'Zonder een Fitzgerald', aldus Richard Yates in een interview dat Scott Bradfield van hem afnam in juli 1992, 'was ik wellicht geen schrijver geworden.' En inderdaad, de gelijkenissen tussen beiden zijn treffend. Wie F. Scott Fitzgeralds tweede roman The Beautiful and Damned naast Revolutionary Road legt, kan er niet omheen: beide schrijvers vonden hun muze in dezelfde omgeving en bezongen haar vanuit hetzelfde levensgevoel.
...

'Zonder een Fitzgerald', aldus Richard Yates in een interview dat Scott Bradfield van hem afnam in juli 1992, 'was ik wellicht geen schrijver geworden.' En inderdaad, de gelijkenissen tussen beiden zijn treffend. Wie F. Scott Fitzgeralds tweede roman The Beautiful and Damned naast Revolutionary Road legt, kan er niet omheen: beide schrijvers vonden hun muze in dezelfde omgeving en bezongen haar vanuit hetzelfde levensgevoel. Ook Fitzgeralds roman gaat immers over een jong koppel dat van zichzelf denkt voor iets beters dan het gewone in de wieg gelegd te zijn, wacht tot dit zich zal aandienen en zichzelf in tussentijd te gronde richt met alcohol en ruzie. Want hoe je 't ook draait of keert, er is wellicht geen roman - met uitzondering van Malcolm Lowry's Under the Vulcano misschien - waar meer in gedronken wordt dan in Revolutionary Road. De cocktailshaker staat altijd binnen handbereik en Frank gaat uiteindelijk maar met zijn whiskyfles naar bed in plaats van met zijn vrouw. Wie het oeuvre van Yates bekijkt, zes romans en twee verhalenbundels, merkt dat koning alcohol er een machtig heerser in is. Net als zijn held Fitzgerald zat Yates namelijk ook zelf behoorlijk aan de fles, wat resulteerde in twee gebroken huwelijken en drie dochters die aan hun moeder werden toegewezen. Toen hij drie weken na het Bradfield-interview stierf, was hij 66 en al jarenlang, onder meer door zijn drankgebruik en zijn buitenmatige tabaksverslaving, een menselijk wrak. Maar Yates was geen tweede Fitzgerald, daarvoor schreef hij te realistisch en te onpoëtisch, en daarvoor had hij ook te weinig succes. Waar de grondlegger van de Jazz Age een legende geworden is en The Great Gatsby dé Amerikaanse roman van de twintigste eeuw, werd de man die de Age of Anxiety voor het eerst in woorden goot niet meer dan een writers' writer, iemand die door de hele schrijverskliek op handen gedragen werd als een grootmeester - dixit William Styron, Kurt Vonnegut en Raymond Carver -, maar die nooit meer dan 12.000 exemplaren van een boek heeft verkocht. Door Esquire werd hij dan ook terecht 'een van Amerika's minst bekende literaire reuzen' genoemd. De reden daarvoor is niet alleen dat hij in een verkeerde tijd schreef: in de jaren zestig deden het literaire experiment en de satire hun intrede en Yates' tweede roman, A Special Providence, behandelde op een realistische manier een verhaal dat in 1944 speelde, een tijd die men zo gauw mogelijk wou vergeten. Veeleer is zijn onbekendheid te wijten aan wat hij precies schreef. Yates zag het als zijn taak om het existentiële lot van de mens te belichten: dat hij wezenlijk alleen is en dat iedere band - 'Is er een ander onderwerp om over te schrijven dan het gezin?' is een van zijn befaamde retorische vragen - dus op een mislukking moet uitdraaien. Dat inzicht liet hij niet ontstaan in de hoofden van grote intellectuelen, maar wel in die van alledaagse mensen die, zo beseften zijn lezers maar al te goed, best zijzelf eens zouden kunnen zijn. Bovendien meed Yates humor als de pest. In zijn boeken wordt er niet gelachen. Verlossing of verlichting bestempelde hij als sentimentele illusies waar hij zich liever niet mee inliet. Als er dus een reden is waarom Richard Yates vandaag ten onrechte vergeten is, zal het wel zijn omdat hij de boeken schreef die Amerika niet wou lezen. Marnix Verplancke