Soms vraag ik me af hoelang alles duurt. Tot ik mijn ogen opendoe en de geur van speculaas ruik. Het is een sterk overheersende, maar geen onaangename geur. Integendeel zelfs: hij komt vertrouwd over. Vier jaar woon ik in dit appartementsblok, ik ken het ritueel van het huis. Elk jaar bakt mijn huisbaas Herman Van Dessel een keer speculaas, voor zijn huurders en naasten. Altijd op een grijze winterochtend, wanneer de zomernog maar een vage herinnering is.
...

Soms vraag ik me af hoelang alles duurt. Tot ik mijn ogen opendoe en de geur van speculaas ruik. Het is een sterk overheersende, maar geen onaangename geur. Integendeel zelfs: hij komt vertrouwd over. Vier jaar woon ik in dit appartementsblok, ik ken het ritueel van het huis. Elk jaar bakt mijn huisbaas Herman Van Dessel een keer speculaas, voor zijn huurders en naasten. Altijd op een grijze winterochtend, wanneer de zomernog maar een vage herinnering is. Ik draai me om in bed, sta op en wandel de trap af. Hij staat aan de oven. 'Waarom doe je dat?', vraag ik. 'Het is een oude familietraditie', antwoordt hij. De Van Dessels zijn een bakkersgeslacht. In 1883 verhuisde zijn overgrootvader van de rand naar Antwerpen. Op zoek naar een beter leven, begon hij speculaas te bakken voor de stad. Ook zijn grootvader Jules was verslaafd aan de geur. Heerlijke, beetje autoritaire man, volgens Herman. Maar ook een man van de wereld. Hij liet twee huizen ombouwen tot een grote bakkerij in art deco. Voor de afwerking huurde hij de beste stielmannen van de stad in: J. Huybrechts voor het verzilveren van de spiegels, Huis Jos de Belder voor de decoratieschilderingen in terpentijn, D. Lamot en zoon voor de gordijnen in toile de soie. En de gebroeders Slaets voor een houten rolluik en voor een automatische markies in indantreen. Materialen die amper nog te vinden zijn. Net als de meeste familiebedrijfjes: ze hebben de strijd tegen de moderne tijd verloren. Van Dessel kreeg zijn laatste factuur op 19 december 1932 van de gebroeders Somers: 35.604 frank om een vitrine in zwarte marmer te bouwen. Veel geld in die tijd, maar Van Dessel had een speciaal verzoek: hij wou zijn naam op de voorgevel laten graveren. De man droomde, drie jaar na de beurskrach, graag groots. De art-decobakkerswinkel opende in 1933. Het was niet de bedoeling dat Herman hetzelfde zou doen. Maar na een mislukte studie geneeskunde, lonkte de familietraditie. 'Op één voorwaarde', zei zijn vader. 'Je moet eerst speculaas leren bakken.' Vier jaar stond Herman aan de oven, als bakkersgast. Daarna, in 1970, werd hij chef van de familietraditie. Elke dag verkocht hij 30 kilo koeken en speculaas. Uit heel het land kwamen ze voor zijn pain à la grecque, zijn biscuit-vanille. En voor het brood: drie boodschappenjongens had Van Dessel in dienst. Elke morgen vertrokken die met hun bakfiets. Een naar het noorden, de andere naar het zuiden, de laatste naar de rest van de stad. Het waren zijn speculaasdagen. Panos moest nog uitgevonden worden en in de supermarkt lagen er maar twee soorten broden: een wit en een grijs. In 1998 stopte Van Dessel met de zaak. Hij vond geen opvolger en was de regels moe. Veel van de oude ambachtsinstrumenten van Jules Van Dessel moesten vervangen worden, hoewel ze nog kwiek waren. Het gebouw dreigde averij op te lopen, maar dat zag Herman niet zitten. Twee jaar na het einde van broodinstituut Van Dessel, belde de administratie: 'We komen controleren of uw bakkerij eindelijk aangepast is aan de tijd.' 'De bakkerij is allang dicht', antwoordde Herman. Nostalgie had voor één keer van de regels gewonnen. Ze heeft ook een geur. 'Ik moet naar de oven', zegt Herman. 'Of alles bakt aan.' Wanneer ik terug thuis kom, ligt er een speculaas voor mijn deur. Soms, heel soms, duren dingen heel lang.