De Joyce van de sociologen over de functie van kunst : Niklas Luhmann vervolledigde zijn systeemtheorie. Een inventaris.
...

De Joyce van de sociologen over de functie van kunst : Niklas Luhmann vervolledigde zijn systeemtheorie. Een inventaris.Tijdens zijn studies werkte hij al scrupuleus aan een eigen databank. De fameuze kaartenbak die hij in de loop der decennia heeft aangelegd, is naar eigen zeggen nog altijd de bron van zijn theoretische vruchtbaarheid. Niklas Luhmann beweert dat het onderhouden van deze ?magische kast? met duizenden referenties, gedachten en notities meer tijd vergde dan het eigenlijke schrijven. Na het aanleggen van een hypertekststructuur met talloze links naar allerlei bronnen, is het eigenlijke schrijfwerk naar hedendaagse elektronische maatstaven inderdaad kinderspel. Luhmanns teksten daarentegen zijn van het moeilijkste dat ooit bij elkaar werd gesprokkeld. Luhmann is de Joyce van de sociologen. Hij is de laatste Duitse filosoof die zoals Hegel aan een encyclopedie van de wetenschappen werkt in een stijl die niet onmiddellijk vertaal- en verteerbaar is. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat zijn work in progress, de fameuze systeemtheorie, hier te lande nauwelijks bekend is. Nochtans biedt zijn conceptueel instrumentarium heel wat verrassende inzichten in de meest onderscheiden onderwerpen, van wetenschap tot economie of van liefde en vertrouwen tot kunst. Luhmann (1927) werkte na rechten- en sociologiestudies aanvankelijk in de ambtenarij. Maar na een studieverblijf in de States nam hij ontslag uit de kanselarij en besloot hij zich voor het volle pond toe te leggen op organisatiekunde en alles wat daarmee samenhangt. Vanaf de jaren zestig komt de publicatiemachine op gang en levert zijn magische hypertekstkast jaarlijks een boek en enkele artikels op. Als veertiger wordt hij hoogleraar sociologie te Bielefeld waar hij nog steeds college geeft. Eveneens in de jaren zestig legt hij de grondvesten van zijn systeemtheorie. De kritische theorie van Jürgen Habermas maakte toen het mooie weer aan Duitse universiteiten en Luhmanns systeemdenken werd als technocratische ambtenarenpraat van tafel geveegd. Luhmann nam op zijn eigen manier trouwens geen blad voor de mond. Heilige koeien als subject, intersubjectiviteit of consensus en utopie veegde hij koeltjes onder tafel als ?oud-Europees? gedachtengoed. Psychische en sociale systemen nemen bij Luhmann de honneurs waar. Van een individu is nauwelijks sprake, tenzij als psychisch systeem dat met zijn bewustzijn geen toegang heeft tot de communicatie van sociale systemen. Hoe kan het individu dan nog weerwerk bieden aan de groeiende overheersing van economische en technologische imperatieven, luidde de moraliserende kritiek aan het adres van Luhmann. FOUCAULT.In de nuchtere jaren zeventig én met de antihumanistische teneur van het structuralisme in het achterhoofd, steeg de ster van Luhmann plots. Het subject was inderdaad dood, want Foucault had het gezegd en Luhmann nu dus ook. De manier waarop de politieke, economische of juridische logica functioneerden, ligt niet direct in het verlengde van persoonlijke wilsbeslissingen. De dynamiek van deze logica ontwikkelt zich blijkbaar over of toch alleszins buiten de hoofden om van het individuele bewustzijn. In de jaren tachtig was hij voor korte tijd zelfs dé intellectuele goeroe in Duitsland die ook elders voor bedrijfsseminaries werd binnengehaald. Luhmann maakte in 1984 een algemene schets van die systeemtheorie en werkt sindsdien aan een inventaris van zijn systeemtheoretische inzichten op diverse gebieden. Na systeemtheoretische analyses van wetenschap, economie en recht presenteerde hij onlangs een systeemtheoretische inkijk in de functie van de kunst, ?Die Kunst der Gesellschaft?. Systeem en functie zijn zowat het alfa en omega van Luhmanns theorie maar het echte sesam open u heet functionele differentiatie. De systeemtheorie heeft sinds de jaren vijftig van deze eeuw een grote vlucht genomen in biologie, cybernetica en neurofysiologie. Biologische, cybernetische en neurofysiologische processen worden gevoed vanuit een systeeminterne logica die erop uit is om zichzelf voortdurend verder uit te kienen. Biologische cellen splitsen zich steeds verder op in een binair ritme. Op een analoge, binaire manier vertakken zich de elektronische circuits in allerlei sturingsmechanismen en krijgt het netwerk van de hersenen een steeds groter repertoire aan potentiële aanknopingspunten. Het uitkristalliseren van een meer verfijnde of gedifferentieerde structuur op celbiologisch, computercybernetisch of neurofysiologisch gebied gehoorzaamt aan de functievereisten van dat specifieke domein. Een verdere stap in de uitbouw van het systeem wordt steeds teruggekoppeld aan het originele opzet of de functie van dat systeem in kwestie. Het is deze ?zelfreferentie? of ?zelfwerkzaamheid?( autopoiesis) die het kloppende hart vormt van elk systeem en het is slechts vanuit die immanente functionaliteit dat elk syteem kan worden verstaan. De permanente feedback met de eigen functionaliteit is er uiteindelijk op uit om de complexiteit van het systeem doorzichtiger te maken. Complexiteitsreductie, aldus Luhmann, verhoogt immers de efficiëntie van het systeem en stuwt het systeem voort op zoek naar een nog betere interne organisatie. MERITOCRATIE.Luhmann maakte ophef met een sociologische theorie die vanuit de focus van functionele differentiatie het moderniseringsproces van westerse samenlevingen onder één noemer brengt. De samenleving breekt volgens Luhmann vanaf de vijftiende eeuw uiteen in verschillende maatschappelijke subsystemen met ieder hun eigen functie. Economie, politiek en wetenschappen gaan zich daardoor meer en meer van elkaar verwijderen. Zoals de geldeconomie vanaf het begin van de zestiende eeuw in functie van haar eigen winstlogica een handelscircuit schiep, zo streefde de wetenschap ook meer een meer naar een autonoom experimenteel domein, los van elke buiten-wetenschappelijke bevoogding. Op politiek gebied ontstond er een bureaucratische klasse die prat ging op eigen administratieve verdiensten ( meritocratie) veeleer dan op aristocratische afkomst. De politieke revoluties en de industrialisering in de achttiende eeuw brachten dat proces van functionele differentiatie in een stroomversnelling. De Franse Revolutie bijvoorbeeld maakte het politieke systeem onafhankelijk van elke kerkelijke bemoeienis door de scheiding van kerk en staat. Via de afbakening van een democratisch systeem werd de politiek, althans principieel, ook losgeweekt van het economische subsysteem. De economie won op haar beurt aan functionaliteit door de vernietiging van gildenorganisaties en tolgrenzen. Opvoeding en scholing werden waarden op zichzelf. Wetenschappelijke vernieuwingen dienden niet langer in de pas te lopen van de heersende opvattingen van clerus en/of adel om zich te kunnen doorzetten. Kortom, politiek, economie, opvoeding en wetenschappen maar ook recht en kunst werden op die manier allemaal autonome systemen die volgens functionele criteria de eigen activiteiten zelfstandig gingen uitbouwen. Vermits elk systeem voortaan handelt in naam van de eigen functionele rationaliteit wordt de innovatiekracht binnen dat systeem heel wat minder afgeremd dan in het ancien régime waar de aristo-theocratische hegemonie de experimenteerlust danig fnuikte. GRIEKSE MYTHOLOGIE.Luhmann heeft zich tot nu vooral bezig gehouden met het ruime conceptuele kader van zijn algemene systeemtheorie maar is dus vanaf het midden van de jaren tachtig begonnen met een systeemspecifieke beschrijving van de verschillende maatschappelijke domeinen. In het voorwoord van ?Kunst der Gesellschaft? blikt hij kort terug op het reeds afgelegde traject een beschrijving van economie (1988), wetenschap (1990) en recht (1993) om vervolgens bij de kunst te belanden en bij de belofte om het in de toekomst ook nog over andere domeinen te hebben. Hoe past de kunst in het proces van functionele differentiatie dat volgens Luhmann zo typisch is voor moderne Westerse samenlevingen ? Reeds bij de Grieken krijgen artistieke activiteiten een eigen aura. Deze eerste fase in de uitsplitsing van een autonoom kunstsysteem heeft volgens Luhmann te maken met het vacuüm dat de ter ziele gegane mythologie in het hellenistische Griekenland achterliet. Het touwtrekken tussen allerlei religieuze nieuwlichterijen, te midden van een meer en meer dominante stadspolitiek en geldeconomie, creëerde een zinprobleem dat de kunst trachtte op te lossen. Hier ontstaat de typische functie van de kunst die volgens Luhmann te maken heeft met het scheppen én inwilligen van mogelijke probleemoplossingen (?Ordnungsmöglichkeiten?). Met de evolutie van de westerse samenleving verandert uiteraard het artistieke karakter van die gesuggereerde ordeningsmogelijkheden. De middeleeuwen verstrakten het ornamentele karakter van de Griekse kunst in een corset van gecodeerde nabootsingen waarover clerus en gilden waakten. Vanaf de vijftiende eeuw komt er opnieuw beweging in de samenleving en de kunst. De kunst wordt letterlijk hoffähig als eerst de Italiaanse vorstenhoven en later de niet-Italiaanse hofhoudingen kunstenaars opdrachten geven die hen vrij hun ding laten doen. Dit patronagesysteem van vorstelijke mecenassen introduceert een figuratieve kunst die put uit het gewone leven. Vermits de patronale opdrachtgevers kunstwerken verzamelden om hun levensstijl naar buiten toe te etaleren, werden kunstwerken vanaf de zestiende eeuw in functie van hun representatief karakter gewikt en gewogen. Er werd met andere woorden gezocht naar systeeminterne criteria om de representativiteit of status van het kunstwerk voor de opdrachtgever te kunnen inschatten. Esthetica en kunstkritiek doen in de zestiende eeuw hun intrede. KUNSTMARKT.Wanneer de vorstenhoven op het einde van de zeventiende eeuw hun beste tijd hebben gehad, wordt het hoofse patronagesysteem voortaan ook waargenomen door niet-vorstelijke, burgerlijke kunstmakelaars. Vanaf 1700 ontstaat er zoiets als een Europese kunstmarkt die de kunstenaars helemaal bevrijdt uit de kluisters van niet-artistieke eisen. Engeland dat omwille van zijn natuurlijk isolement sowieso op import was aangewezen, ontwikkelde het eerst een kunstmarkt van belang. Met Raymond Williams, befaamd marxistisch literatuursocioloog, legt Luhmann de cesuur voor een burgerlijke literatuur die op de markt inspeelt reeds rond 1720-1730. De commercialisering van kunst en literatuur bevrijden de kunstenaar-schrijver uit de omknelling van inhoudelijke dictaten vanwege de opdrachtgevers, aldus Luhmann. In de kunst wordt met de opkomst van de kunstmarkt thematisch immers alles mogelijk. Ze wordt een onbeperkte experimenteerruimte die plaats biedt aan het uitstippelen van steeds nieuwe vormcombinaties. Op het einde van de achttiende eeuw, tenslotte, wordt het kunstsysteem samen met de politiek, economie, wetenschappen, recht en opvoeding helemaal een autonome bezigheid die de eigen experimenteerzucht als het ware gaat thematiseren. Kunst krijgt de functie van ?observator van het eigen observeren?. Zoals de filosofie nadenkt over het denken zelf, zo gaat de kunst vanaf 1800 zichzelf op de vingers kijken en dus de eigen vormoefeningen tot onderwerp maken van speels onderzoek. Luhmann is nogal karig in zijn uitlatingen over de kunst na 1800. Volgens hem is er sindsdien fundamenteel niets of weinig veranderd aan het zelfbeglurend uitdenken van formele experimenten. De kunst is provocatiever geworden maar voor de rest valt voor Luhmann op hoe het huidige fin de siècle lijkt op dat van de achttiende eeuw. Ook toen, zoals nu, maakte een esthetica van het sublieme of het verhevene in intellectuele milieus grote sier. Kunstwerken probeerden reeds op het einde van de achttiende eeuw het onvoorstelbare, het sublieme met andere woorden, te visualiseren en ook in de kunsttheorie (bij Kant en Schiller) werd uitgebreid lippendienst bewezen aan dat sublieme. Met August Wilhelm Schlegel noemt Luhmann deze obsessie voor het sublieme sarcastisch een laxeermiddel voor de huidige intellectuele constipatie. Bij gebrek aan beter wenden kunstenaars en kunstpauzen zich tot de grote, ?verhevene? en dus purgerende middelen. KRONKELS.Luhmanns kunsttheorie gaat over oneindig meer dan over de evolutie van de kunst. Luhmann mobiliseert namelijk op bijna elke bladzijde zijn eigen theorie en begluurt dus blijkbaar ook zichzelf bij het ontwikkelen van zijn gedachtengang. Dat heeft het voordeel dat enige voorkennis van Luhmann niet vereist is omdat hij de lezer permanent deelachtig maakt aan de eigen hersenkronkels. Maar dat betekent uiteraard wel dat niet alle kronkels even vanzelfsprekend zijn om mee te volgen. Vooral omdat Luhmann er echt alles bijsleept : van discussies over tijd en ruimte tot cybernetische uitstapjes, probleemstellingen over het verschil tussen waarneming, bewustzijn en communicatie enzovoorts. Enkele jaren terug werd deze voyeur van zichzelf eredoctor aan de K.U. Leuven. Nog steeds werd er echter niets gedaan om zijn werk in bredere kring te introduceren. Wanneer beginnen sociologen of filosofen eens aan een overzichtelijke bloemlezing van Luhmanns inzichten over de verschillende maatschappelijke hangijzers waar hij her en der verspreid zoveel interessants over te vertellen heeft ? Het komt er dan wel op aan om die uitspraken te isoleren uit het cocon van de theoretische spinsels waarin ze begraven liggen. Voer voor archeologen ? Neen, voor hersenchirurgen. Frank Hellemans Niklas Luhmann, ?Die Kunst der Gesellschaft?, Suhrkamp Verlag, Frankfurt am Main, 517 blz., 58 DM. Niklas Luhmann : Systeem en functie zijn zowat het alfa en omega van Luhmanns theorie, maar het echte sesam open u heet functionele differentiatie.