Met een brede glimlach zwaait Vincent Rousseau de deur open van zijn huis aan de rand van het bos in Masnuy Saint-Jean, vlakbij Bergen. De marathonloper heeft door de zure appel gebeten, een van de volgende dagen zal hij officieel bekendmaken dat hij de spikes aan haak hangt. "Op mijn leeftijd weet je dat je topsportcarrière er bijna op zit. Als je het niet meer kunt opbrengen, zet je er beter meteen een punt achter."
...

Met een brede glimlach zwaait Vincent Rousseau de deur open van zijn huis aan de rand van het bos in Masnuy Saint-Jean, vlakbij Bergen. De marathonloper heeft door de zure appel gebeten, een van de volgende dagen zal hij officieel bekendmaken dat hij de spikes aan haak hangt. "Op mijn leeftijd weet je dat je topsportcarrière er bijna op zit. Als je het niet meer kunt opbrengen, zet je er beter meteen een punt achter." Rousseau zegt het zonder een zweem van depressie. Hij heeft net anderhalf jaar revalidatie achter de rug, na een operatie aan de ligamenten van de enkel. Zijn optreden in de veldloop van Zwijnaarde was maar een korte opflakkering; nu dwingt een hardnekkige verrekking van de kuitspier hem tot een definitieve opgave. "Er waren perioden waarin ik normaal kon trainen, maar verschillende keren moest ik vlak voor een competitie de handrem optrekken of zelfs wedstrijden afbellen. In de voorbije twee jaar heb ik één wedstrijd op volle kracht kunnen lopen: de marathon van Berlijn. Sinds de wereldchrono die ik daar liep - 2.07.20; 40 seconden boven het toenmalig wereldrecord van de Ethiopiër Belayneh Densamo - hebben mijn inspanningen niets meer opgeleverd. Ik kan door de opeenvolging van kleine blessures mijn oefenprogramma niet meer afwerken." In je hele loopbaan ben je nooit echt blessuregevoelig geweest. Waar komen die kleine blessures nu plots vandaan?Vincent Rousseau: Na de operatie aan de ligamenten absorbeer ik de schokken niet zo goed meer. Was ik voetballer geweest, dan had ik geen probleem. Maar atletiek zet zoveel druk op de gewrichten, dat de schokken onvermijdelijk tot blessures leiden. Marathons lopen wordt onmogelijk, zelfs het veldlopen is te zwaar voor mij. Bizar eigenlijk, dat je wel een lange revalidatie overleeft, maar er dan na enkele kleinere tegenslagen mentaal onderdoor gaat.Rousseau: Drie maanden gips in één jaar was ook moeilijk te verwerken. Alleen weet je als topsporter dat dat je te wachten staat aan het einde van je carrière. Ik heb nog het geluk gekend dat ik opnieuw wedstrijden kon lopen. Eddy De Pauw, Tania Merchiers of Bob Verbeeck, andere talentvolle atleten van mijn generatie, hebben die meeval niet gehad. En mijn lijdensweg stelt niets voor als je hem vergelijkt met de kalvarietocht van William Van Dijck. Maar ik ben te veel perfectionist om me met een rol in de schaduw van de top tevreden te stellen. Die twee jaar revalidatie moet vooral mentaal zwaar geweest zijn voor de marathonloper in jou. Je weet dat je maximaal twee wedstrijden per jaar kunt lopen en dat de biologische klok verdertikt.Rousseau: Soms was het een hel. Maar ik betreur mijn inspanningen niet. Voor mij is sport een levensbehoefte. Als ik in de toekomst zelfs op recreatief niveau wil sporten, was die operatie nodig. Zie je jezelf als recreant in een marathon starten?Rousseau: Nooit. Ik heb voorin gelopen en genoten van het gevoel dat het geeft. Met het peloton meelopen kan me nooit die sensatie geven. Eind 1993 stapte je uit het leger, waar je nochtans een comfortabel leven leidde. Heb je jezelf daarvoor de jongste twee jaar nooit vervloekt toen je geplaagd door blessures de belangrijkste sponsors zag afhaken?Rousseau: Ik heb risico's genomen. Een topatleet moet zich aan overbodig comfort onttrekken om prestaties te blijven leveren en het knokken niet te verleren. Door blessures heb ik te weinig van mijn beslissing kunnen genieten. Je bleef uit Atlanta weg omdat je vreesde dat een marathon in die hitte je carrière zou schaden. Achteraf bekeken miste je je enige kans om een olympische marathon te lopen.Rousseau: Misschien had ik in de topvijftien kunnen eindigen. Maar voor mij was het altijd alles of niets. Of ik liep mee voorin, óf ik stapte eruit. Daarom ben ik in 1994 uit de marathon van New York gestapt aan kilometerpaal 38. Ik liep er in zesde positie en was, zo heb ik later vernomen, de leiders aan het inlopen, maar ik voelde me niet goed. Achteraf bekeken was die opgave een vergissing, ook omdat ze van weinig respect getuigt voor de massa die achter me liep. Het is een van de weinige beslissingen uit mijn loopbaan die ik betreur. Ben je financieel binnen na je atletiekcarrière?Rousseau: Twee jaar inactiviteit ben ik doorgekomen, zelfs nadat de sponsors afhaakten. Wat ik trouwens begrijp: zij hoeven niemand te betalen om niets te doen. Nu moet ik helemaal op zoek naar andere inkomstenbronnen. Misschien helpt mijn naam daarbij. Ik wil weer tijd vrijmaken voor de fotografie, een hobby die ik links liet liggen omdat ik te intensief bezig was met atletiek. Ik wil graag van fotograferen mijn beroep maken. Heb je daar lessen voor gevolgd?Rousseau: Jaren geleden heb ik toestellen gekocht, maar ik heb ze zelden kunnen gebruiken. Je kunt je tijdens topmeetings niet gedragen als een toerist die met het fototoestel rond de nek de wedstrijden afschuimt. (Grist een stapeltje atletiekfoto's vanonder een pak kranten) Deze foto's heb ik op het WK in Tokio genomen, toen ik daar als atleet aanwezig was. Daar heb ik gemerkt dat het je aan sérieux doet inboeten. En buiten competities heb je de mogelijkheden niet om met fotografie bezig te zijn. Het is zelfs niet alleen een kwestie van tijd: een topatleet is zeven dagen op zeven bezig. Niet fysiek, maar je bent wel voortdurend geconcentreerd op die sport. Nu is de tijd rijp om het als fotojournalist te proberen. Maar in België is de markt voor atletiekfoto's piepklein, dus zal ik de Franse markt moeten proberen. De atletiek laat je in elk geval niet los.Rousseau: Mijn manager René Devos heeft me ook al gevraagd om met hem een tien kilometer van Brussel te organiseren. Dat zegt me wel iets, maar ik wil eerst die drang laten ontluiken om foto's te nemen. Ook al omdat ik me in de hedendaagse atletiek niet meer amuseer. Het is een andere sport geworden. Hoe bedoel je?Rousseau: Ik heb fantastische tijden neergezet, zowel op de piste als in de marathon. Maar altijd binnen mijn eigen mogelijkheden, die ik alleen door training ontwikkelde. Vandaag is er te veel geld mee gemoeid. De atletiek is elke voeling met de basis aan het kwijtspelen. Wie weet groeit de atletieksport naar het voorbeeld van het Amerikaanse basketbal? Met aan de top een financiële constructie, type NBA, en daaronder de sport voor de massa.Rousseau: Ik denk inderdaad dat we daar naartoe groeien, maar ik betreur die scheidingslijn. Wat is er mooier dan een marathon, waarin topatleten naast de eerste de beste joggers starten? Als je de bruggen tussen die twee opblaast, dreig je de basis te verliezen, bij de atleten én bij de organisatoren. Maar er is toch doorstroming van de basis naar de top, bijvoorbeeld in de NBA?Rousseau: Maar minder dan voorheen, omdat de sfeer in de topsport veranderd is. Het geld dreigt het benevolaat in de sport te vermoorden. De drang om illegale middelen te gebruiken neemt toe. Daar zal de sport aan ten onder gaan, want wie stimulerende middelen gebruikt, mist respect voor de organisatoren, officiëlen en clubverantwoordelijken die hun vrije tijd opofferen om jongeren gezonde waarden bij te brengen via de sport. Atletiek sluipt intussen wel behendig tussen de verdachtmakingen over dopinggebruik door. Opmerkelijk toch hoe, te midden van paginagrote verhalen over de dopinggevallen in de Ronde van Frankrijk, vier positieve controles bij atleten amper vermeld werden in de kranten.Rousseau: Terwijl iedereen weet dat het probleem daar hetzelfde is. Het wielrennen is gezocht. Doping beperkt zich niet tot de wielersport in de maand juli. Ik geloof wel dat de excessen het grootst zijn in het wielrennen, omdat het gebruik er het best georganiseerd is. Maar wielerploegen zijn ook makkelijker te klissen: het volstaat dat de dopingbestrijders de ploegauto's doorzoeken. In atletiek, bijvoorbeeld, ligt dat veel moeilijker, omdat de doping hier nog niet geïndustrialiseerd is. Maar intussen is ook de atletieksport in de clubs aan het sterven, omdat er aan de top voortdurend bovennatuurlijke prestaties geleverd worden. Wie kan vandaag nog een jongere aanraden om sport te beoefenen? Ma drogue, c'est le sport was ooit een atletiekwedstrijd voor kansarme jongeren in Charleroi. Zo'n wedstrijd kàn niet meer, want de sport is zelf op alle niveaus vergiftigd van de drugs. Heeft iemand jou ooit stimulerende middelen aangeboden?Rousseau: Neen. Logisch ook, want eerst tast men ongemerkt de mogelijkheden af. Iedereen wist dat ik het voorval in de openbaarheid zou gooien. Een atleet die zich openlijk tegen het goedje uitspreekt, krijgt geen dealers over de vloer. Je gelooft dus niet dat een atleet buiten zijn medeweten stimulerende middelen toegediend krijgt?Rousseau: Natuurlijk niet. Of de atleet is medeplichtig, óf het gebeurt niet. Collega's als Sebastian Coe en Linford Christie hebben zich in het verleden herhaaldelijk geschaard achter strengere straffen voor atleten die op het gebruik van stimulerende middelen betrapt worden. Volg je hen daarin?Rousseau: Niet helemaal. Het probleem is breder dan bestraffen van de atleten of zelfs van de verdelers. De producenten van epo of groeihormoon zouden gecontroleerd moeten worden, maar die ontsnappen helaas aan elke supervisie. Ik stootte laatst op een artikel uit het Franse economische magazine L'Expansion, dat stelt dat één vijfde van de totale productie van eritropoëtine in de dopingcircuits rond de sport terechtkomt. Met een doktersvoorschrift koop je in Frankrijk epo probleemloos in de apotheek om de hoek. De farmaceutische lobby heeft er een gedoogpolitiek weten door te drukken, die voor andere drugs niet bespreekbaar is. De manier waarop de geneesmiddelenindustrie zonder scrupules speelt met de gezondheid van jonge atleten is onaanvaardbaar. Wat belet de fabrikanten trouwens om geneesmiddelen met een stimulerende werking te voorzien van een substantie die ze detecteerbaar maakt? Puur economische motieven. De onverschilligheid van de wetgevers in die materie, daar heb ik het echt moeilijk mee. Niet alleen de overheid ziet door de vingers. Ook bij organisatoren en publiek heiligt het doel - spektakel en records - de middelen.Rousseau: Organisatoren moeten beseffen dat ze op een tikkende bom zitten. En wie te lang in een mijnenveld loopt, wordt mee opgeblazen. Vorig jaar fietste ik door de Verdon tegen 20 kilometer per uur. Een topwielrenner fietst daar tegen 35 per uur omhoog, terwijl ik toch moeilijk kan geloven dat zijn conditie zoveel beter is dan die van iemand die bij de wereldtop hoort in de marathon. Op televisie merkte ik hoe topklimmers in de bochten zelfs moeten rémmen. Dat is toch compleet surrealistisch? Atletiek heeft hetzelfde probleem, met die absurd hoge minima die atleten aansporen om illegale middelen te gebruiken. Ik blijf volhouden dat dat niet goed is. Niet voor de sport, niet voor de maatschappij die het bedrog goedkeurt en dus ook niet voor het publiek. Maar ach, ik ben het beu om in de woestijn te preken. In het begin klaagde ik het dopinggebruik aan zonder enige bijbedoeling. Maar vandaag gedoogt het publiek de misbruiken. Dat doet pijn, omdat het daardoor aanneemt dat ook Vincent Rousseau niet vrij van dopingzonden is. Criticasters zullen zeggen: Rousseau kletst maar raak, hij heeft geen enkel bewijs.Rousseau: Ze hebben gelijk: ik heb geen bewijzen. Maar ik ben zeker van wat ik zeg. Een atleet die binnen het jaar zijn besttijd op vijf kilometer van 14.10 naar 13.15 haalt, maakt geen realistische progressie. Ik heb er ruim acht jaar over gedaan - van 1986 tot 1993 - om mijn tijd van 13.15 naar 13.10.99 te brengen, een tijd waarmee een atleet nu niet eens meer voorbij de ingang van de stadions komt. Met epo had ik dat doel veel sneller bereikt. En ik ben niet de enige die tot dergelijke conclusies komt: het Franse atletiekblad VO2 maakte een vergelijking tussen mijn aërobe prestaties op de marathon en die van Ronaldo Da Costa, die op de marathon van Berlijn het wereldrecord verpulverde. Blijkt dat ik 84 procent van mijn aërobische snelheid gebruik, Da Costa meer dan 90 procent. Volgens hun analisten is dat een tegennatuurlijk rendement. Eigenlijk onderschrijven ze daarmee wat jij al in 1993 verkondigde.Rousseau: De evolutie van de tijden is gek. De medische realiteit primeert op de trainingswerkelijkheid in de topsport. Voor wie weet hoe het werkt, is het helemaal niet leuk meer om te volgen. Het is voor mij een reden om een punt achter mijn carrière te zetten. En dan had ik nog het geluk dat ik liep in de overgangsperiode tussen dopingarme sport en sport waarin stimulerende middelen wel een hoofdrol vertolken. Geloof je daarom niet in wetenschappelijke begeleiding van topsporters?Rousseau: Ik heb er alleen problemen mee als het om medisch geknoei gaat. Wetenschappelijke begeleiding waarvan dokters en dealers de opbrengst in hun zakken steken, hoeft voor mij niet. Ik geloof in tests als basis van een trainingsprogramma. Ik vind ze ook nuttig om te bepalen of iemand marathonloper of sprinter wordt. Maar als je eenmaal weet waar je naartoe wilt en waar je aan moet werken, moet je op gevoel verder oefenen. Een atleet die in het bos traint, legt een ander soort belasting op zijn voet dan iemand die op piste traint. Er ligt een wereld van verschil tussen die evolutie van de voeten van een Afrikaans atleet die blootsvoets in de natuur heeft getraind, en die van een Belg die zijn voeten in schoenen heeft opgesloten. Nu moet jij me eens uitleggen hoe je dat verschil ooit in een trainingsprogramma ingepast krijgt! Je bent ook zelf als trainer actief. Waarom wil je atleten begeleiden in een vuile sport?Rousseau: Ik heb Benoit Zierzchiewski (kortweg Benoit Z.) onder mijn hoede en Josiane Llado, de Europese veldloopkampioene van vorig jaar. Maar ik hoef geen elite-atleten te trainen. Van die twee heb ik bloedstalen gevraagd. Ik ben dus overtuigd dat ik propere mensen begeleid, al kan ik daar nooit zeker van zijn. Maar ik vind het weinig constructief om de sport helemaal de rug toe te keren, enkel omdat ik vind dat ze bepaalde problemen heeft. Hoe motiveer je atleten om te trainen als je overtuigd bent dat ze zonder stimulerende middelen geen prestaties kunnen leveren die hen bij de absolute wereldtop klasseren? Zou een jonge Vincent Rousseau zich over de vermoedens jegens Da Costa gezet hebben?Rousseau: Moeilijk. Maar sport blijft meer dan doping alleen. Een atleet van twaalf denkt niet aan doping. De Afrikanen evenmin, als ze hier in Europa neerstrijken. Haal alle managers en trainers bij die jongens weg en er is geen probleem. Het probleem ligt bij de entourage. Frank Demets