Mensen zullen zich Johannes Paulus II op heel wat verschillende wijzen herinneren: van de sportieve bergwandelaar over wereldreiziger tot de oude, zieke man die pijnlijk tot het uiterste zijn pontificale taken als een zichtbare, loodzware taak op zijn schouders torste. Johannes Paulus II was echter ook de man die door zijn uitgesproken mensbeeld, en vooral vrouwbeeld, geregeld een hevig, soms pijnlijk, debat uitlokte over de plaats en betekenis van vrouwen in kerk en samenleving. Hij was eigenlijk ook wel de eerste paus die rechtstreeks geconfronteerd werd met de mondigheid van een groep vrouwen, vrouwen die hem van wederwoord dienden, die reageerden.
...

Mensen zullen zich Johannes Paulus II op heel wat verschillende wijzen herinneren: van de sportieve bergwandelaar over wereldreiziger tot de oude, zieke man die pijnlijk tot het uiterste zijn pontificale taken als een zichtbare, loodzware taak op zijn schouders torste. Johannes Paulus II was echter ook de man die door zijn uitgesproken mensbeeld, en vooral vrouwbeeld, geregeld een hevig, soms pijnlijk, debat uitlokte over de plaats en betekenis van vrouwen in kerk en samenleving. Hij was eigenlijk ook wel de eerste paus die rechtstreeks geconfronteerd werd met de mondigheid van een groep vrouwen, vrouwen die hem van wederwoord dienden, die reageerden. Johannes XXIII had in 1963, op een ogenblik dat de tweede feministische golf amper in de startblokken stond, in de encycliek Pacem in Terris, de 'intrede van de vrouw in het openbare leven' als een van de tekenen van de tijd benoemd, samen met onder meer de vooruitgang van de arbeidersklasse en het streven naar onafhankelijkheid van de volkeren. Ook Gaudium et Spes uit 1965 was vooral bekommerd om de maatschappelijke positie van vrouwen. Karl Rahner, vooraanstaand katholiek theoloog, had in 1964, in de marge van Vaticanum II, al enkele concrete eisen geformuleerd over de wijze waarop gelijkberechtiging van vrouwen in de Kerk verwezenlijkt zou worden. Hij stelde dat verkondiging en pastoraal zowel om moeders, huisvrouwen, alleenstaande vrouwen en beroepsactieve vrouwen bekommerd moeten zijn. Rahner vroeg uitdrukkelijke aandacht voor deelname van vrouwen aan het hiërarchisch apostolaat, een verbeterde verhouding tussen de clerus en vrouwen en een aan de tijd aangepaste vormgeving van vrouwelijke congregaties. De heel bekende katholieke feministische theologe Elisabeth Schüssler Fiorenza vertelde enkele jaren geleden in een televisie-interview dat zij haar studiekeuze verbonden had aan wat er met Karl Rahner zou gebeuren. Het gerucht ging dat Rahner toen spreekverbod opgelegd zou worden. Schüssler Fiorenza besliste daarop dat ze sociologie zou studeren als dit spreekverbod inderdaad werd opgelegd. Rahner kreeg geen spreekverbod en Schüssler Fiorenza koos voor een theologie-opleiding. Mede dankzij haar - en vele anderen - zag Johannes Paulus II zich later geconfronteerd met vrouwen die andere accenten legden, die evangelieverhalen een andere duiding gaven, die een andere historische reconstructie van de eerste eeuwen christendom uittekenden. Op 31 mei 2004 gaf het Vaticaan een brief vrij, gericht tot de bisschoppen van de katholieke Kerk, over de samenwerking tussen mannen en vrouwen in Kerk en samenleving. Dit document is vooral het werk van kardinaal Ratzinger, maar geeft de krachtlijnen weer uit documenten als Mulieris Dignitatem (1988) en Ordinatio Sacerdotalis (1994). De kern van de boodschap is dat mannen en vrouwen actief met elkaar moeten samenwerken, met de verschillen tussen beide geslachten als vertrekpunt. Complementariteit is het sleutelwoord om dit mensbeeld te begrijpen. Hij had het bijzonder moeilijk met tendensen die de verschillen tussen mannen en vrouwen wilden ontkennen of verklaren door historische of culturele factoren. Hij geloofde sterk in een vorm van biologische voorbestemdheid. Dit accent op de verschillen tussen mannen en vrouwen kreeg een sterk zogenaamd bijbels-antropologische verankering. Dat wil zeggen dat men een beroep doet op bijbelverhalen, meer in het bijzonder op de scheppingsverhalen, om de verschillen te duiden. Vrouw-zijn wordt daarin specifiek verbonden met 'er zijn voor anderen'. De fysieke mogelijkheid tot leven geven tekent fundamenteel de vrouwelijke persoonlijkheid. De wijze waarop de documenten schrijven over moederschap komt, zeker voor moeders die de realiteit van het leven kennen, sterk idealiserend en soms erg romantisch over: moederschap als hoogste vervulling van het vrouwelijk bestaan. Vanzelfsprekend kunnen vrouwen ook actief zijn op de arbeidsmarkt, maar net vanwege die uitgesproken oriëntatie op moederschap hebben werkgevers en overheden een bijzondere opdracht om de combinatie arbeid en gezin voor vrouwen haalbaar te maken. Wie als vrouw er voor wil kiezen om niet beroepsactief te zijn, zou dit moeten kunnen zonder maatschappelijke stigmatisering, aldus de tekst. Tegelijkertijd wordt de zinvolheid van een maagdelijk bestaan verdedigd. Vrouwen kunnen ook moederlijke taken vervullen zonder fysieke procreatie. Veerle Draulans