Op 15 oktober moest België de begroting voor 2014 aan de Europese Commissie voorleggen. Als de Commissie zou vinden dat we het huiswerk moesten overdoen, dan hadden we dat nu al geweten. Aan het ergste zijn we dus ontsnapt. Maar het is wachten op Europees commissaris Olli Rehn, die half november vermoedelijk nog wel wat commentaar zal geven op onze plannen. Pas daarna mag het Belgische parlement over de begroting stemmen.
...

Op 15 oktober moest België de begroting voor 2014 aan de Europese Commissie voorleggen. Als de Commissie zou vinden dat we het huiswerk moesten overdoen, dan hadden we dat nu al geweten. Aan het ergste zijn we dus ontsnapt. Maar het is wachten op Europees commissaris Olli Rehn, die half november vermoedelijk nog wel wat commentaar zal geven op onze plannen. Pas daarna mag het Belgische parlement over de begroting stemmen. Veel tijd voor een fundamentele discussie is er hier dan niet meer. Want Europa vraagt uiteraard ook dat alles rond is voor het einde van het jaar. In de wandelgangen klinkt steeds luider de kritiek dat de Europese bemoeizucht erg ver begint te gaan. Leven we nog wel in een democratie, nu blijkt dat we vooral dictaten van bovenaf moeten volgen? Het antwoord op die vraag is genuanceerd. De afspraak dat landen die met de euro betalen hun begroting tegen vijftien oktober aan de Commissie moeten voorleggen, ligt vast in een Europese wet. Die is in het voorjaar van 2013 door álle lidstaten goedgekeurd. De Belgische regering stond dus achter dat plan, meer nog: ze was er een enthousiast verdediger van. Een Europese wet heeft niet enkel het akkoord nodig van een meerderheid onder de lidstaten, maar ook van het rechtstreeks verkozen Europees Parlement. 78 procent van de Europese parlementsleden steunde het voorstel. Van de 22 parlementsleden die in België verkozen zijn, stemden vijf socialisten en één lid van het Vlaams Belang tegen. Er was één onthouding en alle anderen stemden voor de nieuwe afspraak. Het verzet van de socialisten betrof de eenzijdige Europese nadruk op begrotingsdiscipline, niet zozeer de Europese bemoeie-nis met nationale begrotingen op zich. Eigenlijk is er een heel ruime consensus: als landen één munt delen, dan is het logisch dat ze gezamenlijke afspraken maken over hun begrotingen. We kunnen dus moeilijk zeggen dat de afspraak om nationale begrotingen eerst voor te leggen aan Europa alle regels van de democratie tart: onze regering en parlementsleden stemden ermee in. Maar, wordt er dan gemopperd, het is de on- verkozen Europese Commissie die uiteindelijk oordeelt. Wie is Olli Rehn, vroeg Paul Magnette zich enkele maanden geleden boos af. Hij zou het eigenlijk mogen weten, want het zijn de nationale regeringen, die elk verantwoording verschuldigd zijn aan hun parlement, die de kandidaat-commissarissen naar voren schuiven. Die kandidaten moeten de steun krijgen van alle lidstaten. Bovendien moet een kandidaat-commissaris voor hij aan zijn mandaat begint in het Europees Parlement een examen afleggen over zijn nieuwe bevoegdheid. Urenlang leggen parlementsleden de kandidaat op de rooster. Kent hij zijn dossiers wel? Wat zijn z'n plannen? Wat is zijn ruimere visie op de Europese samenwerking? Wie niet overtuigend uit de hoek komt, wordt vervangen. Een nieuwe Europese Commissie kan pas beginnen te werken als ze nadrukkelijk het vertrouwen van het Europees Parlement kreeg. Dat parlement kan overigens op elk moment een motie van wantrouwen indienen. Laten we dat even vergelijken met de samenstelling van een regering bij ons: hier zijn het de politieke partijen die kandidaat-ministers naar voren schuiven. Nooit moet een kandidaat voor het parlement bewijzen dat hij zijn materie beheerst. Een motie van wantrouwen tegen de regering maakt alleen kans als het binnen de regering zelf al tot een breuk is gekomen. Anders gezegd, als we de nationale democratie als referentie nemen, dan moet Europa daar niet voor onderdoen. Integendeel. Is er dan geen probleem? Toch wel. Beleidsmakers spreken vaak met gespleten tong. Ze nemen beslissingen op Europees niveau, maar hebben niet altijd de moed om die in eigen land ook uit te leggen. Zo blijft de indruk bestaan dat de Europese politiek zich afspeelt in een donker circuit, waar gewone stervelingen geen vat op hebben. Dat is een fout beeld, want voor de Europese beslissingen zijn we zelf ook verantwoordelijk, via onze regeringen en Europarlementsleden. Maar een democratie bestaat pas echt als er ook debat en discussie is. Onze gewoonte om Europese debatten te laten overwoekeren door binnenlands nieuws is dan ook een groter probleem voor de democratie dan de besluitvormingsmechaniekjes van de Europese instellingen. Als landen één munt delen, is het logisch dat ze gezamenlijke afspraken maken over hun begrotingen.