Info : Peter Verhelst, Zwerm. Geschiedenis van de wereld, Prometheus, Amsterdam, 666 blz., 24,95 euro.
...

Info : Peter Verhelst, Zwerm. Geschiedenis van de wereld, Prometheus, Amsterdam, 666 blz., 24,95 euro.'Ik zit in het zwarte gat dat ik zelf heb bedacht!' Aldus Rode Wolk, een van de zovele exotische personages, in Zwerm, het nieuwste, zogezegde meesterwerk van Peter Verhelst. Je moet er dan wel al vijfhonderd bladzijden voor doorworsteld hebben om op zoveel hilarische zelfkennis te stoten. Verhelst is er weer eens in geslaagd om zijn ballon op te blazen en hem met veel gedruis te laten leeglopen tot er letterlijk niets meer overblijft, excuseer: de leegte voor de oerknal. Tja, en dan maar oreren dat je zeker niet mag proberen te begrijpen wat er hier aan de hand is, maar je als lezer vooral moet laten platwalsen, neermeppen, kortom: verpletteren door deze uit de hand gelopen proef van totalitaire esthetica. 'Er is niets aan de hand.' Zo begint Zwerm veelbetekenend. Verhelst heeft al onmiddellijk een apocalyptisch visioen opgetrokken waarin een Twin Towers-achtige constructie onheilspellend in de diepte verzinkt. Of is het een filmscène?, knipoogt de verteller ons toe. Verhelst gaat voortdurend op zoek naar extreme beelden waarin lichamen, bloedend of andere sappen vergietend, bij voorkeur op elkaar botsen, om er daarna ironisch een filmframe bij te plaatsen. Ach, het is maar cinema, weet je wel, als er weer eens een mes in een buik wordt geplant of een vagina op een fallus gespietst. Of is het andersom? Koketteren met de afgrond, dat is het wat Verhelst nu al jaren doet. Toen hij nog verstaanbaar voor ons stervelingen wou schrijven en niet extatisch voor de goden, verklapte hij in Obsidiaan (1987), zijn eerste dichtbundel, wat zijn obsessie was: 'Alles gaat voorbij aan hem. (...) / Enkel geweld bewaart hij / In een doos van glas en waanzin.' Verhelst wou met deze krachttoer een kathedraal van glas en waanzin neerpoten. Leven we immers niet in waanzinnige tijden vol terrorisme en natuurrampen? Je hoeft maar een paar extra wendingen te geven aan dit handvol clichés om een scenario voor een catastroferoman te hebben. Verhelst past dit trucje stelselmatig toe wanneer hij teksten bezweert bij choreografische of andere rituele hoogstandjes. Hij vertrekt van één centraal begrip, in dit geval het einde der tijden, om er vervolgens in een kettingreactie verwante begrippen achteraan te laten hollen. In deze roman werkt dat kunstje als volgt: einde der tijden - terrorisme - complottheorieën - oorlogsgeweld - vogelpest - overal virussen - paranoïde wetenschappers en criminele meesterbreinen tout court - big bang - nieuw begin. Voor individuele lotgevallen is er geen plaats in het onpersoonlijke, energetische universum van Verhelst. Er zijn weliswaar personages met een naam, al dan niet ontleend aan klassieke figuren (Cassandra), bekende schrijvers (Rimbaud) of symbolische incarnaties (Angel). Maar die personages hebben dus geen eigen wil of verbeelding, laat staan een emotioneel leven of ideeën. Zij zijn willekeurige punten die als dansende vlekken tegen elkaar botsen, met elkaar versmelten, weer wegzweven en desintegreren. Tot meerdere eer en glorie van hun schepper, de grote manipulator, Verhelst zelf. Deze keer heeft Verhelst zijn cluster van associaties in één lettergreep gevat: zwerm. Het menselijke lichaam wordt inderdaad belegerd door een zwerm van virussen. Mensen zijn trouwens ook virussen die niet alleen de aarde maar zelfs elkaar te lijf gaan. Wanneer gaan deze virussen eindelijk verdwijnen in een zwart gat? Om die oeverloze stroom van negatieve associaties enigszins te kanaliseren, zweert Verhelst bij een zelfbedachte getallenfilosofie die hij veel te plomp hanteert. Ook letters, zoals de hoofdletter V, of bepaalde icoontjes krijgen een ereplaats in zijn heidense bijgeloof. Vergeleken met de vaak ook te opzichtige, maar geraffineerde manier waarop Harry Mulisch met de kabbalamystiek goochelt, is Verhelst een simpele boerenjongen die al te fluks de lezer in simpele toevalligheden van cijfers of lettercombinaties wil doen geloven. Verhelst heeft dus een morbide fantasie en daar is niets mis mee. Richard Wagner schreef ook zijn mooiste, meest intense muziek wanneer Tristan en Isolde elkaar de liefdesdood injagen. Maar Wagner gebruikte daarvoor een meesterlijke, chromatische techniek waarbij de klassieke toonhoogtes een nieuwe dynamiek meekregen. Wat doet Verhelst met zijn taalmuziek? Hij wil, zoals overal rondgebazuind, ook geen klassieke literatuur schrijven die een verhaaltje bij een plaatje brengt. Verhelst wil met zijn teksten buiten de platgetreden literaire paden stappen en zijn woorden vermalen tot pure, tastbare lichamelijkheid. Hoe origineel is dergelijke choreografische of tactiele literatuur? Filippo Marinetti, de voorman van het Italiaanse futurisme, trachtte een kleine eeuw geleden met zijn avant-gardistische experimenten het keurslijf van de klassieke syntaxis open te breken. Hij wou de mensonvriendelijke schoonheid van de moderne techniek, en ook van de oorlog, bezingen in een hymnische taal die zich losmaakt van de menselijke gebruiker. Hij ging in de jaren twintig van de twintigste eeuw zelfs zo ver dat hij dweepte met een tactiele of aanrakingskunst waarin de 'lezer' geen klassiek boek meer ter hand nam, maar zogenaamde tactiele paneeltjes die de auteur zelf vervaardigde. Wie bijvoorbeeld het paneeltje 'Soedan-Parijs' betastte, aldus Marinetti, 'leest' met de vingertoppen via de textuur van raspend schuurpapier het Afrikaanse Soedan en komt via de maritieme gladheid van zilverpapier bij het sensuele zijde van het mondaine Parijs terecht. Zo ook wil Verhelst een boek maken dat tastbaar de ondergang van onze wereld in een viraal netwerk beschrijft. Of is het de geboorte ervan, want Verhelst telt dus terug tot de oerknal: van pagina 666 tot pagina 1. Leuk misschien als libretto bij een ballet, op de manier van Le sacré du printemps van Igor Stravinsky. Maar de tekstmuziek die Verhelst hier tracht te ontplooien, verdwijnt in het niets bij Stravinsky's felle ritmes. De zwerm van citaten uit handleidingen, kranten, fictieve en wetenschappelijke boeken, tv-programma's en films, plus het voortdurende gezwijmel dat er iets ergs op komst is, zorgen voor een suggestie van mysterie die nergens hard wordt gemaakt. Zo hebben de personages het keer op keer over ongelofelijke dingen (cursivering van Verhelst) die ze hebben meegemaakt, maar die naamloze dreiging wordt slechts opgevoerd om vervolgens door vraagjes, paradoxen of ironische terzijdes weer te worden ontkracht. Verhelst doet dus veel te veel zijn best om er een zogezegd apocalyptisch visioen van te maken. Wie van op de eerste bladzijde (bladzijde 666) in een voetnoot over het getal 666 als Getal van het Beest (zie Openbaring van Johannes) begint op te geven (en van de barcode van Visa, die ook 666 is), laat al onmiddellijk in zijn kaarten kijken. Ward Ruyslinck wachtte in Het dal van Hinnom, ook een apocalyptische ondergangsfantasie, tenminste tot in de helft van het boek vooraleer hij de code van het beest kraakte. En zo gaat dat bij Verhelst het hele boek door tot en met een vulgariserend lesje over de vier fysische krachten die wetenschappers in een eenheidstheorie proberen te gieten om ten slotte dus te eindigen bij amateuristische bespiegelingen over zwarte gaten. Het is moeilijk om op dat moment als lezer het autodidactische geknutsel van Verhelst nog ernstig te nemen: 'Ik zit in het zwarte gat dat ik zelf heb bedacht! Maar snel maakt verbazing plaats voor opwinding. Iemand die zijn hele leven meer in zijn hoofd dan in zijn lichaam heeft geleefd, laat zich gretig op sleeptouw nemen door kwikzilveren mogelijkheden.' Misschien moet Verhelst inderdaad wat meer buiten komen en wat minder in zijn hoofd leven. Tot zover het portret van de schrijver als autistische would-be übermensch. Verhelst dweept met dood en verval en ziet alles en iedereen met demonisch plezier in elkaar schrompelen tegen de grandioze achtergrond van een finale godendeemstering. Zoals hij gebiologeerd is door de nazi's (hun experimenten met genetica, hun esthetiek van de ondergang, hun gaskamers en foltermethodes), zo gaat hij zich ook voortdurend opgeilen aan explosieve visioenen van erotische tot universele zelfvernietiging. Om maar te zeggen dat de non-verbale totaalkunst van Verhelst iets akeligs irrationeels en sinisters heeft. De kale schedel waar hij op de cover van het boek stilzwijgend mee pronkt - en sommige personages in dit boek met hem - en zijn zwarte ondergangsfilosofie doen warempel denken aan de beulen van Heinrich Himmler, die in het zwart en met een doodskopje op de revers van hun vest hun slachtoffers destijds de duivel aandeden. Het wordt dus hoog tijd dat Verhelst voltijds choreograaf wordt, plastisch kunstenaar of videoartiest. Of soldaat in een doodseskader? Literair gezien heeft hij de grenzen van het schrijvers- metier overschreden en is hij in de afgrond van het zelfbedachte zwarte gat getuimeld. Zijn woorden willen te veel suggereren en zeggen weinig of niets, tenzij dreunende herhalingen van steeds weer hetzelfde. Is deze oeverloze krachtpatserij de zwanenzang van een megalomane schrijver? Frank Hellemans