Tot 27.3 in Le Botanique, Koningstraat 236, Brussel. Elke dag behalve op ma. open van 11 tot 18 u.
...

Tot 27.3 in Le Botanique, Koningstraat 236, Brussel. Elke dag behalve op ma. open van 11 tot 18 u.Was hij jaloers op het succes bij het volk van zijn vriend Salvador Dali? Viel hij, ouder en bekender wordend, ten prooi aan de vreselijke ziekte der zelfverblinding? Grossierend in sculpturen van zijn uitvergrote duim, ontsierde hij sinds 1965 tal van straten en pleinen in Europa met dat ding. In alle maten en materialen. De duim, opzichtige stempel van sculpteur César Baldaccini (1921-1998), Marseillees van geboorte en vaak werkzaam in Parijs. De Franse cinemawereld drukte hem voorgoed aan de borst toen ze hem de prijsbeeldjes voor de beste jaarprestaties liet ontwerpen. Wat de Oscars sinds 1927 voor Hollywood betekenen, dat werden de Césars vanaf 1975 voor Parijs. Deze gouden trofeetjes zijn aangemaakt volgens het procédé dat hem bekend maakte: de compressie. Dat is het met behulp van een hydraulische pers samendrukken van hard of zacht materiaal tot een compacte klomp. In dit geval, gouden spulletjes. Aanvankelijk, de carrosserie van een wagen, gereduceerd tot een schroothoop. Zoals het op autokerkhoven nu eenmaal toegaat. Zonder de onmiskenbaar sculpturale présence evenwel, die César eraan gaf. Toen hij ze in 1960 voor het eerst realiseerde, lieten zelfs zijn vurigste verdedigers zich tijdens debatten in het defensief dringen. Ze hadden het over een gedurfd gebaar, in de geest van dada, en dergelijke. Onzin. De compressions, uit ijzer, koper, en later ook uit jute, jeansstof of katoen, zien er gewoon bloedmooi uit. Het is de kunstig in elkaar gedraaide bestanddelen aan te zien, dat er een enorme druk op uitgeoefend is. Ze staan onder spanning en lijken elk moment te kunnen exploderen. Hoe dan ook, ze verraden het esthetisch raffinement van een adept van de Ecole de Paris. Het lijkt vandaag onvoorstelbaar dat men dat toen niet zag. Kwam het omdat men het machinale aspect van de handeling nog onbewust als heiligschennis ervoer, niet passend bij het ambachtelijke aura van een sculpteur? César sloot zich begin de jaren zestig aan bij het Nouveau Réalisme, dat een poëtische recyclage van de werkelijkheid propageerde. Voordat hij op een autokerkhof gefascineerd raakte door het tot schroot persen van automobielen, weken zijn procedures ook al af van het kappen in de steen, het modelleren en het afgieten. Tot diep in de jaren vijftig laste hij als een volleerde ijzerbewerker in een grote werkplaats in Marseille stukken oud ijzer aan elkaar. Hij maakte er koppen, torso's, kippen, grote vleugels en kleine marionetten mee. Solide volumes of kwetsbare skeletten, organisch geabstraheerd van expressie. Doodernstig en blakend van ironie. Generatiegenoten als Jean Tinguély en de Belg Roel D'Haese deden dingen van eenzelfde kaliber. Zelf zei hij over die periode: 'In het begin heb ik afval gebruikt omdat ik in de stront zat (...), de noblesse schuilt niet in het materiaal, maar in wat je erin steekt.'Een klein decennium na zijn eerste compressies, verkende César nieuwe mogelijkheden van stoffen. Hij ontdekte het vermogen van vloeibaar polyurethaan om uit te zetten, en besefte dat zijn droom van een sculptuur van volmaakt vrije vormen nabij was. Daarvoor moest hij nu veeleer als een kok te werk gaan. Hij goot polyurethaan in een pot, voegde er een katalysator en kleurstof aan toe. In het schuimende goedje roerde hij met een klopper om alles goed te vermengen. Dan goot hij het stromende schuim uit over de vloer, niet willekeurig maar gecontroleerd. Tijdens het uitzetten en vóór het drogen, bracht hij het polyurethaan in de door hem gewenste vorm. César deed dat graag in tegenwoordigheid van een ruim publiek, het was niet toevallig de bloeitijd van de happenings. De op deze wijze ontstane sculpturen noemde César zijn expansions, uitzettingen. Wanneer ze voor eenmalig gebruik bedoeld waren, mocht het publiek de brokstukken mee naar huis nemen. In het andere geval gaf hij ze een behandeling om er blijvende kunstwerken van te maken. Hij maakte internationale tournees met zijn 'expansions'. Tussen het einde van de jaren zestig en het midden van de jaren zeventig was hij verscheidene keren in België te gast: in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten, het museum van Gent en het Knokse casino. Tot nieuwe creatieve toepassingen van procedures uit de metaalverwerkende of petrochemische nijverheid bracht hij het niet meer. Wel voegde hij nog een soort combinatie tussen compressies en expansies aan zijn repertoire toe. En hij bleef bij andere ambachten spieken. Voor kristalproducent Jacques Daum maakte hij in 1969 vrije vormen in kristal (waarbij hij met stromen vloeibaar kristal werkte). In navolging van Dali met zijn eetbaar meubilair, ging hij bij Poîlane, de beste bakker van Parijs, aan de oven staan om 'vrije vormen' uit brooddeeg te halen. En, niet te vergeten, met zijn combustions benutte hij het in de sculpturale kunst ongebruikelijke verbranden van materiaal - eigenlijk het gedeeltelijk doen aanbranden - als een middel om te creëren. Ons zijn geen voorbeelden van grote 'combustion'-sculpturen bekend. César stookte brandjes in zijn kleinere werken, die ook een veel persoonlijker karakter hebben. De tekeningen, objecten en sculpturen die het cultuurcentrum Le Botanique in Brussel nu in een mooie tentoonstelling presenteert, behoren tot deze categorie. Samen vormen ze César, een intiem portret, ontdaan van de mondaine kantjes van een kunstenaar die ondanks alles de integriteit van zijn oeuvre wist te bewaren. De poëtische kern van zijn kunstenaarschap reserveerde hij kennelijk voor de intimi, want het leeuwendeel van de werken komt uit de verzameling van Jean Ferrero, een goede vriend uit Nice. Ze laten vooreerst Césars réverence zien aan de grootmeesters van de moderne sculptuur. De formele puurheid van een gipsen kat was een groet aan Constantin Brancusi. Met de stakerig getekende figuurtjes, gevangen in een raster van nerveuze lijnen, salueerde hij Alberto Giacometti. Ook ontwierp César bij wijze van hommage aan zijn vriend Pablo Picasso een centaur, het mythische wezen met de voorkant van een mens en het achterlijf van een stier. In het altijd weerkerende, rafelige figuurtje met de holle ogen uit de tekeningen, liet César de contouren van zijn eerstecommuniezieltje zien. Voorzien van een of twee vleugels, en toch niet van de grond komend, heeft het ventje iets van een manke Icarus. Op eigen kracht vliegen bleef een droom, en leidde niet tot het ontwikkelen van experimentele tuigen zoals bij Panamarenko. Dat blijkt wel uit het bronzen beeld L'homme de Villetaneuse: de topzware vleugel is Césars vliegenier als het ware aan het lijf gegroeid, eigenlijk een extra belemmering om op te stijgen. Ook over de onhandigste vlieger onder de dieren, de kip, ontfermde de kunstenaar zich. Hetzij in aandoenlijke tekeningen, tentoongesteld in Le Botanique, hetzij in drollige sculpturen. Vreemd hoe het hoevedier door de stelterige knieën buigt op de wijze van een mens. Er valt zeker iets voor te zeggen om het te zien als een belangrijk onderdeel van een 'intiem zelfportret' van César. In de allermooiste 'verbranding' van de expo, een collage, komt de kinderlijke passie voor aviatiek opnieuw naar boven. Op een (houten?) drager is een luciferdoosje gekleefd. De bovenkant is voorzien van een prentje van een rood vliegtuigje. Boven de neus van het tweedekkertje, op de drager, een sierlijke dwarreling van aangebrande lucifers: aviateur in nood! Waar César - zoals ook in zijn bronzen marionetten, zijn speelse mini-assemblages, zijn Christusbeeld uit gehamerd lood - een notie van vergankelijkheid aanbrengt, toont hij zich plots als de schepper van een kwetsbare poëzie van het leven. Hier knoopt hij aan bij de puurheid van zijn allervroegste beeldende fascinatie: de versteende slachtoffers van de vulkaanuitbarsting bij Pompeji op basis waarvan hij zijn eerste zittend Naakt had gemaakt. Jan Braet