Met muziekinstrumenten is het zoals met aardappels. Met moderne technologie kun je ze de meest onwaarschijnlijke eigenschappen geven, maar de meest verrassende resultaten krijg je door ze gewoon te kruisen. Dat tweede proces verloopt moeizamer, maar het is ambachtelijker. Op dezelfde manier kun je vandaag digitaal elke denkbare klank produceren, én bovendien elke denkbare manier om die aan te spelen: door een virtuele lasersnaar te betokkelen, door de wind of de golfslag van de zee te kanaliseren, zelfs door het aftappen van emoties.
...

Met muziekinstrumenten is het zoals met aardappels. Met moderne technologie kun je ze de meest onwaarschijnlijke eigenschappen geven, maar de meest verrassende resultaten krijg je door ze gewoon te kruisen. Dat tweede proces verloopt moeizamer, maar het is ambachtelijker. Op dezelfde manier kun je vandaag digitaal elke denkbare klank produceren, én bovendien elke denkbare manier om die aan te spelen: door een virtuele lasersnaar te betokkelen, door de wind of de golfslag van de zee te kanaliseren, zelfs door het aftappen van emoties. De ambachtelijke manier is een stuk aantrekkelijker en irrationeler. In het verleden zijn eindeloos veel geweldig sympathieke instrumenten gebouwd die het eventjes goed deden (van de stylophone uit 1967 die je met een pen moest bespelen zijn ooit drie miljoen exemplaren verkocht) of die nooit helemaal zijn doorgebroken (de slimme glasharmonica van Benjamin Franklin, wordt wél nog altijd gemaakt). Sommige waren meteen doodgeboren, zoals de arpeggione, een kruising tussen een (hoge) cello en een gitaar: zes relatief lage snaren, 22 frets, gespeeld met een boog. Als we de naam nog kennen, dan is het omdat de maker ervan aan Franz Schubert vroeg om er een stuk voor te schrijven. Die charmante Sonate voor arpeggione en piano werd wél zeer bekend. Maar ze wordt nooit meer op arpeggione gespeeld. Net van die sonate zijn ons deze week twee versies in de schoot geworpen: die van het Trio Dali op Steinwaypiano en cello (Fuga Libera), en die van Jan Vermeulen op pianoforte met France Springuel op een vijfsnarige cello-piccolo (Etcetera). Springuels keuze ligt voor de hand, omdat je op de gewone cello vooral hoge noten moet spelen en dan heel complexe vingerzettingen krijgt. Haar versie is dan ook wat spontaner en net iets zangeriger. Pianoforte en piano klinken erg verschillend, maar het meest opvallend is hier dat ze een totaal andere invloed op het strijkinstrument hebben. De pianoforte klinkt minder lang uit, zodat het legato-effect veel meer van de cello moet komen. Bij pizzicato's is de klank zelfs amper vergelijkbaar. De rol van de pianoforte is ook een stuk bescheidener dan die van de Steinway van het Trio Dali, die de sonate veel luchtiger doet klinken. Misschien wel té luchtig: de Weense suikerspin is soms niet veraf, en dat doet Schubert oneer aan. De brommende bassen van de pianoforte bieden dan weer veel meer heftigheid en dramatiek: het daverende slot van de eerste beweging kon niet meer verschillen in beide versies. Welke opname geniet onze voorkeur? Die met de pianoforte, omdat het instrument meer karakter heeft dan de Steinway, ook al is die veel briljanter, wendbaarder, zuiverder. Maar een te grote nadruk op een technisch perfecte klank kan muziek ook dooddrukken. De pianoforte heeft veel meer de warmte van het vakmanschap. Peter Vandeweerdt