troost vond het in de bekerwinst, tegen datzelfde Lens. En net als vorig jaar zoekt zowat het hele elftal andere oorden op. Het meest opvallende vertrek is dat van Bruno Ngotty, de maker van het doelpunt dat PSG in '96 in Brussel de Europacup II bezorgde, naar AC Milan. PSG zal dus al fors moeten investeren, indien het in eigen land gelijke tred wil houden met het uit de doden opgestane Olympique Marseille, met AS Monaco, en met provinciale revelaties als Lens en Metz. Om niet te spreken over Auxerre van de eeuwige Guy Roux. De Europese top bijhouden behoort voorlopig tot de wereld van de dromen. De ingreep van hogerhand kwam er, al bij al vrij onverwacht, eind maart, toen Canal Plus een wissel aan de top van de club doorvoerde. Michel Denisot werd na zeven jaren van succesrijk voorzitterschap bedankt voor bewezen diensten, en vervangen door Charles Biétry, die nu als PDG van PSG door het leven gaat. Dat gebeurde schijnbaar in alle vriendschap, hoewel tussen beide mannen jarenlang een gespannen verhouding heerste, zowel binnen de club als binnen Canal Plus. Biétry is net als zijn voorganger een ex-journalist, en maakte carrière bij het persagentschap AFP. Sinds '84 is hij het brein achter het huwelijk tussen Canal Plus en het profvoetbal, in Frankrijk en daarbuiten. Hij zal het volgende seizoen een totaal vernieuwd PSG in de wei sturen, gebouwd rond de al na één seizoen van West Ham teruggekeerde doelman Bernard Lama, en de Italiaan Marco Simone, die zijn verblijf in Parijs verlengt. Mogelijk komt de Liberiaan George Weah terug van AC Milan, en brengt hij zijn Montenegrijnse ploegmaat Dejan Savicevic mee. En er was ook sprake van Luc Nilis, die zich door Canal-Plusmedewerker Raymond Goethals graag liet overtuigen over het nut van een verhuis van PSV naar PSG. Onder Denisot waren drie trainers actief in het Prinsenpark: Artur Jorge, Luis Fernandez, en de Braziliaan Ricardo. Die laatste kon de neergang niet stoppen, en mocht dus terug naar Brazilië. Hij wordt opgevolgd door Alain Giresse, die een mogelijk contract als nieuwe bondscoach liet voor wat het was. Ook de hele technische staf is vernieuwd met het oog op volgend seizoen. Maar de belangrijkste beslissing was dus die over het stadion. Een luxeprobleem en een dispuut stad-staat: het Prinsenpark van de gemeente, of het Stade de France dat voor de helft van de staat is. Omdat het Stade de France alvast aan de haal ging met de grote voetbal- en rugbyinterlands en -finales, met grote atletiekmanifestaties, en ook met grote popconcerten zoals eind juli dat van de Rolling Stones, leken de dagen van het Prinsenpark geteld. Zeker omdat Parijs vast van plan is om, nadat het in '92 door Barcelona werd gevloerd, de Olympische Spelen van 2008 binnen te halen, en tegen dan het Prinsenpark niet meer voldoet. Het leek zo goed als ondenkbaar dat PSG niet naar het Stade de France zou verhuizen. Zelfs de minister van Sport Marie-George Buffet zette haar beste beentje voor. En dat beste beentje van haar, dat is wat. Maar: de top van Canal Plus besliste anders. Biétry kondigde kort na zijn machtsovername aan dat PSG de komende tien jaar in het Prinsenpark blijft. Het Stade de France is te groot, de voorwaarden zijn niet interessant genoeg, en PSG is nu eenmaal verbonden met het Park, de supporters willen er niet weg. Voor de Franse staat blijven er twee mogelijkheden: ofwel draait hij de komende 26 jaar op voor nog eens acht miljard Belgische frank. Ofwel moet de overheid zelf een nieuwe topclub in het leven roepen, wat alleen kan rond de vergane gloriën Racing Club of Red Star.EEN STADION MET 77.000 LEGE ZITJESVoor Canal Plus zou een tweede topclub in Parijs trouwens een goede zaak zijn. Zowel voor de inkomsten van een derby met PSG, als voor de inkomsten van de betaaltelevisie. Die overweging kan dus hebben meegespeeld. Maar is het mogelijk om op bestelling een topclub uit de grond te stampen? Het wordt in elk geval geprobeerd, en het wordt interessant om die ontwikkeling te volgen. De ploeg die naar het Stade de France komt spelen is Red Star, dat nu in tweede klasse speelt, en in zijn eigen stadion van Saint-Ouen gemiddeld 3000 kijkers trekt. Dat worden dus 77.000 lege zitjes. Maar een andere oplossing is er voorlopig niet, want Racing Club speelt in derde, net als de ploeg van Saint-Denis zelf. En de tijd dringt, vier jaar is een korte periode. Ondertussen rekent het Stade de France af met zijn kinderziekten. Om te beginnen de grasmat, die zoals in zovele grote voetbaltempels zwaar te wensen over liet. De eerste pelouse, die vorig jaar in oktober werd aangelegd en liefst zevenhonderdduizend Belgische frank per vierkante meter kostte, zag binnen de kortste keren okergeel. Volgens sommigen was dat te wijten aan de vervuilde ondergrond waarop het stadion gebouwd is, maar de grasexperts spraken dat tegen. Tachtig centimeter onder de grasmat is immers een PVC-folie gelegd, die de vervuilde ondergrond afdekt. De gele kleur zou het gevolg geweest zijn van een slecht onderhoud onmiddellijk nadat de zoden, gekweekt in Fontainebleau, in het stadion werden vastgelegd. Bij de openingsmatch tegen Spanje leek het veld er al heel wat beter bij te liggen, al was het toen bevroren. Het zag in elk geval groen, en zo zal het ook de komende weken zijn. Het andere grote probleem van het Stade de France is het tekort aan parkeerplaatsen. Er zijn er al bij al zo'n zesduizend voorzien, wat bijzonder weinig is als de tachtigduizend toeschouwers allemaal met de auto komen. Bovendien is de toegankelijkheid via de twee omsluitende en drukke autowegen, de A1 en de A86, ook beperkt. Toen in december een ploeg van de bouwvakkers een wedstrijdje speelde tegen de Variété Club de France van Michel Platini, kwamen er achtduizend toeschouwers en zat het verkeer op de twee autowegen muurvast. Er is wel gezorgd voor metroverbindingen en er zijn twee stations van de RER, het regionale treinnet. De toeschouwers worden er op alle mogelijke manieren toe aangespoord om met het openbaar vervoer te komen, en de politie van Saint-Denis kondigt bij elke wedstrijd aan dat wildparkeerders genadeloos worden weggetakeld. Maar of die raad een blijvend effect zal hebben, is een open vraag. En als trein- of metrobestuurders in staking gaan, dreigt een ramp. Die ongemakken wegen echter niet op tegen de overweldigende voordelen. Fifavoorzitter Joao Havelange noemde het Stade de France het mooiste stadion ter wereld. Geen enkel modern snufje ontbreekt er. De 148 riante loges en de zesduizend businessseats zorgen voor een aardige bron van inkomsten. Het Stade de France is het paradepaardje van deze Coupe du Monde. Het doet bijna vergeten dat ook de meeste andere stadions een opknapbeurt kregen, terwijl het pas van het EK'84 geleden is dat de overheid al fors in de infrastructuur investeerde. Wie de jongste jaren wel eens op handen en voeten, door de duivenpoep, naar het televisiepodium van FC Antwerp is moeten kruipen, beseft dat in Frankrijk de trein al lang vertrokken is, terwijl het Belgische voetbal nog voor het loket naar zijn centen staat te zoeken. Gelukkig vertrekken Belgische treinen altijd wat later."En dan zin hebben om door het ellipsvormige dak heen een ster te plukken." Een immense omwalde leegte, zoals het leven zelf. Toen er achtduizend toeschouwers kwamen opdagen, zat het verkeer op de twee autowegen muurvast.Koen Meulenaere