In een hertekende Ronde van Vlaanderen rekent de Belgische wielersport op Johan Museeuw. Ook Marc Sergeant, bezig aan zijn eerste seizoen als ex-renner en bondscoach bij de jeugd.
...

In een hertekende Ronde van Vlaanderen rekent de Belgische wielersport op Johan Museeuw. Ook Marc Sergeant, bezig aan zijn eerste seizoen als ex-renner en bondscoach bij de jeugd.De aankomst ligt zondag nog altijd in Meerbeke, het zwaartepunt in het heuvelland van de Vlaamse Ardennen. Maar het patroon van de trektocht over Petersberg, Edelare, Kwaremont, Muur en Bosberg kreeg een nieuwe snit. Het parcours van de Ronde van Vlaanderen is helemaal omgegooid. Juniorescoach Marc Sergeant, tot vorig seizoen nog als eminent Ronde van Vlaanderen-kenner op de fiets in het peloton, analyseert : ?Alles zit er nog in, maar het parcours is een beetje herschikt. In wezen blijft de Ronde echter altijd de Ronde. Aan het karakter wordt niet geraakt. De organisatoren wilden een gebalde finale uittekenen, met een opeenvolging van hellingen vanaf de Kwaremont. Ze zijn daar uitstekend in geslaagd.? Sergeant reed vijftien keer de Ronde van Vlaanderen op het oude stramien. Goed voor een resem ereplaatsen, maar geen overwinning. Zondag kijkt de bondscoach voor de juniores toe vanuit de volgwagen. Vol spanning, stilletjes duimend voor Johan Museeuw, maar nu al zeker van een schitterende wielernamiddag. Zijn die wijzigingen in het parcours een verbetering ? MARC SERGEANT : Vroeger wist iedereen dat de Kwaremont voor een eerste schifting zorgde. Er werd gekoerst, geduwd en gedrumd om als eerste die hindernis te kunnen omhoog rijden. Dan kwam de Patersberg, maar vervolgens stokte de aanval. De favorieten zaten wel voorin, maar op 120 kilometer van de streep in Meerbeke durfde niemand echt doorgaan, waardoor een hele groep achtervolgers en pechvogels uit de achterhoede kon terugkeren. Nu zal dat niet meer kunnen. SERGEANT : Wie nu op de Kwaremont niet mee voorin zit, mag zijn ambities opbergen. Jammer, maar tegenslag is nu eenmaal een wezenlijk onderdeel van topsport. Je kunt geen scenario uitwerken dat de factor geluk uitsluit. De Ronde wijzigt haar parcours niet voor het eerst. Ooit maakte de Koppenberg deel uit van de charme van de Ronde, maar dat monument is na veel controverses uit de wegwijzer geschrapt. SERGEANT : Het was altijd wat met die Koppenberg (lacht). Jammer, want ik was er een voorstander van. Omdat je op weg ernaartoe een serieuze strijd kreeg. De eerste drie op de Koppenberg vormden trouwens ook vaak het podium. Maar ik kan de organisatoren wel begrijpen. Een Koppenberg kan de wedstrijd vervalsen. Als een renner in vierde positie drie ploegmaats op de kop ziet en hij laat zich vallen, kunnen de achtervolgers niet meer voorbij en kan de Ronde beslist zijn. Dat kan natuurlijk niet. Die bedenking, de druk van onder andere Bernard Hinault, plus het incident met Jesper Skibby, die op de Koppenberg werd aangereden door een volgwagen, hebben het voor de organisatoren gemakkelijk gemaakt om de knoop door te hakken. Is de Ronde van volgende zondag zwaarder dan die van vroeger ? SERGEANT : De recuperatietijd tussen de opeenvolging van heuveltjes is miniem, gemiddeld vier of vijf kilometer, maar je kan niet echt spreken van een zwaardere koers. Het wordt wel een wedstrijd op maat van de man in vorm, misschien nog meer dan vroeger. Alhoewel : in het verleden kozen de renners zò vroeg in de wedstrijd voor de aanval, dat het kaf bij het begin van de finale ook al lang van het koren gescheiden was. Had jij liever de Ronde gereden in haar huidige vorm ? SERGEANT : Op mijn leeftijd niet meer (lacht). De jongste jaren merkte ik al hoe ik de opeenvolging van hellingen slecht verteerde. Nu is dat nadeel nog feller geaccentueerd. Renners die zo'n lange heuvelstrook fysiek niet aankunnen, zullen er nog minder aan te pas komen. Het is een Ronde voor renners van het allerhoogste niveau, die de koers willen maken. De ploegen krijgen in de finale geen kans meer om de achtervolging te organiseren. Weg dan maar met de boutade dat niet het parcours, maar de renners de wedstrijd maken ? SERGEANT : Ze klopt wel voor de eerste honderd kilometer van de Ronde. Een mooi stukje Vlaanderen overigens, die kasseizone. De organisatoren willen duidelijk publiciteit voor de streek maken. In de aanloop en op de lus tussen Zottegem en Kluisbergen kan een ploeg bergen werk verzetten voor de kopman. In de finale niet meer. Daar moeten de favorieten op eigen kracht naar voren schuiven. Kan de beslissing ook vòòr de heuvelzone vallen ? SERGEANT : Als de wind in Zottegem tegenzit, valt de wedstrijd stil tot aan de Kwaremont. Als de wind opzij zit, kunnen de frisse renners in die aanloopstrook een beslissing forceren. De omstandigheden spelen een grote rol. Acht je nog een marathonontsnapping mogelijk, zoals in 1992, toen Jacky Durand vanuit het niets de Ronde kwam winnen ? SERGEANT : Dat wordt onwaarschijnlijk, omdat er in de ploegen ook op gehamerd werd. Voor elke wedstrijd krijg je diezelfde preek : ?Laat vluchters toch niet te ver uitlopen.? Het ploegenspel kan altijd spelen, maar een Ronde van Vlaanderen lijkt me veel te belangrijk voor de kopmannen om zomaar uit handen te geven. Vooral aan jongens van het type Jacky Durand of Thomas Wegmüller, het soort renners van wie het hele peloton weet dat ze een patent op marathonontsnappingen hebben, zullen de favorieten zich niet laten vangen. Johan Museeuw is topfavoriet. Niet te kloppen, bijna. SERGEANT : Museeuw is altijd te kloppen. Vorig jaar ook, toch ? Toen vond iedereen hem ook onklopbaar. Hij zal er wel weer staan, maar Andrea Tafi, Michele Bartoli, Fabio Baldato en Gianni Bugno ook. Er liggen veel Italianen wakker van de Giro delle Fiandri. Misschien zelfs evenveel Italianen als Vlamingen. Hoe verklaar je dat ? SERGEANT :Francesco Moserheeft daar een grote rol in gespeeld. Die was hier altijd een smaakmaker, hij sprak immens tot de verbeelding. Ik herinner me een van die taferelen nog levendig : Moser kwakte tegen de kasseien, veegde een streepje bloed van de valpartij uit zijn ogen, wipte weer op de fiets en trok weer in de aanval. Om het uiteindelijk toch tegen Michel Pollentierte moeten afleggen. Dat zijn heroïsche taferelen, die heel Italië met een Ronde-liefde aangestoken hebben. Later hebben Moreno Argentin, Gianni Bugno en de renners uit de ploeg van Giancarlo Feretti de lijn doorgetrokken. De Ronde lééft bij de Italianen uit het peloton. De deelnemerslijst voor de Driedaagse van De Panne, de ideale aanloop naar de Ronde, is daarvan het beste bewijs : het stikt daar van de Italiaanse ploegen die de Ronde komen voorbereiden. Heeft Museeuw binnen de eigen ploeg concurrentie te vrezen ? SERGEANT : Johan is fysiek en mentaal sterk genoeg om die rol van kopman af te dwingen. Hij zal op tijd corrigeren als het dreigt mis te lopen. Mapei-GB is er trouwens bij gebaat als Museeuw de Ronde wint. De publiciteit van een wereldkampioen die de Ronde wint, is ook voor dottore Squinzi niet te versmaden. Zie je een herhaling mogelijk van Parijs-Roubaix van vorig jaar ? Drie ploeggenoten in de top-drie ? SERGEANT : De beste renners kunnen in één ploeg verenigd zitten. Ook in de Ronde, met zijn smalle wegen en kasseistroken. Maar zelfs dan blijft het gaan om de beste individuele renners in de koers, niet om een georkestreerde ploegoverwinning. En het blijft uitzonderlijk. Na Parijs-Roubaix regende het kritiek over de manier waarop Bortolami en Tafi de wedstrijd wegschonken aan Museeuw. Begrijp je die kritiek ? SERGEANT : Museeuw en co speelden het spel eerlijk. Ze hebben ervoor gereden en dan onder elkaar uitgemaakt hoe de prijzen verdeeld zouden worden. Logisch toch ? Vergeet niet dat die renners nog een heel seizoen met elkaar moesten optrekken. Dan kan je beter de bron voor wrevel wegnemen. Ze hadden trouwens perfect hun bedoelingen kunnen verhullen. Tafi van ver laten sprinten, Museeuw onweerstaanbaar uit het wiel laten komen. Dan had iedereen tussen de tanden gefloten : ?Gezien hoe sterk die Museeuw was?. Blijkbaar willen de mensen bedrogen worden. Hoe kun je een toprenner ervan overtuigen dat hij in een topklassieker zijn kansen niet mag verdedigen ? SERGEANT : Ik had niet graag in de schoenen van Patrick Lefevere gestaan. Ik denk wel dat het evenwicht achteraf enigszins hersteld is. Gianluca Bortolami raakte na Parijs-Roubaix geblesseerd en kreeg dus geen sportieve compensatie, maar Tafi kreeg toch Parijs-Brussel en een paar Italiaanse koersen op een presenteerblaadje aangeboden. In tijden van FICP-punten blijft het merkwaardig dat renners een topkoers zomaar uit handen geven. SERGEANT : Er wordt veel verdeeld in de schoot van een wielerploeg. En niet alleen prijzen (lacht). Meestal is het minder duidelijk. Het zijn zelden situaties van : ik rem en jij spurt. Eerder subtiele hand- en spandiensten. De renner die een gat laat vallen als een ploegmaat in de aanval trekt, dat soort dingen. Grijpt een renner die een klassieker uit handen geeft, niet naast lucratieve startpremies en contracten ? SERGEANT : Vandaar de nood aan goede afspraken. De tijd van de kopman die vijf helpers rond zich schaart, is toch voorbij ? SERGEANT : In Italië blijven die blokken rond de kopman bestaan. Italiaanse ploegen kijken minder naar het aantal overwinningen dan Belgische. In het internationale peloton heb je nog altijd renners die nooit een wedstrijd winnen, maar heel gewaardeerd zijn. Bruno Chengialta is een voorbeeld, Neil Stephensook. Die kunnen tot de laatste kilometer enorm hard kunnen rijden, elke wedstrijd tot de laatste snik voor hun kopman fietsen. Geen sportdirecteur die de enorme waarde van zo'n renners niet beseft. Wat belet dat soort renners om een kopmansrol op te eisen ? SERGEANT : Beuken, aanklampen en zwoegen voor een kopman is iets anders dan koersen onder druk. Bij het kopmanschap hoort een enorme verantwoordelijkheid. Veel renners kunnen die niet aan, omdat ze die knop niet omgedraaid krijgen. Toch heeft het quoteringssysteem van de UCI het wielrennen grondig veranderd. Jijzelf hebt het gebrek aan solidariteit herhaaldelijk aangeklaagd. SERGEANT : Toen ik prof werd, ging het er in het peloton heel gemoedelijk toe. Bij elke hindernis gingen de handen omhoog, bij elk obstakel hoorde je waarschuwingen roepen. De UCI-punten vergrootten het egoïsme. Iedereen rook geld, ging veel individueler koersen, vroeger aanvallen. Om de andere renners voor gevaar te waarschuwen, was er gewoon geen tijd meer. Terwijl het koersen toch gevaarlijker geworden is : er zijn meer verkeersdrempels, er staan vaker paaltjes in de weg. Soms, als het minder snel gaat, is ze er nog wel. Meestal zijn de inspanningen te groot, vrees ik, om nog aan anderen te denken. Je hebt al je aandacht nodig om te kunnen aanklampen als je à bloc zit. Dan heb je de energie niet meer om de collega's voor gevaar te waarschuwen. Je bent al blij dat je zélf dat paaltje kan ontwijken. Het is vaak meer een kwestie van niet kunnen dan van niet willen. Wilfried Nelissen denkt daar anders over. ?Een geblesseerde concurrent is een concurrent minder,? verklaarde hij onlangs. SERGEANT : Zo heb ik het zelf letterlijk van een buitenlandse rechtstreekse tegenstander van Wilfried Nelissen gehoord, vlak na diens val in Gent-Wevelgem. De uitspraak veroorzaakte algemene verontwaardiging. Want bij zo'n smak staat het peloton nog stil. Dan komt die solidariteit even terug, om dan weer vlug te verdwijnen. Voor meer solidariteit zouden er meer ongevallen moeten komen. Gelukkig gebeurt dat niet. Waarom niet ? Gevaarlijke wegen, hoge gemiddelde snelheden, niemand die waarschuwt voor gevaar : en toch wordt er relatief weinig zwaar gevallen. SERGEANT : De renners zijn gewoon beter geworden. Ze hebben meer stuurvaardigheid, de aandacht verslapt geen seconde. Ze rijden ook veel dichter bij elkaar : vroeger was het gemiddelde peloton tweehonderd meter lang, nu nog hooguit honderd meter. Ze rijden dus dichter bij elkaar tegen een hoger gemiddelde. Dat heeft zijn weerslag op de manier van fietsen. Vroeger lachten we wat af in het peloton, maar dat werkte niet bevorderlijk voor onze concentratie. Nu heeft elke renner continu de blik op het wegdek gefixeerd. Dat maakt ze veel bedrevener in het fietsen zelf. Daarom zie je ook minder massale valpartijen. Toen Tom Steelsin Frankrijk door zijn pedaal schoot in volle spurt, sleurde hij twee renners mee in zijn val, maar de anderen laveerden behendig naast de obstakels. Idem met Museeuw, Maximilian Sciandri, en Laurent Jalabert in Milaan-Sanremo. Vroeger lag in zo'n omstandigheden het halve peloton plat. Hoe sterk is die solidariteit, als ze dan nog eens een keertje opduikt ? SERGEANT : Ze kan heel sterk zijn. Toen Fabio Casartelli in de Tour verongelukte, stonden de collega's massaal te huilen. De Tour is speciaal, natuurlijk : na twee weken zwoegen aan elkaars zijde, word je een beetje familie van elkaar. Kan je het als renner maken om de solidariteit van het peloton te doorbreken ? SERGEANT : Meestal duurt de solidariteit maar tot aan de eerste aanval. In extreme omstandigheden liggen de zaken anders. Bjarne Riis wilde graag aanvallen in de zware rit na het ongeval met Casartelli, maar hij heeft het niet gedaan. Gelukkig voor hem, want de kans bestond dat hij dan het hele peloton tegen zich had gekregen. Als bondscoach werk je met jonge renners. Hoe probeer je hen voor te bereiden op die verziekte mentaliteit in het peloton ? SERGEANT : Door uit te leggen dat het er niet gemakkelijker op wordt. Maar ik merk dat die jongeren er uitstekend mee om kunnen. De neoprofs die de jongste jaren in het peloton kwamen, hadden die speelse koersstijl nooit gekend. Zij zijn het gewend om over lijken te gaan. Is het omdat jij die over-mijn-lijk-mentaliteit miste, dat je nooit de Ronde van Vlaanderen hebt gewonnen ? SERGEANT : Behalve de eerste twee, heb ik alle plaatsen in de toptien van de Ronde van Vlaanderen gehad. Uiteindelijk speelt het dan niet meer zo'n grote rol, of je die wedstrijd nu al dan niet gewonnen hebt. Dat is belangrijk als je jong bent, met het oog op de uitbouw van je carrière. Een renner voorbij de kaap van de dertig wil die wedstrijd alleen om persoonlijke redenen winnen. Prestige puurt hij niet meer uit de winst. Ik heb hem vijftien keer mogen rijden, reed altijd goed, maar miste op een cruciaal moment altijd de kracht om nog een tandje bij te steken. Het is minder terug te brengen op een mentale kwestie dan wel op een gebrek aan intrinsieke klasse. Alleen met een grote dosis geluk had ik de Ronde kunnen winnen. 1997 is het jaar van de bloedcontroles in het wielrennen. Hoe sta je daar tegenover ? SERGEANT : Het krijgt te veel aandacht. De UCI controleert als eerste sportbond op het gebruik van eritropoëtine (epo) en groeihormonen. De slechte naam die het wielrennen al rondzeulde, wordt nu nog versterkt. Mensen als Ivan Sonck kiezen bovendien partij tegen de wielersport door na de eerste controles in Parijs-Nice verklaren dat de UCI nog tolerant is, omdat ze 50 als grenswaarde hanteert in de plaats van 48. ?Ieder toprenner gebruikt het,? zei Sonck nog. Ik vraag me af hoe hij die aantijgingen hard kan maken. Heb je het gevoel dat het epo-gebruik in het peloton overroepen is ? SERGEANT : Het valt me op dat de vraag voor bloedcontroles van de renners zelf komt. Hen moeten ze dus niet zwart maken. Ik ben ervan overtuigd dat de renners vanaf morgen zouden instemmen met een controle die àlles vindt. Dan start iedereen op dezelfde voet. Bepaalde zaken roepen vragen op. De wedstrijdgemiddelden stijgen, terwijl de parcours almaar zwaarder worden. Kan dat nog zonder dat een renner slikt ? SERGEANT : Met epo zou het dan wel kunnen ? Dat zou toch al te gemakkelijk zijn. Dan leggen we alle Belgische ploegen aan een infuus met epo en hebben we morgen weer superkampioenen. Op het WK voor elite zonder contract reden vorig jaar vijf Italianen de wedstrijd aan stukken. ?Doping?, riepen toen zelfs de kenners. SERGEANT : Waarom moet er onmiddellijk gezegd worden dat die iets ongeoorloofds gedaan hebben ? Misschien hebben die jongens beter getraind, harder gewerkt, gerichter voorbereid dan de concurrenten. Doping bij anderen wordt vaak ingeroepen om de eigen tekortkomingen en onmacht te verdoezelen. Wordt er in het wielrennen minder gebruikt dan in andere sporten, of even veel ? SERGEANT : Ik ben zeker dat een wielrenner niet vaker gebruikt dan een andere topsporter. Maar atletiek en consoorten zijn heilige sporten. Daar raakt niemand aan. Terwijl je daar toch ook merkwaardige dingen ziet. Als Michael Johnsonveertig honderdsten afknaagt van het ongenaakbare record van Pietro Mennea, is dat net zo wereldschokkend als een werelduurrecord van ChrisBoardman dat boven de 56 kilometer uitstijgt. Het wielrennen sleurt zijn slechte naam mee, die nog elk jaar bevestigd wordt omdat ze bij de nevenbonden geregeld enkele amateurs op doping betrappen. Maar werd ooit al iemand op zo'n stratenloop gecontroleerd ? Maar de medische begeleiding in het wielrennen is wel sterk geëvolueerd. SERGEANT : Medische begeleiding is in alle sporten heel belangrijk. Een sponsor wil een atleet in optimale omstandigheden aan de competities zien beginnen. Medische begeleiding is daarvan een essentieel onderdeel. Geregelde testen en controles vormen de basis van gerichte training en een goede conditie. Sporters klagen dat de dopinglijst te lang is. SERGEANT : De atletiek heeft nu het geval Jonathan Nsenga. Die heeft efedrine gebruikt, een onschuldig middel dat we ook aan onze kinderen geven. Dokters vertellen aan wie het horen wil, dat je extreme doses moet nemen, als je daar een tiende sneller door wilt lopen. Dan moeten ze duidelijkheid scheppen : bij kleine hoeveelheden moet hij vrijuit gaan, bij een hoge dosis een schorsing van vier jaar krijgen. Maar inmiddels is die jongen voor de rest van zijn loopbaan gebrandmerkt als een pakker. Het grote publiek ziet namelijk geen verschil tussen efedrine, amfetamine of anabolische steroïden. Er staan ook producten op de lijst omdat ze andere producten maskeren. SERGEANT : Dan moeten ze dat zeggen. In die heksenjacht mag de renner tenslotte ook wel een beetje beschermd worden. Frank Demets De slag van Vlaanderen : de Ronde blijft de Ronde.Johan Museeuw is altijd te kloppen. De hellingen volgen vanaf dit jaar vlugger op elkaar : gesneden op maat van de man in vorm.