Het Sportmuseum Vlaanderen vecht al gedurende zes jaar voor een behuizing. En sedert enkele maanden om te overleven, tout court.
...

Het Sportmuseum Vlaanderen vecht al gedurende zes jaar voor een behuizing. En sedert enkele maanden om te overleven, tout court.PRECIES zoals de bijbel, zo trekt het verhaal van het Sportmuseum Vlaanderen zich op gang. In het begin was er niets. Tenzij, verbetert directeur Jaak Jespers, een aantal mensen van goede wil. Die richtten in 1980 de VZW Vlaamse Sport Centrale op met de bedoeling onderzoeks- en promotiewerk te verrichten op het terrein van het sportverleden. Jespers : ?Alles wat voorafgaat aan de moderne sport ; wat wij gewoonlijk volkssporten noemen.? In het kader van haar activiteiten kreeg de Vlaamse Sport Centrale een aantal collectiestukken binnen. Op basis daarvan, en ook doordat de samenwerking met de onderzoekseenheid op de faculteit Lichamelijke Opvoeding van de KU Leuven de Vlaamse Sport Centrale afleidde naar de moderne sport, ontstond de VZW Sportmuseum Vlaanderen. Die hield zich tot begin jaren negentig bezig met werk op de achtergrond : het aanleggen van een collectie, het publiceren daarover, enzovoort. Jespers : ?Pas vanaf 1990 lag het in onze bedoeling om daar op een meer georganiseerde manier mee naar buiten te komen, wilden we dat museumwerk meer structureren.? Dan zijn er verschillende demarches gedaan, vertelt Jespers. ?Eerst en vooral heroriënteerden we onze werking naar archivering en het meer gericht zoeken naar collectievormen. Dat was de inhoudelijke kant van de zaak.? De collectie bestaat inmiddels uit duizenden voorwerpen (waarvan de oudste dateren van de jaren 1770) : sportmateriaal, kunstwerken met sport als onderwerp, affiches, trofeeën. Daarnaast beschikt het Sportmuseum Vlaanderen, dat draait met achttien personeelsleden, over het grootste raadpleegbare sportarchief en de grootste antiquarische sportbibliotheek uit Vlaanderen. Aan de praktische kant van de zaak werden de initiatiefnemers in 1990 geconfronteerd met een gebrek aan inkomsten en aan huisvesting. Wat toen begon, noemt Jespers zelf ?een queeste van jaren?. Zes jaar later bezit het museum nog altijd geen eigen tentoonstellingsgebouw. De collectie staat in onoverzichtelijk verspreide slagorde opgesteld in gebouwen van de faculteit Lichamelijke Opvoeding van de KU Leuven, Jespers overdrijft niet als hij zegt : ?We zitten hier in barakken, het is onmogelijk daarvan een representatief museum te maken.? Niet dat hij de universiteit iets euvel duidt. ?Ze heeft ons altijd ten volle gesteund op logistieke basis ; dit gebouw voor een peulschil ter beschikking gesteld. Maar de universiteit zegt terecht : het is niet aan ons om een museum te gaan oprichten, zelfs niet om het op langere basis te huisvesten. Want, elke prof heeft zijn concept en zijn project en zijn collectie. Dat precedent kunnen ze niet scheppen.? SPORTIMONIUM.Toen Gaston Geens (CVP) de Vlaamse regering nog voorzat, diende de VZW een dossier in voor de restauratie van de Celestijnhoeve, een gebouw van de KU Leuven. Jespers : ?Altijd met in het achterhoofd : laten we niet te ver weg gaan van de bestaande sportinfrastructuur, bijvoorbeeld van de faculteit hier, omdat we dat dynamische aan het museum willen geven het mag niet louter een kijkmuseum worden, het moet tegelijk een doe-museum zijn. Vandaar dat we op een bepaald moment de term sportimonium invoerden.? Een andere keer, in 1993, probeerde Sportmuseum Vlaanderen zich met een dossier te integreren in de reorganisatie van de site rond de Leuvense Vaarkom. ?Door het opdoeken van de grenzen van Europa zou de douane minder impact krijgen en kon het douane-entrepot aan de vaart een andere bestemming krijgen.? Er waren nog tal van andere pogingen. Telkens liep het spaak. Jespers : ?Soms raakte dat tamelijk ver, maar belandde het door de val van een regering in de diepvries.? Bij de administratie Musea kreeg Jaak Jespers zes jaar geleden prompt de deur gewezen. ?Omdat wij niet beantwoordden aan de klassieke visie van een museum in de zin van : een gebouw waarin een collectie is ondergebracht die op een permanente basis aan het brede publiek wordt tentoongesteld. Toch geloofden wij dat wij met een goed gegeven zaten.? De doorbraak leek nabij toen minister van Cultuur Hugo Weckx (CVP) in 1993 die mening deelde. ?Hij vond dat wij een nieuwe visie op musea in de praktijk omzetten. Een meer dynamische visie, waarbij veel belang wordt gehecht aan educatieve projecten en samenwerkingsverbanden met diverse geledingen van de maatschappij. Alleen kon de minister niet zomaar vijftig of honderd miljoen frank uit zijn mouw schudden.? Op dat ogenblik had Sportmuseum Vlaanderen met de toenmalige provincie Brabant een afspraak dat er in het recreatiecentrum van Kessel-Lo grond ter beschikking zou gesteld worden om met recht van opstal een sportimonium te bouwen, dat dan zou aanleunen bij een sporthal voor de stad Leuven en eventueel een Huis voor de Sport voor de provincie. Jespers : ?Op basis van die afspraak zei minister Weckx : ik ga proberen u een subsidie te geven, die een eerste aanzet kan zijn om die infrastructuur te realiseren. Met die subsidie konden we die infrastructuur niet bouwen, maar misschien wel de stad Leuven over de brug krijgen en op termijn naar banken stappen om een leasingformule uit te stippelen.? Door allerlei omstandigheden werd dat nooit gerealiseerd. Jespers : ?En recent besloot de stad die sporthal niet onder te brengen in het recreatiecentrum van Kessel-Lo en besliste de provincie geen Huis van de Sport te organiseren.? LANDBOUWZONE.Een gesprek met gouverneur Lodewijk De Witte van Vlaams-Brabant leerde Jaak Jespers dat die wel brood ziet in een sportmuseum. ?Hij vindt dat zo'n museum als het gerealiseerd wordt , een zekere uitstraling moet hebben. Niet een museum, dat alleen maar schoolgroepen aanzuigt, maar een place to be, een verzamelplaats voor de wereld van sport en cultuur. Die visie willen wij wel volgen, maar wie gaat dat betalen ?? De provincie ? Jespers schudt ontkennend het hoofd. Wel opende de provincie een andere piste : de Benedictushoeve in Herent, die zij bezit en nu een onderdeel vormt van de Landbouwschool. Jespers zag dat wel zitten. ?Het gebouw bevindt zich in goede staat en heeft de mogelijkheden om met een minimum aan kosten een bescheiden sportmuseum te huisvesten. Financieel konden we dat opbrengen.? Maar ? ?Maar dat project strookte zeker niet met de visie van de gouverneur op een sportimonium. Voorts bevindt het gebouw zich in een landbouwzone. De bestemmingswijziging van landbouwgrond, of eventueel een wijziging van het Gewestplan, is een penibele aangelegenheid geworden.? Bij de burgemeester van Leuven hoeft Sportmuseum niet aan te kloppen. Louis Tobback (SP) verwijst naar de Vlaamse identiteit van het museum. Met andere woorden, die zaak moet de Vlaamse regering oplossen. Jespers : ?We deden de stad een concreet voorstel om ten minste te beginnen met een sportmuseum. De stad verwierf de gebouwen van het vroegere Philips-complex. We vroegen om de feestzaal van dat complex aan het sportmuseum te geven. We zouden zorgen voor een goede uitbating van die feestzaal en de belendende ruimten benutten als een embryonaal sportmuseum. Dat we tenminste aanwezig zijn. Bovendien : mocht het museum succes hebben, dan mag op die grond gebouwd worden. Maar wij krijgen eigenlijk geen reactie op ons voorstel, die zaak sleept intussen ook al een jaar aan.? Begin dit jaar suggereerde Sporta het Sportmuseum om naast haar centrum in te trekken in gebouwen van de VZW Kerk in Nood. Aangezien die organisatie haar hoofdactiviteiten min of meer verlegd heeft naar Duitsland, kwam daar ruimte vrij. Ook dat spoor liep dood, Jespers verklaart : ?De grond waarop die gebouwen staan, zijn eigendom van de abdij van Tongerlo. En de abdij wilde zich niet engageren omdat de erfpacht op die gronden nog loopt tot 2004. Terwijl Kerk in Nood zich niet kon engageren omdat juist die erfpacht afloopt in 2004.? De abdij van Tongerlo bood gebouwen aan binnen de abdij, maar daar had Sportmuseum Vlaanderen bezwaren bij. Jespers verwoordt ze : ?De sereniteit van een abdij en het uitbundige van de sportbeleving vonden wij moeilijk met elkaar te verzoenen, gewoon praktisch bekeken.? Jespers strijdt het af dat Sportmuseum Vlaanderen zich al te kieskeurig opstelt. ?Wij zijn net heel flexibel, wij probeerden altijd onze projecten aan te passen aan de beschikbare infrastructuur. Maar er zijn grenzen, die opgelegd worden door zowel ons onderwerp als door de gebouwen die aangeboden worden.? AMBASSADEUR.Ondertussen vecht Sportmuseum Vlaanderen echter niet alleen voor huisvesting, maar simpelweg om te overleven. Want minister van Cultuur Luc Martens (CVP) schrapte een jaar geleden de werkingssubsidie van het museum (jaarlijks vijf miljoen frank). In samenspraak met de Vlaamse minister-president Luc Van den Brande (CVP) vond Hugo Weckx in 1993 toch wat financiële bewegingsruimte voor het museum. Hij kende het de titel Cultureel Ambassadeur van Vlaanderen toe op basis van zijn tentoonstellingen in het buitenland (Jespers : ?Er zijn onder meer sportmusea in Praag, Bazel, Parijs, Keulen, Stockholm en dat in het Nederlandse Lelystad werd twee jaar geleden geopend, hoewel het initiatief later opgestart werd dan het Sportmuseum Vlaanderen.?) en zijn tijdschrift in verschillende talen. Jaak Jespers : ?Die subsidie werd nooit in detail omschreven. Was dat nu voor infrastructuur of voor werking ? Er hing iets rond van : het is subsidie en maak er het beste van. Het jaar nadien werd die subsidie omgezet naar een subsidie op de begroting Musea ; ad nominatim. Hetzelfde in 1995. Op die manier kon de minister de subsidie recurrent maken, en waren we niet afhankelijk van de al dan niet erkenning als cultureel ambassadeur. Zit je ad nominatim, dan moet er al veel gebeuren willen ze je eruit gooien.? Finaal diende er niet veel te gebeuren. De nieuwe cultuurminister, Luc Martens, wilde de ad-nominatim-toelagen uit de begroting. Hij wenste structurele oplossingen voor al die organisaties. Voor musea moest dat kaderen in een nieuw museumdecreet. Jespers vat samen : ?Het nieuwe museumdecreet is er nog niet, maar inmiddels werd wel onze subsidie geschrapt. Wij zitten dus zonder werkingstoelage.? Bovendien moet Sportmuseum Vlaanderen niet veel heil verwachten van het nieuwe museumdecreet. Dat leidt Jespers af uit de beleidsnota van minister Martens bij het voorontwerp ervan. Volgens die nota zullen slechts aanvullende subsidies uitgekeerd worden en moeten de inrichtende machten van het museum instaan voor alle basisfuncties : de behuizing, de aankoop en de verzorging van de collectie, de permanente tentoonstelling, het personeelsbeleid. Als de inrichtende macht al die voorwaarden vervult, kan er een kwaliteitsverhogende, veelal projectmatige, subsidie komen. Jaak Jespers hoorde de alarmklok luiden. ?Voor de dagdagelijkse werking zullen we in de toekomst niet moeten rekenen op de Vlaamse Gemeenschap. Maar wie is nu de inrichtende macht van het Sportmuseum Vlaanderen ? Een groepje geestdriftige mensen met totaal geen financiële draagkracht. Het komt erop neer dat de musea in Vlaanderen eigenlijk stedelijke, gemeentelijke of provinciale musea zijn. De inrichtende macht de stad, de gemeente, de provincie bepaalt haar politiek ten opzichte van haar musea en is in staat, en is zelfs verplicht, ze een minimum aan middelen te geven. Een privé-museum als zodanig komt niet aan bod in het museumdecreet.? Jaak Jespers weet : de eerste voorwaarde, die alle verdere werking moet mogelijk maken, is de behuizing. ?Zolang die functie niet is ingevuld, kunnen we niet verder. Wie niet permanent als museum herkenbaar is, kan geen aanspraken maken, noch op overheidssubsidies, noch op belangrijke sponsors.? Alleen een behuizing kan het museum uit de vicieuze cirkel trekken. Jespers moet niet eens zijn ogen sluiten om het voor zich te zien. ?Geef ons een gebouw waarin we het sportimonium kunnen opstellen en we creëren inkomsten. We spreken over inkomgelden daar komen twintigduizend bezoekers per jaar naartoe, en dat is een bescheiden uitgangspunt , een museumwinkel die wij op een professionele manier zullen runnen, een museumcafé... We kunnen in dat museum geanimeerde tentoonstellingsprojecten ontwikkelen en daarmee naar sponsors stappen.? RESERVES.Momenteel probeert Sportmuseum Vlaanderen echter gewoon het hoofd boven water te houden. Jaak Jespers : ?We hebben de buikriem aangetrokken. Ons aankoopbeleid is herleid tot quasi nul. Een aantal tentoonstellingen werd afgeschaft of uitgesteld. Toch zijn we zeer actief.? Hij somt op : ?Dit jaar nog melden we ons met een animatieprogramma present op Les Jeux Traditionnels en Europe in het Franse La Garde. In 1997 werken we samen met het Openluchtmuseum Bokrijk : we zijn met een animatieprogramma aanwezig op de tentoonstelling over de fiets en brengen er later een overzichtstentoonstelling over volkssporten, met de permanente mogelijkheid om twintig volkssporten te beoefenen. Voorts doen we mee met de tentoonstelling Sport en Mode in het modemuseum van Hasselt. Over twee jaar zitten we in Leuven met historische evocaties, hedendaagse demonstraties en animatie in een tentoonstelling over de geschiedenis van de schermsport.? Hoe kan Sportmuseum Vlaanderen dit financieren ? Jespers : ?We spreken de reserves aan die we opzij gezet hadden voor het geval we infrastructuur zouden toegewezen krijgen. We kunnen één, hooguit anderhalf jaar teren op die reserves. Is er dan nog geen oplossing, dan moeten we de zaak onontkoombaar opdoeken en het personeel naar huis sturen.? Op die reserves werd Sportmuseum Vlaanderen echter aangevallen. Mocht dat wel, reserves opbouwen ? ?Zonder die reserves was het nu al gedaan,? antwoordt Jespers. ?Het opbouwen van een werking veronderstelt een bepaald personeelsbestand. Zonder subsidies en zonder reserves krijg je onvermijdelijk af te rekenen met een sociaal passief. Dat geldt zelfs voor onze Gesco's de subsidie voor Gesubsidieerde Contractuelen dekt ongeveer negentig procent van de loonkost, maar laat nog altijd een tien procent ten laste van de promotor. En voor het contractueel personeel kom je niet onder de wettelijke opzegmodaliteiten uit.? Over de wurggreep waarin het Sportmuseum Vlaanderen zit, kreeg Luc Martens in het Vlaams parlement een interpellatie van Pieter Huybrechts (Vlaams Blok) en Joachim Coens (CVP). In zijn repliek beschuldigde de cultuurminister het museum van lobbywerk. ?We hebben nooit gelobbyd,? weerlegt Jespers. ?We hebben altijd eerst de bevoegde administratie aangesproken. Daar vingen we dan bot. De sportsector zegt : ga naar de museumsector, want jullie zijn een museum. En de museumsector zegt : ga naar de sportsector, want jullie zijn eigenlijk geen museum, zeker niet in de huidige vorm. Toen de administratie geen oplossing kon bieden, gingen we naar de ministers, die cultuur, sport en tewerkstelling onder hun bevoegdheid hebben. Ongeacht de strekking van die minister ; dat heeft ons nooit gestoord. Als wij gehoor vonden, was het omdat we goede dossiers konden voorleggen. Wij hebben de leden van de parlementaire commissie Cultuur aangeschreven, waar inderdaad alle partijen zitting in hebben. Maar het is ons democratisch recht om steun te zoeken bij de volksvertegenwoordigers die voor die materie bevoegd zijn, of die materie behartigen.? DYNAMIEK.Overigens heeft cultuurminister Martens niets dan lof voor het Sportmuseum Vlaanderen. Jaak Jespers : ?Hij vindt het een goed concept, dat dynamiek zou kunnen brengen in het verstarde museumlandschap. Meer nog, je kan bijna stellen dat de beleidsnota van de minister gelijk loopt met ons project. De minister en wij werken omzeggens vanuit dezelfde inspiratie. De museumwerking wordt momenteel overal herdacht. Er bestaat een algemene behoefte aan meer dynamiek, aan de afbakening van specialisaties, de creatie van samenwerkingsverbanden, andere organisatievormen, een brede publiekswerking, de indijking van de wildgroei van musea. Als jong museum lieten we al die moderne invloeden op ons inwerken.? De beleidslijnen die Sportmuseum Vlaanderen uitstippelde, worden samengevat in het zogenaamde IDEA-concept. Jespers : ?Waarbij de I staat voor integratie, de D voor decentralisatie, de E voor educatie en de A voor animatie.? Onder andere op basis van de inhoudelijke rijkdom van dit concept voelt Jaak Jespers zich niet totaal tot bedelaar gedegradeerd. ?We zijn vragende partij, maar we zijn ook biedende partij met een unieke collectie, een dynamisch concept en een gespecialiseerd personeelsbestand. Wij ontmoeten overal enthousiasme voor het project. Een aha-erlebnis van mensen van alle niveaus die hier de collectie en onze werking zien. Maar niemand steekt zijn nek uit. Iedereen houdt zijn geldbeugel dicht en blijft in de loopgraven zitten.? Niettemin besluit Jaak Jespers optimistisch : ?Het sportmuseum zal er komen. De behoefte bestaat, en de tijd is er rijp voor.? Ben Herremans Jaak Jespers van het Sportmuseum Vlaanderen : Zonder een gebouw kunnen we niet verder. De affiche De Voetballer van Alfred Ost haalde de bronzen medaille in de kunstwedstrijd van de Olympische Spelen van 1920 in Antwerpen. Maquette van een turnzaal in verchroomd brons : een werk van Remy Reynaert uit 1933.Bronsgroep Balspelers van Honsia, niet gedateerd. De handschoenen waarmee Jean-Marie Pfaff het WK '96 in Mexico speelde.