De Rode Duivels beginnen zaterdag op de Heizel aan de voorronde van de wereldbeker 1998. Een gesprek met assistent-bondscoach en verantwoordelijke voor de nationale jeugdploegen, Ariël Jacobs.
...

De Rode Duivels beginnen zaterdag op de Heizel aan de voorronde van de wereldbeker 1998. Een gesprek met assistent-bondscoach en verantwoordelijke voor de nationale jeugdploegen, Ariël Jacobs.DE eerste kwalificatiematch, tegen Turkije, is voor de Rode Duivels de belangrijkste van het hele rijtje. De tweede, in San Marino, is dat ook. En de derde, op 14 december thuis tegen Nederland, is dat zeker. Alle kwalificatiematchen zijn namelijk de belangrijkste, en het verleden heeft de Belgen geleerd dat je nooit zeker bent van plaatsing vóór dat mathematisch vaststaat. Zolang ben je ook nooit uitgeschakeld. De wedstrijd tegen Turkije is de eerste met inzet onder leiding van bondscoach Wilfried Van Moer. De eerste na de 2-2 tegen Italië, in juni in Cremona. Dat gelijkspel, hoewel behaald met veel geluk en dankzij een superprestatie van doelman Filip Van de Walle, luidde een kentering in de geesten in, nadat de Belgen eerder deerlijk door de mand waren gevallen in de voorronde van het EK, en daaraan nog een archi-slechte oefenwedstrijd tegen Frankrijk vastkoppelden. Het kostte bondscoach Paul Van Himst zijn kop. Ondertussen is de eerste transferperiode van het post-Bosmantijdperk achter de rug en speelt ruim de helft van de nationale selectie in het buitenland, wat het werk van de bondscoaches niet makkelijker maakt. Het kan ook niet bevorderlijk zijn voor de samenhang in het elftal, maar anderzijds zou het wel elke speler individueel ten goede moeten komen. Wat van beide het zwaarst doorweegt, zien we zaterdag. Ariël Jacobs, de assistent-bondscoach en als verantwoordelijke voor de nationale jeugdploegen de drijvende kracht achter de jeugdwerking van de bond, kijkt benieuwd uit naar de komende maanden. ARIEL JACOBS : Het zijn in principe de meest toonaangevende spelers die vertrokken zijn. Dat kan enkel nog een positief gevolg hebben voor onze competitie, indien eigen jeugdspelers de plaats van de vertrekkers innemen. Hier en daar gebeurt dat. Maar we kunnen niet om de vaststelling heen dat vele ploegen kiezen voor goedkope buitenlanders uit het Oostblok of uit Afrika. Voor de kwaliteit van ons voetbal is dat geen goede zaak. In de nationale ploeg zijn we ik zou bijna zeggen : van de ene dag op de andere geconfronteerd met een nieuw gegeven. We moeten plotseling rekening houden met tientallen Belgen in het buitenland, in plaats van met een vijftal zoals de voorbije jaren. De Deense bondscoach kent dit probleem al lang, de Roemeense nu ook. Het zal een goede planning vergen. Alle buitenlanders voortdurend evalueren, is niet mogelijk. We kunnen er geen tien mensen op zetten en we zijn voorlopig niet van plan om buitenlandse waarnemers aan te stellen. Maar ons scoutingsysteem kan nog fel evolueren. De praktijk zal ons wijzer maken. Om Filip De Wilde in Portugal te gaan scouten, ben je twee dagen kwijt. En misschien moet hij geen bal pakken. JACOBS : Datzelfde geldt voor een veldspeler. Zijn ploeg kan toevallig een heel goede of een heel slechte wedstrijd spelen. Die ene prestatie mag niet het enige criterium zijn om iemand te beoordelen. Je moet nagaan in welke bezetting zijn ploeg opereert, op welke plaats hij zelf uitkomt enzovoort. De wedstrijd tegen Turkije zorgt nog voor extra moeilijkheden omdat verschillende clubs nog niet of nog maar pas aan hun competitie begonnen zijn. De oefenwedstrijden in Italië bijvoorbeeld, zijn vaak niet meer dan doorgedreven trainingen tegen een sparringpartner van lager niveau. Wat zijn de gevolgen van die diaspora voor het elftal zelf. Vrees je dat de spelers mekaar op de duur niet goed genoeg meer kennen ? JACOBS : Nee, maar ook dat zal de toekomst uitwijzen. Het is geen geleidelijke evolutie geweest naar meer en meer Rode Duivels buiten de grenzen, het is in twee jaar tijd plotseling op onze nek gevallen. Tot nu toe waren het enkelingen die over de grenzen speelden, en die hebben bij mijn weten nooit problemen gehad om zich terug in te werken in de kern. Ik vermoed dat de meeste buitenlandse Belgen zich goed informeren over wat de collega's doen en wat op het thuisfront gebeurt. Heeft die massale uittocht je verrast ? JACOBS : Van de topspelers niet. Alle clubs geven het toe : als je de salarissen aan de top bij ons vergelijkt met die in de middenmoot in het buitenland, dan is het verschil erg groot. En over de echte Europese top durf ik het niet eens hebben. Dat er een leegloop is van onze beste elementen, was geen verrassing. Bij het vertrek van vele subtoppers plaats ik wel vraagtekens. Ik denk dat de managers drukke tijden hebben gehad. Ze hebben hun spelers zo goed mogelijk aan de man proberen te brengen en bij velen is dat blijkbaar gelukt. Het voordeel voor de nationale ploeg zou moeten zijn dat de Rode Duivels in sterkere competities uitkomen en individueel beter worden. JACOBS :Als ze worden opgesteld natuurlijk. Want de concurrentie in die nieuwe ploegen is ook veel groter. Of de Nederlandse competitie zoveel zwaarder is dan de Belgische durf ik niet stellen, maar mannen als Claeys, Nilis en Degryse zitten bij topclubs die ook Europees meedraaien. Spelers die in Frankrijk, Italië, Duitsland of Engeland aantreden zouden een meerwaarde moeten brengen bij de Rode Duivels. Ik heb het de Franse bondscoach Aimé Jacquet onlangs nog horen vertellen : ondanks het hoge niveau van de Franse competitie brengen de Fransen uit het calcio toch iets extra. Datzelfde moet zich bij de Belgen ook voordoen. Maar ik herhaal : stel dat ze niet in de ploeg staan, wat dan ? Dan zijn ze minder gewapend dan wie bij ons wel negentig minuten speelt. Zo minderwaardig is onze competitie nu ook weer niet. Hoe trekken jullie daar de lijn ? Wat als Crasson niet speelt bij Napels ? Of Genaux bij Coventry ? Of Claeys bij Feijenoord ? Komen ze dan nog in aanmerking ? JACOBS : Dat zal Wilfried Van Moer bepalen. Maar het lijkt mij het beste dat we geen lijn trekken. Het is niet mogelijk om te stellen : wie op de bank zit bij zijn club wordt niet opgeroepen. We moeten geval per geval bekijken. Welke speler ? Waarom speelt hij niet ? Over welke positie in de ploeg gaat het en hebben we een alternatief ? Het zou niet verstandig zijn om je daar op een algemene stelregel te laten vastpinnen. Het is trouwens ook niet zo dat je een plaats in de nationale ploeg hebt omdat je in het buitenland speelt. Wie in België is gebleven en behoorlijk presteert, maakt zeker evenveel kans. Zullen de buitenlandse Belgen voldoende gemotiveerd zijn voor de nationale elf ? Als ze in hun club zoveel verdienen, wat kunnen hen de Rode Duivels dan nog schelen ? JACOBS : Dat zullen we ook moeten afwachten. Het is nog een parameter die alle kanten uit kan. De spelers kunnen extra gemotiveerd zijn om het vaderland nog eens te laten zien wat ze kunnen en hun eigen internationale waarde nog op te voeren. Maar misschien gaat het hen allemaal wat minder ter harte. Het wordt interessant om zien hoe een en ander zich ontwikkelt, maar tegelijkertijd ook delicaat. Als de buitenlanders niet presteren, mag je gerust zijn dat degenen die in België voetballen op hun poot zullen spelen. Bij andere nationale ploegen merk je dat ook. De Russische trainer laat categoriek al zijn buitenlanders aan de kant. Aimé Jacquet neemt Ginola en Cantona niet in zijn EK-selectie op. Hij zal wel zijn redenen hebben. Nu denk ik niet dat wij ons zoiets kunnen veroorloven. Zoveel talent hebben we ook weer niet. De uittocht van spelers zal zwaarder doorwegen op de clubs dan op de nationale ploeg. In Europees verband blijft het bang afwachten. De manier waarop Lacatus en Ilie onder hun beidjes Club Brugge thuis te pakken namen, was onthutsend. JACOBS : Toch kon die wedstrijd alle kanten uit. Op een gegeven moment had Brugge de zaak goed in handen. Een doelpunt meer of minder kan in voetbal alles veranderen. Daarom is het zo onvoorspelbaar. We hebben vorig jaar een donkere periode gekend met de nationale ploeg. Maar hier thuis tegen Denemarken hebben we een uur lang schitterend gevoetbald. Het beste wat ik in lange tijd van de Rode Duivels had gezien. Winnen we, dan kwalificeren we ons voor Engeland en is er van een malaise geen sprake. Maar in plaats daarvan wordt een flater van de doelman afgestraft, lig je eruit en duurt het een jaar vooraleer de volgende wedstrijd met echte inzet op het programma staat. En in die periode gaat het van kwaad naar erger. Met als dieptepunt de oefenpartij tegen Frankrijk. JACOBS : Ja, maar ik wil onderstrepen dat de Franse ploeg die avond verduiveld sterk was. Veel beter dan nadien op het EK. Maar de slechte uitslagen van Belgische clubs in Europese bekers zijn de voorbije jaren bijna een vast gegeven geworden. JACOBS : Als die trend zich doorzet, zou dat jammer zijn. Het is een reëel gevaar. Hoe minder internationaal contact, hoe meer het niveau zal dalen. Hoe zwaar weegt de 43ste plaats op de Fifa-ranglijst door ? JACOBS : Je moet dat relativeren. Het is niet prettig zo laag gerangschikt te staan, maar het is niet omdat we slechts 43ste zijn dat we een slechte match zullen spelen tegen de Turken. Of later tegen Nederland. Een paar goede uitslagen en we klimmen een heel eind hogerop. De jeugdploegen hebben een paar knappe resultaten geboekt. Met als uitschieter vorige maand de kwalificatie voor het wereldkampioenschap bij de min twintig volgend jaar in Maleisië. Je hebt de voorbije jaren zelf herhaaldelijk de alarmbel geluid over de slechte kwaliteit van ons jeugdvoetbal. Spreken de uitslagen je tegen ? JACOBS : Nee. Je mag je niet blind staren op hoe hoog of laag de top is, je moet kijken naar hoe breed of smal de basis is. Uitslagen zeggen niet alles, vaak zeggen ze helemaal niets. Bij internationale jeugdwedstrijden zag ik goed genoeg wat bij ons allemaal verkeerd liep. Als je in alle duels een stap te traag en te licht bent, is er duidelijk iets mis. Speltechnisch en op het gebied van vorming en opleiding lagen wij ver onder. Als je diezelfde tekorten vaststelt bij de jeugd, bij de spelers in eerste klasse, tweede klasse, tot in provinciale, dan lijkt het mij hoog tijd om er iets aan te doen. Wat waren die tekorten ? JACOBS : Wij kwamen in zowat alle onderdelen tekort. Voetbal is alomvattend geworden. Dertig jaar geleden kon je nog zeggen : ik heb techniek, laat de anderen het loopwerk maar doen. Dat kan niet meer. Je moet sterk zijn op vele gebieden : fysiek, mentaal, technisch en tactisch. Het allerzwakste punt was de techniek op het moment dat het snel moet gaan. De snelheid van uitvoering was er niet. En je merkte dat de basiselementen van de fysiek ontbraken : lenigheid, wendbaarheid, snelheid en explosiviteit. Onze toonaangevende ploegen hebben via een goede tactiek altijd veel feilen kunnen verdoezelen. Dat vind ik geen oneer, gezien onze beperkte middelen en ons beperkt recruteringsveld. Je moet de wapens die je hebt gebruiken. Helaas leidde dat succes ertoe dat ze op lager niveau die manier van spelen gingen kopiëren. Zowel eersteploegtrainers als jeugdtrainers. Dat was een verkeerde evolutie. Zelfs de kleinste voetballertjes werden op die manier misvormd in plaats van gevormd. En daar ondervinden wij nu de nadelen van. Sinds kort is er wel een lichte kentering. Je hebt zelf initiatieven genomen. Onder meer door te proberen de libero te verbieden en de kleintjes op een half veld te laten spelen met zeven tegen zeven, zodat ze wat vaker aan de bal zijn. JACOBS : Iedereen roept : we hebben een gebrek aan creatieve spelers die een beslissende actie kunnen opzetten, en die iets kunnen laten zien waarvoor de tribune rechtveert. Maar als de jongste spelertjes de kans niet krijgen om dat uit te proberen, zal het hen op hun twintigste ook niet meer lukken. Op dat gebied bestaan er geen mirakels. Een moderne ploeg heeft goed meevoetballende verdedigers nodig, die als ze oprukken een meerderheid creëren. Maar hoe kan je die spelers opleiden als ze weten dat er vijf meter achter hen nog een libero staat om de boel op te kuisen, en wat verderop ook nog een keeper ? Je kan jeugdtrainers niet verbieden om met een libero te spelen. En degenen die het doen, halen betere uitslagen dan degenen die het niet doen. JACOBS : Verbieden kan inderdaad niet. Daarin ben ik een paar jaar geleden te hard van stapel gelopen. Ik had de complexiteit en het logge karakter van de voetbalwereld onderschat. Ik vind nog altijd dat ik gelijk heb, en dat ik mijn theorie met argumenten kan staven. Ik heb er ook op gedrukt dat het mij niet alleen om de latere profvoetballers of internationals te doen was. Spelers die nu tien jaar zijn, maken over tien jaar op alle niveaus de dienst uit. Of dat nu in het eerste van Anderlecht of in het eerste van een derdeprovincialer is. Het is dus voor iedereen nuttig om de opleiding beter te verzorgen en om verder te kijken dan het resultaat van de eerstvolgende match. Ik ben niet tegen een libero in eerste klasse of in de nationale ploeg, maar in de jeugdreeksen lijkt het mij nefast. Zo leert niemand iets bij. Het onderwijssysteem bouwt ook geleidelijk op. Eerst leren optellen in het eerste. Later vermenigvuldigen in het tweede. Het gaat om een algemeen programma voor een periode van twaalf jaar. Ook in de voetbalopleiding moet wat meer pedagogiek zitten. De jongste spelertjes moeten met trial and error eerst de nodige vaardigheden aanleren. Laat ze iets proberen, laat ze fouten maken en leer ze dan gaandeweg hoe ze die fouten kunnen vermijden. Hoe ze een tegenstander moeten dekken, hoe ze positie moeten kiezen, dat komt veel later wel aan bod. Maar ook die jeugdploegen willen winnen en de rangschikking aanvoeren. JACBOS : De entourage van die jeugdploegen wil winnen. De trainers, de begeleiders, het bestuur, de ouders. Die jonge spelertjes zelf willen hun wedstrijd wel winnen, maar een dag later zijn ze de uitslag al vergeten. Die hebben geen overzicht over het seizoen en liggen dus zeker niet wakker van de stand. Het zijn de ouderen die de kinderen opzadelen met het belang van de klassering. En in dat geval moet de opleiding wijken voor het resultaat. Heb je de ene week verloren omdat de rechtsachter te vaak naar voren trok, dan wordt die jongen ingepeperd dat hij de volgende week op zijn plaats moet blijven. Maar voor zijn vorming is het misschien beter dat hij nog wat vaker naar voren trekt. We hebben al te vaak spelers gehad die op hun achttiende plots in de eerste ploeg komen, een goede indruk maken, maar daarna blijven steken. Dat komt omdat ze de eindfase van hun opleiding, de tactische spitsvondigheidjes, al jaren voordien hebben gekregen, waardoor de begin- of tussenfase verwaarloosd is. Voor alles is een leeftijd. Je leert een kind van zes jaar ook niet eerst Frans schrijven en daarna Nederlands. Onze jeugdopleiding moet veel meer verlopen volgens een algemeen programma, dat door echte specialisten is opgesteld. Een schoolopleiding wordt ook niet overgelaten aan de ingevingen van een goedmenende onderwijzer. Voor de grote meerderheid van de clubs is het een financiële kwestie. Ze hebben geen geld om gediplomeerde jeugdtrainers aan te trekken. Het zijn dus vrijwilligers, en die hebben dan weer geen tijd of interesse om ook nog eens een opleiding te volgen. JACOBS : Dat is de kern van het probleem. Geen slecht woord over die vrijwilligers, want zonder hen zou de jeugd niet meer aan voetballen toekomen, maar je zet ook geen onopgeleide vrijwilliger in het eerste studiejaar. Wij hebben op de bond een vereenvoudigde cursus samengesteld, met daarin algemene principes en richtlijnen, en voorbeelden om ze toe te passen. Daarmee worden die mensen geen volwaardige trainers, maar kunnen ze wel zonder complexen een groep jonge spelertjes begeleiden. Eén van de plannen van de bondsvoorzitter houdt in om elke club te verplichten gediplomeerde Heizeltrainers in dienst te nemen voor de jeugd. Een eersteklasseclub vier, een tweedeklasser drie enzovoort. Dat is een belangrijke opwaardering van het trainersdiploma en de clubs zullen daar de vruchten van plukken. Maar ten vroegste over een paar jaren. Een andere kruistocht wordt gevoerd tegen de inertie van de overheid. Te weinig sport in het onderwijs, en veel te weinig subsidies om een degelijke infrastructuur uit te bouwen. De vergelijking met de goed onderhouden velden en trainingscomplexen in Nederland is pijnlijk. JACOBS : Ik ben pas in Nantes geweest. Als je ziet wat daar allemaal gebeurt. La Beaujoire is, als ik me niet vergis, gebouwd voor het Euro '84. Ze zijn het alweer helemaal aan het verbouwen voor de wereldbeker '98. Ik ben ook langs het oorspronkelijke stadion Marcel Saupin gereden. Ook dat is nog altijd piekfijn onderhouden. Ik neem aan dat daar een ploeg uit een lagere afdeling speelt. En dan heb je nog hun jeugdcentrum. Overal tartanpiste, goede verlichting, uitstekende grasvelden, groen rondom... Jeugdopleiding heeft inderdaad niet alleen te maken met trainers, maar ook met accommodaties. Ik verwijs opnieuw naar het onderwijs. In een goed onderhouden en comfortabel schoolgebouw kan je beter les geven en de leerlingen beter motiveren, dan in een bouwvallige barak. Op wat voor velden en in wat voor kleedkamers worden onze kinderen soms gedropt ? Maar ook hier komen we weer bij het geld terecht. Michel Verschueren brengt het elke keer weer onder het licht : in Frankrijk trekken federale en lokale overheden vele miljoenen uit om die sportinfrastructuur uit te bouwen. De resultaten daarvan zie je dan ook : in het voetbal, op de Olympische Spelen. Onze overheid moet eens inzien dat die goede uitslagen er niet toevallig komen, dankzij het talent of het doorzettingsvermogen van een paar enkelingen. Wel door goed gestructureerd en met goede middelen te werken. Een andere steeds weerkerende klacht is de gebrekkige fysieke conditie van de jeugd. JACOBS : Ik merk dat ploegsporten daarin de rol van de leraar lichamelijke opvoeding overnemen. Als je een bal gooit naar een spelertje van tien jaar en je voelt dat die jongen moeilijkheden heeft, motorisch of qua meest elementaire lenigheid, wat baat het dan om verder te gaan ? We verliezen veel tijd omdat we zaken moeten aanleren die in feite op school moeten worden aangeleerd. We mogen de allerjongsten niet al te snel specifieke voetbaltraining geven. Als ze ook af en toe een keer volleyballen, komt dat bijvoorbeeld hun springtechniek en hun coördinatievermogen ten goede. Ik denk dat alle ploegsporten gebaat zijn met een zelfde ruime basisopleiding. Als je daarvoor op het onderwijs rekent, mag je nog lang wachten. JACOBS : Dat besef ik. Het is de impasse waarin wij ons op dit moment bevinden. Ik merk wel dat de clubs het roer aan het omgooien zijn. Het aantal trainingen wordt opgetrokken en er wordt gezocht naar een samenwerking met bepaalde scholen die de voetballertjes een gunstiger lesrooster geven. Maar zelfs als dat in de praktijk goed zou lopen, lig je nog altijd een straat achter op buurlanden als Frankrijk, waar elke club een centre de formation heeft en de spelers de kans krijgen om tijdens de schooltijd één tot twee ker per dag te trainen. Zo een systeem kan je maar toepassen mits een goede organisatie en veel geld. Onze clubleiders klagen dat ze na het arrest-Bosman geen geld meer hebben voor hun jeugd. JACOBS : Ik kan ze begrijpen. Ik vind dat hun klacht al te gemakkelijk wordt weggeveegd als zijnde een achterhoedegevecht van mensen die zich niet bij het arrest-Bosman kunnen neerleggen. Ik heb de indruk dat België, ook op andere terreinen dan de sport trouwens, vooral met de negatieve gevolgen van de Europese eenmaking geconfronteerd wordt. Er wordt ons van alles en nog wat verboden. Maar dat een club in Frankrijk honderden miljoenen steun van de overheid krijgt en een club in België niet, dat mag blijkbaar. Dan is er geen sprake van concurrentievervalsing. Een club om te volgen, is KV Mechelen, waar Franky Vercauteren de vrije hand heeft gekregen. Hopelijk hebben ze daar genoeg geduld. JACOBS : Dat moet renderen op lange termijn, daar twijfel ik niet aan. En Mechelen zal dan wel navolging krijgen. Ik zie bij sommige clubs nu al een ommekeer. Een andere houding tegenover de jeugd, meer zorg voor de omkadering en begeleiding, betere infrastructuur, meer professionalisme op alle niveaus. Dat zijn gunstige tekens. Er zijn een paar pioniers bezig die de hele machine op gang kunnen trekken. De kwalificatie van onze Uefa's voor het WK in Maleisië is op dat gebied een hart onder de riem voor al wie het goed meent met ons voetbal. Al blijf ik erop hameren : staar je niet blind op de prestaties van de top in een bepaalde categorie, het is de basis die verzorgd moet worden. Vergeet niet dat we ons voor Besançon geplaatst hebben dankzij een goal in de laatste minuut. Valt die niet, dan spreekt niemand over onze Uefa-ploeg. Blijft de leiding over de jeugdploegen te combineren met de job van assistent-bondscoach ? JACOBS : Voorlopig wel. Toen Van Moer mij vroeg als assistent heb ik erop aangedrongen om de jeugd te behouden. Als het niet te combineren blijkt, zoeken we wel een oplossing. Maar ik hecht te veel belang aan de jeugd en het boeit me zozeer, dat ik niet wil afhaken. Hoop je ooit zelf bondscoach te worden ? JACOBS : Dat is een vraag die ik me niet wil stellen. Ik zeg niet dat het uitgesloten is of dat het me niet zou interesseren, maar voorlopig komt het niet ter sprake. Deze functie is voor mij totaal nieuw, het is dus zeker veel te vroeg om al aan een volgende te denken. Om de eerste-minister te parafraseren : geen vragen beantwoorden die niet aan de orde zijn. Koen Meulenaere We staan met de nationale ploeg voor een totaal nieuw gegeven. Het wordt interessant om zien hoe een en ander zich zal ontwikkelen. (Op de foto Günter Verjans en de Italiaan Casiraghi) Ariël Jacobs : Het succes van de nationale ploeg leidde ertoe dat men op alle niveaus de tactiek van de Rode Duivels ging kopiëren. De jongste spelertjes werden daardoor misvormd in plaats van gevormd. Het is niet zo dat je een plaats in de nationale ploeg hebt omdat je in het buitenland speelt. Wie in België behoorlijk presteert, maakt zeker evenveel kans. (Op de foto Bertrand Crasson in duel met de Italiaan Del Piero) Staar je niet blind op de prestaties van de top in een bepaalde categorie, het is de basis die verzorgd moet worden. (Op de foto Enzo Scifo en de Italiaan Ferrara)