M ario De Clercq in en buiten de wedstrijden: een vat vol zenuwen. "Ik zet mezelf constant onder stress omdat ik alleen zo scherp blijf", zegt hij. De Clercq laat zich door niemand in een keurslijf drukken. Hij zegt wat hij denkt en bokst alle eventuele kritiek probleemloos van zich af. Zoals onlangs na het nationaal kampioenschap in Soumagne waarin hij vooraf beloofde voor zijn ploegmaat Marc Janssens te zullen werken, maar uiteindelijk zelf resoluut zijn kans ging. De wereldkampioen greep niettemin net naast de overwinning. "Daar heb ik vier dagen wakker van gelegen", sakkert Mario De Clercq. "Ik ben al drie jaar de beste Belg en kan dat niet bewijzen in het nationaal kampioenschap, daar kan ik moeilijk mee leven."
...

M ario De Clercq in en buiten de wedstrijden: een vat vol zenuwen. "Ik zet mezelf constant onder stress omdat ik alleen zo scherp blijf", zegt hij. De Clercq laat zich door niemand in een keurslijf drukken. Hij zegt wat hij denkt en bokst alle eventuele kritiek probleemloos van zich af. Zoals onlangs na het nationaal kampioenschap in Soumagne waarin hij vooraf beloofde voor zijn ploegmaat Marc Janssens te zullen werken, maar uiteindelijk zelf resoluut zijn kans ging. De wereldkampioen greep niettemin net naast de overwinning. "Daar heb ik vier dagen wakker van gelegen", sakkert Mario De Clercq. "Ik ben al drie jaar de beste Belg en kan dat niet bewijzen in het nationaal kampioenschap, daar kan ik moeilijk mee leven." Het tekent het temperament van de uit de Zwalmstreek stammende maar nu in Wortegem-Petegem wonende Mario De Clercq. Met die wilskracht ook hees hij zich van modale wegrenner op tot topper in het cyclocrossen. Als jonge renner liet de zoon van ex-wereldkampioen René De Clercq (hij won in 1969 bij de amateurs voor Roger De Vlaeminck) de greppels links liggen omdat hij voor zichzelf meer perspectief zag op de weg. Hoewel hij behoorlijk snel is, kwam hij bij de profs niet verder dan in totaal acht overwinningen. Roger De Vlaeminck duwde de ex-elektricien drie jaar geleden weer het veld in. De Clercq botste in eerste instantie op veel argwaan: zijn collega's vroegen zich openlijk af wat een mislukte wegrenner in hun wereldje kwam zoeken en scholden hem in de kleedkamer uit. Maar De Clercq (bijna 33) laat zich niet snel intimideren. Hij legde iedereen met een paar sterke prestaties snel het zwijgen op en bekroonde een opmerkelijke opgang vorig jaar met een wereldtitel in het Deense Middelfart. Mario De Clercq bevestigde de voorbije maanden op een imponerende manier. De regenboogtrui blijkt hem bij momenten een aureool van onaantastbaarheid te hebben bezorgd. Anderhalve week geleden gooide hij de wereldbeker op zijn erelijst. De Clercq, inmiddels ook de autoritaire nummer één op de UCI-wereldranking veldrijden, kan tevreden zijn over zijn campagne. Alleen de nederlaag in het nationaal kampioenschap ligt nog zwaar op zijn maag.Mario De Clercq: Achteraf bekeken moet ik de schuld daarvoor alleen bij mezelf zoeken: ik heb die spurt veel te laat ingezet. Normaal gezien kan ik nooit verliezen. Ik ga niet gauw een cassante uitspraak doen over mezelf, daarvoor ben ik te veel een zwartkijker, maar ik durf toch zeggen: geen enkele veldrijder is sneller dan ik. Die spurt heeft zich intussen al honderd keer in mijn geest ontrold. Ik droom er zelfs 's nachts van. En ik zie me telkens met grote overmacht winnen. Maar als ik dan opsta en naar de videobeelden kijk, merk ik dat het anders uitdraaide. En dat Marc Janssens net een tikkeltje sneller was. Janssens wond er zich achteraf over op dat je je belofte vergat om voor hem te werken.De Clercq: Janssens realiseerde zich heel goed dat ik dat nooit zou doen. Hij weet dat je een kampioenschap niet weggeeft. Ik heb dat gewoon gezegd om de druk wat van me af te houden, om het gewicht van de wedstrijd niet alleen op mijn schouders te krijgen. Ik dacht: misschien krijg ik zo voor een keer vrije baan. Dat bleek een misrekening. Niettemin heb ik in Soumagne een van de beste wedstrijden uit mijn carrière gereden. En als ik in de laatste ronde die slipper niet maak, dan win ik. Maar vervolgens heb ik de spurt te laat ingezet. En werd ik wat gehinderd door Sven Nijs. Niet opzettelijk, ik neem die jongen niets kwalijk, Sven is een van de eerlijkste en fairste renners uit het milieu. Hij wilde ook als tweede in die bocht duiken, achter Janssens, door onze stommiteit heeft Janssens die titel eigenlijk cadeau gekregen. Janssens ziet dat helemaal andersom. De Clercq is iemand die graag geschenken krijgt, maar er nooit uitdeelt, riep hij uit.De Clercq: Ach, ik ken Janssens. Ik weet van wie die uitspraak komt, ik reageer daar niet op. We rijden in dezelfde ploeg, maar in wezen speelt dat in het veldrijden geen enkele rol. Jullie zullen nooit vrienden worden.De Clercq: Daarvoor liggen onze karakters te ver uit mekaar. Je kan niet met iedereen overeenkomen. Ik wil trouwens ook niet met iedereen overeenkomen, ik ben altijd rechtuit. En wat Janssens betreft, ik zeg altijd: vanaf het moment dat hij niet in mijn weg rijdt, is dat voor mij voldoende. Bepaalde dingen worden altijd opgeklopt. Ik eindigde eens tweede in een wereldbekerwedstrijd, net voor Janssens. Toen werd daar een polemiek over gemaakt en hoorde je dat ik die tweede plaats van hem had gekregen. Maar wie weet of ik anders ook niet als tweede zou zijn geëindigd? In het begin van het seizoen won ik een wedstrijd in Niel, ik reed daar samen met Janssens voorop. Achteraf hoorde ik dat ik van mijn sponsor moest winnen. Dan zeg ik: in die omstandigheden haal ik het altijd. Maar de concurrentie is groot in dit wereldje, heel groot. Dat zorgt wel eens voor irritaties.Toch hoor je vaak zeggen: geen wereldje waarin de renners meer aan mekaar klitten dan het veldrijden.De Clercq: Als ik dat hoor, moet ik altijd eens lachen. Er zijn er die mekaar de kop zouden afbijten. Het gaat er echt heel scherp toe. Zeker sinds het prijzengeld zo opgedreven is. Heb je er spijt van dat je zo laat naar het veldrijden overstapte?De Clercq: Als je ziet welk niveau ik nu haal, dan is dat inderdaad jammer. Terwijl ik in de jeugdreeksen een behoorlijke cyclocrosser was. Ik sprong zelfs met de fiets over de balken, op de manier waarop Sven Nijs dat doet. En ik eindigde eens tweede in een nationaal kampioenschap voor juniores. Maar hoe gaat dat vaak in een carrière? Het toeval speelt een grote rol. Als amateur werd ik ooit aan de knie geopereerd waardoor ik een hele winter inactief moest blijven. Ik begon heel fris aan het wegseizoen, fietste me meteen in de nationale ploeg, ik won een rit in de Vredeskoers. Dan denk je: ik kan ook op de weg een carrière uitbouwen. Bovendien kende het cyclocrossen toen een kwakkelperiode, je kon daar moeilijk prof worden. Ik was net getrouwd, wilde geld verdienen. Ik kwam er al snel genoeg achter dat ik op de weg de inhoud miste om het gewicht van een ploeg te dragen. Daar had ik geen problemen mee. Ik schikte me in de ploeg van Jan Raas probleemloos in een helpersrol, ik was een beetje de luxeknecht van Edwig Van Hooydonck. Toen die naar Lotto overstapte, was het logisch dat ik meeging. Maar toen begon de ellende. Je werd bij Lotto tegen wil en dank kopman.De Clercq: Omdat Van Hooydonck in extremis toch die overstap niet maakte. Hij had een tweejarig contract gevraagd maar kreeg maar een overeenkomst voor een seizoen. Na hoogoplopende discussies bleef hij uiteindelijk bij Raas. En werd ik samen met Peter De Clercq het speerpunt van de ploeg. Ik moet zeggen: iedereen werkte heel hard voor mij, maar in de spurt kwam ik telkens net iets te kort. Dat vrat behoorlijk aan me, de inspanningen die werden geleverd en het onvermogen om het dan af te maken. Ik ging kapot van de zenuwen, ik voelde me schuldig tegenover de ploegmaats, ik leefde toen met een bijna verlammende stress. Terwijl ik me eigenlijk niets te verwijten had: ik was snel, maar net niet snel genoeg. Die laatste jump, de explosiviteit in de laatste vijftig meter, die ontbrak. Mijn geluk is geweest dat ik in 1995 in een etappe van de de Ronde van Frankrijk buiten de tijdsgrens arriveerde. Samen met vijf andere ploegmaats. De daaropvolgende week liet Lotto ons weten dat we naar een andere werkgever mochten uitkijken. Zo geraakte ik in contact met Palmans, mijn huidige sponsor. Waar je in contact kwam met Roger De Vlaeminck.De Clercq: Ik kende Roger al langer via mijn vader die een heel goede vriend was van Eric De Vlaeminck. Roger overtuigde me om het weer als veldrijder te proberen. Hij zei: jij hebt daar de geboren souplesse voor. Ik denk dat dit inderdaad een van mijn grootste kwaliteiten is. Ik merkte dat al bij de jongeren: als je van de weg naar het veld overstapt heb je lang last van stijfheid. Wel, bij mij was dat nooit het geval. Vervolgens ben ik met Roger beginnen te trainen. In mijn allereerste wedstrijd voor Palmans, het nationaal kampioenschap in Overijse, eindigde ik al meteen derde. Ze waren opgetogen, ze hadden nog nooit zoveel publiciteit op de televisie gekregen. Tot op dat moment had ik nauwelijks aan specifieke veldrittraining gedaan. Het daaropvolgende seizoen won ik meteen de Superprestige-wedstrijd in het Tsjechische Pilzen. Ik was daar toen op eigen kosten naartoe gegaan, ik kreeg zelfs geen startpremie. Wat heb je van Roger De Vlaeminck geleerd?De Clercq: Hij gaf me een gedetailleerd schema mee waaraan ik me ook vandaag nog altijd hou. En hij leerde me vooral om bergop te lopen. Verder werkte hij aan mijn techniek, vooral dan voor het rijden in de modder. Hoewel ik van nature heel stuurvaardig ben, is dat lang een van mijn problemen geweest. Ik wist niet hoe ik in het slijk een afdaling moest nemen, met welke snelheid en met welk gevoel ik een bocht diende in te gaan, ik was gewend om op een harde ondergrond te draaien. Ik verloor aanvankelijk altijd terrein ten aanzien van de anderen. Belangrijk is: voor welke sporen moet je in het rijden en lopen kiezen? Ik vind dat nog altijd een van de moeilijkste onderdelen van het vak. Maar ik denk dat ik vooral op mentaal vlak een enorme progressie heb gemaakt onder Roger De Vlaeminck. Ik was aanvankelijk heel snel tevreden als veldrijder: een paar uitschieters in grote crossen, een reeks ereplaatsen in wedstrijden om de Superprestige, en ik glimde van trots. Maar Roger De Vlaeminck pakte me toen altijd hard aan. Hij zei: jij mag nooit met minder tevreden zijn dan met de eerste plaats. Dat bleef hij herhalen, tot vervelens toe. Zo wakkerde hij mijn ambitie aan. Met succes. Nu heb ik een onvoorstelbare zegehonger. Ik wil altijd winnen. Liefst met panache. Want als ik goed ben, dan wil ik koersen. Ik ben geen cijferaar. Daarvan zijn er in het veldrijden al genoeg. Gasten die rekenen en zo proberen te winnen. Daar heb ik een hekel aan.Soms ga je te kwistig met je krachten om.De Clercq: Dat is mijn karakter. Mijn vader zegt soms: je bent gek. Ook al omdat ik alle verplaatsingen naar het buitenland met de auto doe, ik zal niet zo snel het vliegtuig nemen. Mijn vader rijdt, die bekommert zich om het materiaal. Ik heb graag dat hij bij me is, dat zorgt voor een geestelijke rust. En die is welkom want ik ben uiteindelijk al zenuwachtig genoeg. Je hebt nooit sterker gereden dan de afgelopen maanden. Is dat de magie van de regenboogtrui?De Clercq: Die heeft vooral voor een verhoogde trainingsintensiteit gezorgd. Niet dat ik het vroeger gemakkelijk opnam, maar als het hard regende en waaide, dan had ik al eens de neiging om thuis te blijven. Nu niet. Ik wilde niet afgaan, ik wilde er al van de eerste cross staan. Dat is me gelukt. Dat labeurwerk op training ga ik ook in de toekomst als basis gebruiken. Ik ben nu 33 en misschien klink het gek, maar ik kan als veldrijder nog evolueren. Niet conditioneel, maar technisch. En dan bedoel ik: ook goed presteren op omlopen waar je het kleine verzet moet ronddraaien. In het zand bijvoorbeeld: ik heb dit seizoen de wereldbekerwedstrijd in Koksijde gewonnen. Dat is een teken dat ik dit seizoen progressie boekte. Anderzijds gaat mijn voorkeur uit naar een parcours waarop ik de grote molen kan duwen, waarop er snel kan worden gefietst. Daarom is het voor mij goed dat op vrijwel ieder parcours het accent wordt gelegd op snelheid. Zoals op die hardbevroren omloop waarop ik wereldkampioen werd. Die was voor mij op maat geknipt. Hoe het in Poprad wordt, moet ik afwachten. Ik hoor dat er sneeuw ligt. Mij niet gelaten. Voor het seizoen zei je op twee objectieven te jagen: de wereldbeker en het wereldkampioenschap. De eerste buit is al binnen.De Clercq: Op die zege in de wereldbeker heb ik echt gejaagd omdat ik vind dat de uitstraling veel groter is dan de Superprestige. Het deelnemersveld heeft een meer internationaal karakter, er wordt feller gestreden. Het zou schitterend zijn om nu die wereldtitel te behouden. Alleen: de afgelopen jaren hebben niet veel veldrijders hun wereldtitel kunnen verdedigen. Je moet ook wat geluk hebben, zoals in Denemarken: ik val onmiddellijk aan, Erwin Vervecken zit in de achtergrond en is tot passiviteit veroordeeld. De tegenstand zal zwaar zijn. Ik verwacht vooral Thomas Frischknecht. Dat is volgens mij de veruit meest klasrijke veldrijder. Die soepelheid, die elegantie, niemand die daaraan kan tippen. Hij heeft de voorkeur gegeven aan het mountainbiken, anders was hij gegarandeerd al een keer of vier wereldkampioen geweest. Na een zo Belgisch gekleurd seizoen zou er eigenlijk een Belg moeten winnen.De Clercq: Wij beschikken natuurlijk wel over de twee renners die in de toekomst gaan domineren: Sven Nijs en Bart Wellens. Klasse tegen kracht, dat gaan interessante duels worden. Al ben ik de komende twee jaar niet van plan om me door hen opzij te laten drummen. Daarvoor is de ambitie te groot en zet ik me te veel onder druk. Psychisch is dat vreselijk inspannend. Na zo'n winter is de batterij helemaal leeg. Dan neem ik acht weken vakantie. Om vervolgens weer op de weg te beginnen. Waar je zelf je tempo bepaalt, zonder stress, zonder prestatiedwang.De Clercq: Ergens wel. Maar toch wil ik ook daar niet afgaan. Dan trek ik naar een nationaal kampioenschap met de wil om in de eerste tien te eindigen. Of neem ik me voor minimaal één wedstrijd te winnen. Ik jaag mezelf constant op, daar voel ik me het best mee, het is voor mij de enige manier om te presteren. Die instelling had ik als wegrenner nog niet. Vaak was ik ook door de omstandigheden tot passiviteit veroordeeld. Zoals bij Lotto: de ploegmaats het vuile werk zien opknappen, gewoon meegaan in de wielen en er dan niet in slagen de klus af te maken. Nu kan ik alles zelf in handen nemen. Van de eerste tot de laatste meter. Dat is de charme van het veldrijden. Jacques Sys