Ongeveer 1 op de 5 Belgen kampt met lage rugpijn. De overgrote meerderheid verbetert spontaan. Bij ongeveer 10% blijft de pijn aanhouden. Vanaf 3 maanden aanhoudende rugklachten spreekt men van een chronische aandoening. In de meeste gevallen is de rugpijn aspecifiek: dat betekent dat geen duidelijke oorzaak gevonden kan worden.
...

Ongeveer 1 op de 5 Belgen kampt met lage rugpijn. De overgrote meerderheid verbetert spontaan. Bij ongeveer 10% blijft de pijn aanhouden. Vanaf 3 maanden aanhoudende rugklachten spreekt men van een chronische aandoening. In de meeste gevallen is de rugpijn aspecifiek: dat betekent dat geen duidelijke oorzaak gevonden kan worden. Vanuit biomedisch oogpunt wordt rugpijn klassiek beschouwd als een signaal dat wijst op een onderliggend letsel (zoals een hernia), maar in werkelijkheid is dat lang niet altijd het geval, zelfs integendeel. Volgens de richtlijn lage rugpijn van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) is een radiografie bij lage rugpijn doorgaans nutteloos en stelt ze bloot aan nodeloze straling. Ook een MRI-scan is vaak overbodig en kan de prognose zelfs nadelig beïnvloeden. Een MRI-scan voor rugpijnklachten verhoogt zowel het ziektegevoel als de kans op een (overbodige) chirurgische ingreep. De beelden brengen heel vaak zogezegde abnormale bevindingen aan het licht, die de rugpijn zouden kunnen verklaren, maar die in werkelijkheid geen klachten veroorzaken. Afwijkingen aan de rug komen ook talrijk voor bij mensen zonder lage rugpijn. Zeker op oudere leeftijd moeten dergelijke bevindingen gezien worden als normale ouderdomsverschijnselen. Maar als ze vastgesteld worden, veroorzaken ze wel onnodige ongerustheid. Daarom zouden scans enkel genomen mogen worden in aanwezigheid van duidelijke alarmsymptomen (bijvoorbeeld een duidelijk verlies van spierkracht in 1 been), die kunnen wijzen op een ernstig rugletsel. De diverse behandelmethoden voor chronische aspecifieke lage rugpijn, waaronder pijnstillers, manipulatie (osteopathie), oefentherapie en andere niet-chirurgische interventies (zoals infiltraties), hebben slechts een matig en tijdelijk effect op de pijn en de bewegingsbeperking. Zelfs rugoperaties geven vaak geen bevredigend resultaat op lange termijn, maar zijn helaas wel onomkeerbaar. Het falen van veel bestaande therapieën wordt toegeschreven aan de eendimensionale aanpak voor de multidimensionale aandoening die aspecifieke lage rugpijn is. Aspecifieke lage rugpijn is zeer complex, en voor complexe aandoeningen bestaan zelden eenvoudige oplossingen. Lagerugpijnklachten hebben bijvoorbeeld ook te maken met een verhoogde gevoeligheid voor pijn als gevolg van extra gevoelige pijnreceptoren, met context, emotionele factoren en stress. De pijn wordt vaak in stand gehouden door tal van factoren, waaronder eerdere pijnervaringen, verouderingsverschijnselen, fysieke, psychologische en sociale factoren, levensstijl en de algemene gezondheid. Studies hebben aangetoond dat abnormale bevindingen omtrent de rug op een scan, zoals een hernia, uitpuilende tussenwervelschijven of artrose, ook vaak voorkomen bij mensen die helemaal geen rugklachten hebben. Door ze in beeld te brengen, riskeert men het gevoel te creëren dat er 'iets ernstigs' aan de hand is, wat op zich leidt tot bewegingsangst, waardoor de klachten nog meer verergeren. Als gevolg daarvan worden diverse bewegingen vermeden of verlopen ze uit angst voor pijn op een geforceerde of verkrampte manier. Angst is vaak een belangrijke factor bij chronische rugpijn: angst voor schade aan de rug (verlamming) leidt tot dramatiseren. Rugpijn is ook een van de belangrijkste redenen van werkverlet. Door weinig te bewegen vermindert de algemene conditie en verhoogt het risico op overgewicht. Rugpijn is vaak ook een oorzaak van slecht slapen, en wie niet uitgeslapen is, voelt nog meer pijn. Personen met chronische rugpijn raken zo stilaan verstrikt in een vicieuze cirkel. Een complexe klacht als chronische lage rugpijn vraagt om een therapie waaraan de ruglijder actief moet deelnemen. Dat noemt men een interventietherapie. Die start met begrijpen wat er aan de hand is. Vragenlijsten kunnen inzicht verschaffen in de pijnbeleving. De ruglijder moet duidelijk weten hoe de pijn ontstaat en hoe hij er zelf op reageert, welke strategieën hij kan ontwikkelen om de pijn te controleren en welke leefstijlaanpassingen nuttig kunnen zijn om de pijn te verminderen. Begrijpen hoe rugpijn ontstaat, wat je zelf kunt doen om die te verminderen en met welke oefeningen je de pijn kunt tegengaan, geeft de meeste kans op succes. Dat blijkt ook uit een recent Belgisch onderzoek bij 120 personen met chronische, aspecifieke lagerug- en/of nekklachten. De onderzoekers vergeleken de interventietherapie (informatie en educatie, leefstijlaanpassingen en gradueel opbouwende oefeningen) met de gangbare therapie. De deelnemende patiënten (mannen en vrouwen tussen 18 en 65 jaar) hadden minstens 3 dagen per week klachten, gedurende minstens 3 maanden. Bij geen van hen was een specifieke oorzaak voor de klachten gevonden. Pijn, pijnbeleving en pijn bij beweging werden geëvalueerd via vragenlijsten. Gedurende 12 weken kregen alle deelnemers 3 educatieve sessies (in groep, online en individueel) en 15 individuele oefensessies. In de interventiegroep werd daarnaast aandacht besteed aan de opvattingen en angsten over pijn van de deelnemers, met het correct kaderen van de rugpijn als doel. Beter begrijpen hoe pijn ontstaat, gaat meteen gepaard met een vermindering van de angst. In het oefenprogramma werden oefeningen uitgevoerd, zonder veel rekening te houden met uitgelokte pijn: desnoods ging men over de pijngrenzen heen. Daarenboven werden ook bewegingen die de patiënt in het dagelijkse leven vermeed, geoefend en gradueel opgebouwd. In de controlegroep werd het educatieprogramma gecombineerd met oefeningen binnen de pijngrenzen, zonder gepersonaliseerde aanpak. In vergelijking met de controlegroep voelden de deelnemers in de interventiegroep zich na 1 jaar opmerkelijk beter dan de controlegroep: hun pijn verminderde gemiddeld met 50%.