Johan Capiot speelde de afgelopen jaren een bizarre hoofdrol in het Belgische kampioenschap. Volgende zondag is dat wellicht niet zo.
...

Johan Capiot speelde de afgelopen jaren een bizarre hoofdrol in het Belgische kampioenschap. Volgende zondag is dat wellicht niet zo. HET Belgische kampioenschap wielrennen op de weg van 1993, in het Limburgse Peer : het peloton stormt naar de meet en Johan Capiot, die voor het Nederlandse TVM rijdt en zonder ploegmaats in de koers zit, neemt favoriet Johan Museeuw op sleeptouw in de laatste rechte lijn. Museeuw wint, Capiot eindigt tweede en wordt verwenst wegens onsportief gedrag. Het BK van 1995, in Geel : in de laatste kilometer plaatst Carlo Bomans een nijdige demarrage. Johan Capiot, in dienst van het Italiaanse Refin en zonder ploegmaats in de koers, perst alles uit het lichaam om de kloof te dichten. In het wiel van Capiot zit zijn trainingscompagnon en streekgenoot Wilfried Nelissen. Die wordt door Capiot voorbeeldig gelanceerd en houdt in een prangende eindsprint Tom Steels achter zich. Achteraf wordt Capiot aan de schandpaal genageld : Ernest De Vuyst, voorzitter van de wielerbond, noemt de houding van Capiot openlijk een slechte zaak voor de wielersport en in het milieu heet het smalend dat Nelissen zijn vriend voor zijn gebaar rijkelijk zal honoren door hem in 1996 in de Lotto-ploeg op te nemen. Zo ver is het uiteindelijk niet gekomen. Nelissen pleitte tijdens het afgelopen tussenseizoen hartstochtelijk voor de komst van Capiot, maar zijn wens werd niet ingewilligd. Omdat de sterke persoonlijkheid van Capiot, die nooit een blad voor de mond neemt, weerstanden oproept ? Na financiële tribulaties met Refin (?Ze moeten me nog altijd zes maanden loon betalen?), belandde Johan Capiot voor zijn elfde seizoen als beroepsrenner bij het door Willy Teirlinck gedirigeerde Collstrop. Die samenwerking blijkt niet altijd even rimpelloos te verlopen. Het uitblijven van prestaties zorgde aanvankelijk voor paniek in de ploeg, één enkele keer werden de renners voor hun falen op een wat kinderlijke manier gestraft. De jongste weken loopt het wat beter, ook voor Johan Capiot die inmiddels al vijf wedstrijden won en meteen het nationaal kampioenschap, op de golvende wegen van het Waalse Chapel-les-Herlaimont, tot zijn hoofddoel bombardeerde. Maar een ongelukkig voorbereidingsprogramma, met achtereenvolgens drie wedstrijden in Amerika en de Ronde van Zweden, verstoorde dit voornemen. Johan Capiot protesteerde eerst, maar berustte vervolgens. ?Ik ben niet meer zo brutaal als vroeger,? zegt hij. En ook had hij had eerder bij Collstrop al een en ander meegemaakt. JOHAN CAPIOT : Wie naar een kleine ploeg gaat, is geneigd te denken dat de stress minder zal zijn dan bij een topteam. Maar dat blijkt een serieuze misvatting. Bij Collstrop was de druk al vanaf de eerste dag voelbaar. We moesten er meteen staan. Voor de Ster van Bessèges, bijvoorbeeld, werd iedere ochtend tijdens een vergadering de tactiek besproken. Dan denk je : wat gebeurt er hier ? Want de ploeg was absoluut niet klaar om al meteen te schitteren. Als het de ambitie is om dan al tegen die grote ploegen op te boksen, moet je met de renners in december en in januari op stage gaan. Hier, in het slechte weer en in de kou, kunnen renners onmogelijk aan dezelfde trainingsintensiteit geraken, zonder de risico te lopen hun gezondheid in gevaar te brengen. De mogelijkheid om naar het zuiden te trekken was er niet, dat liet het budget kennelijk niet toe. Uiteindelijk zijn we met een stuk of acht renners van de ploeg naar Benidorm getrokken om te trainen. We hebben dat uit eigen zak betaald. Ik mopper daar niet over, een renner mag zelf ook investeren in zijn seizoen. Maar die trainingen waren natuurlijk onvoldoende, conditioneel stonden we niet zo ver als de grote teams. Dat we aanvankelijk werden weggeblazen, verwonderde me absoluut niet. Maar Willy Teirlinck reageerde heel geprikkeld. Op een gegeven moment gaf hij jullie in een wedstrijd zelfs geen eten. CAPIOT : Dat was in een rit van de Driedaagse van De Panne. Er gingen tachtig renners weg, onder hen slechts één man van onze ploeg. Die kreeg wel zijn bevoorradingszakje, maar Teirlinck gaf de verzorger de opdracht om ons niets te geven. Dat betekent : je moet zo'n rit van 230 kilometer uitrijden zonder eten. Dat kan natuurlijk nooit. Je moet dus zelf je plan trekken, aan andere renners een bidon gaan vragen. En na de koers ben ik ergens een pannenkoek gaan eten. Ik ben een volwassen persoon, ik heb geld op zak, ik ga niet met honger rondlopen. Ik heb die beslissing van Teirlinck absoluut niet begrepen. Hoe kan een auto die geen benzine krijgt, nu rijden ? Hij heeft dat vorig jaar in de Tirreno-Adriatico ook al een keer gedaan, toen de ploeg een mindere dag kende. Ik begrijp dat echt niet. Geen enkele renner vertrekt in een koers om slecht te rijden. Die beslissing van Teirlinck is achteraf heel slecht gevallen in de ploeg. Want je moet het ook zo zien : op zo'n momenten word je door de andere renners in het peloton uitgelachen. Ik heb achteraf tegen Teirlinck gezegd dat ik dat geen manier van doen vond. Maar hij antwoordde dat we een keer op onze plaats moesten gezet worden. Op een bepaald moment begon het met jou toch beter te lopen. CAPIOT : Ik had dat ook ingecalculeerd, toen er geen trainingsstages geprogrammeerd stonden : die vorm zal er komen, maar pas later. Jammer genoeg waren de klassiekers toen voorbij. Niet dat ik kans maakte om één van die topwedstrijden te winnen, maar in de Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix heb ik in het verleden vaak toch goed gepresteerd. Alleen kom ik op het einde iets te kort, één keer over de kaap van 250 kilometer, ontbreekt het me aan uithouding om met de besten mee te gaan. Je moet daar heel realistisch in zijn. Ik herinner me de Ronde van Vlaanderen drie jaar geleden. Ik zat samen met Museeuw, Gianni Bugno, Franco Ballerini en Andrei Tsjmil in een kopgroep, maar op de Muur van Geraardsbergen werd ik als enige uit de wielen gereden. Als je dan op het vlakke op honderd meter hangt, je haalt alles uit je lichaam en je ziet de achterstand toch vergroten, dan weet je : dat is het verschil tussen een toprenner en een goeie coureur. Niettemin, met de conditie van de jongste weken begon ik me op te laden voor het Belgisch kampioenschap. De omloop ligt me : zwaar, maar niet te zwaar. Maar met dit voorbereidingsprogramma moet ik me geen illusies maken. Bij Collstrop moeten renners heel veel koersen, meer dan ik ooit in mijn carrière heb gedaan. Maar wat me nu voor de wielen geschoven wordt, dat is me nog nooit overkomen. Ik heb op zeven dagen drie wedstrijden in Amerika gereden, landde vervolgens op woensdagochtend om tien uur op Zaventem en dezelfde namiddag vloog ik door naar Stockholm om de andere dag in de Ronde van Zweden te starten. Met die jetlag in je lichaam. Ik ben geen zeurpiet, ik ga dan niet in opstand komen. Maar ik zeg wel : zo kan ik op het BK niet die prestatie leveren die anders, zonder die trip naar Amerika, misschien wel mogelijk was geweest. En in het BK had je natuurlijk wel iets goed te maken, na de gebeurtenissen van de afgelopen jaren. CAPIOT : Ach, over die kampioenschappen kan ik zoveel zeggen. Daar gebeuren zoveel dingen. Het is eigenlijk allemaal ook oneerlijk. Je staat alleen aan de start en bij Lotto zijn er bijvoorbeeld zeventien renners. Wat moet je dan gaan beginnen ? In ieder geval niet, zoals verleden jaar, in dienst rijden van Wilfried Nelissen. CAPIOT : Ik heb helemaal niet voor Nelissen gereden. Ik heb alleen die aanval op Carlo Bomans beantwoord. Omdat ik nog een eitje te pellen had met de Mapei-ploeg. Die waren we namelijk twee maanden daarvoor komen halen toen ik in Parijs-Roubaix alleen in de aanval ging. Ik had een kloof geslagen, ik reed heel sterk die dag, maar Franco Ballerini en Gianluca Bortolami zijn beginnen te achtervolgen, alsof hun leven ervan afhing. Dat lag zwaar op mijn maag. Toen zei ik : dat zet ik de ploeg nog wel betaald. Maar je kon het Mapei, dat toen met Ballerini Parijs-Roubaix won, toch niet kwalijk nemen dat ze achter je reden. CAPIOT : Natuurlijk niet. Maar dan mag je mij niet veroordelen omdat ik in het BK geen Mapei wil zien winnen. Dat Wilfried Nelissen in mijn wiel zat, dat kon ik niet weten. Kom, kom, jullie zijn goeie vrienden, gaan geregeld samen trainen. CAPIOT : Dat is juist. En we hebben ook gezegd : we gaan mekaar zeker niets in de weg leggen, we gaan proberen die nationale trui in ons groepje van vier te houden de vier die samen trainen, daar zijn ook nog Marc Wauters en Jim Van de Laer bij. Maar ik wilde vooral niet dat een Mapei won. Ik zou ook Museeuw zijn gaan halen. Terwijl je twee jaar daarvoor de spurt aantrok voor Museeuw. CAPIOT : Dat was iets anders. Toen had mijn sponsor gezegd : we willen niet dat je kampioen wordt, het interesseert ons niet om je in die driekleur te zien rijden. Ik heb dat twee dagen voor de wedstrijd trouwens tegen iedereen verteld. Ik zei : ik mag geen kampioen worden. En toen heb je de spurt voor Museeuw aangetrokken ? CAPIOT : Zo ongeveer, ja. Maar er zijn wel tien man die toen de spurt hebben voorbereid. Hoe gaat dat ? Op een gegeven moment wordt in een koers over een en ander gesproken. Waarom zeg je dan niet gewoon dat je ten dienste van Museeuw hebt gesteld en daarvoor werd vergoed. Al dat mysterieuze, dat hoeft toch niet ? CAPIOT : Absoluut niet. Ik ben beroepsrenner, ik wil geld verdienen. En ik mocht zelf niet winnen van mijn sponsor... Het ligt je wel om spurten aan te trekken. CAPIOT : Ik zou dat nu het liefst doen. Ik ben zelf snel, maar niet meer snel genoeg om het zelf af te maken. Daarom heb ik gezegd dat ik graag voor Nelissen de spurt zou aantrekken. Of voor iemand als Jeroen Blijlevens bij TVM. Of Erik Zabel bij Telekom. Heeft Nelissen je niet beloofd dat dat hij een woordje zou doen om je bij Lotto binnen te halen ? CAPIOT : Hij heeft dat ook geprobeerd. Uiteindelijk lukte hem dat niet. Ik neem hem dat niet kwalijk, hij lag zelf nog onder contract en dan kan je moeilijker eisen gaan stellen. Bovendien was het al laat op het seizoen. Uiteindelijk kwam je bij Collstrop terecht. Maar heel gelukkig lijk je niet. CAPIOT : Ik vind het jammer dat ik me niet in optimale omstandigheden op het nationaal kampioenschap kan voorbereiden. En ik begrijp niet goed dat er in het begin van het seizoen meer van je wordt verlangd dan in een kleinere ploeg, terwijl je minder kansen hebt om snel in topconditie te komen. De manier van koersen en trainen is veranderd. Het tempo ligt hoger, er wordt meer van het lichaam verlangd. Vandaar dat werken met een hartslagmeter zo zinvol is. Ik heb dat gedaan tot in de maand maart. Dan niet meer. Wie voor die manier van trainen kiest, moet ook tijdens de rittenwedstrijden op een dokter kunnen terugvallen. Alleen, die is er dus niet bij Collstrop. Terwijl dokters in het huidige bestel een absolute noodzaak zijn in een ploeg. Misschien zijn het tegenwoordig zelf de belangrijkste mensen. Willy Teirlinck zou dat toch moeten weten. Maar hij lijkt met zijn zenuwen geen raad te weten. Staat hij van hogerhand onder zware druk, heeft hij schrik voor zijn plaats ? CAPIOT : Dat geloof ik niet. Teirlinck heeft op sportief vlak alles te zeggen. Anders laten die mensen hem toch geen zes jaar doen. Maar wat heeft hij in die zes jaar eigenlijk opgebouwd ? Hij moet telkens weer vanaf het nulpunt beginnen. Die zenuwachtigheid van Teirlinck, dat is zijn karakter, hij zet zichzelf enorm onder druk. Ik heb zeven jaar voor TVM gereden, met Cees Priem als sportdirecteur, en die kon zich ook behoorlijk opwinden. Hij gaf ons na de wedstrijd soms vreselijk op onze donder, maar een keer 's avonds aan tafel wilde hij dat we lachten. Ik heb bij Collstrop in het begin ook geprobeerd om af en toe de stress te breken met een kwinkslag. Maar dat zijn ze in deze ploeg niet gewend. Ik moet bekennen : ik had nooit verwacht dat de aanpassing zo groot zou zijn. Valt het niveau van de ploeg je tegen ? CAPIOT : Iedereen zet zich in. Maar er zitten een paar neoprofs bij en het verschil tussen amateurs en beroepsrenners is groter dan ooit tevoren. Zeker in België. Dat hebben die open wedstrijden duidelijk gemaakt. Ik heb Zellik-Galmaarden gereden en Spa-Hasselt-Spa : vanaf het moment dat je op die hellingen demareert, moeten de beste liefhebbers achterblijven. Dat is het gevolg van hun onprofessionele manier van trainen. De bond zou bij de amateurs een rigoureuze splitsing moeten maken tussen de renners, die prof willen worden, en de anderen die koersen voor hun hobby. Nu wordt er in die semi-professionele ploegen met beiden gewerkt. Dat werkt remmend, zo is er geen doorstroming van talent. Daarom zie ik de toekomst in België niet rooskleurig in. Al hebben we gelukkig Frank Vandenbroucke. Een raspaard. CAPIOT : Absoluut. Alleen zal hij moeten leren dat hij om te winnen, ook over kameraden in het peloton moet beschikken. En heel veel vrienden heeft Vandenbroucke niet. Hij komt wat arrogant over. Dan gaan ze je op de duur isoleren. Ik kan daarover meepraten. Toen ik destijds prof werd, werkte ik bij Roland onder Guillaume Driessens. Die heeft een bepaald beeld van mij geschapen : je bent jong, je laat je doen. Maar ik voelde wel aan de manier van koersen van de anderen, dat ze dit accepteerden. Het heeft heel lang geduurd voor ik dat imago weer wat kwijtraakte. En intussen ben je 32 jaar en is de beste periode achter de rug. CAPIOT : Dat is zo. Toch hoop ik als renner nog de eeuwwisseling mee te maken. Maar dan het liefst in een andere rol, om de spurt aan te trekken voor iemand. Ik ben ervan overtuigd dat ik dan voor een ploeg een hoog rendement ga halen. Want, al zeg ik het zelf : ik heb inzicht, ik laat me door niemand opzijdrummen. Nu lijk je meer een renner zonder doel. CAPIOT : Zo zou je het inderdaad kunnen noemen. Al doe ik er nog altijd het maximum voor, probeer ik zoveel mogelijk FICP-punten te vergaren, pak ik op tijd en stond mijn overwinning mee en zijn er koersen waarvoor ik me enorm kan opladen. Zoals het nationaal kampioenschap. Daarom ben ik zo ontgoocheld dat ik nu door die voorbereiding mijn kansen moet missen. Jacques Sys Johan Capiot : We hebben zelfs geen dokter in onze ploeg. Wilfried Nelissen verslaat Tom Steels en Johan Museeuw in het Belgisch kampioenschap van vorig jaar : eigenlijk oneerlijk.Frank Vandenbroucke : weinig vrienden.