De GP van België 250 cc, zondag in Kester, kan beslissend zijn voor de eerste wereld- titel van Marnicq Bervoets. Een gesprek.
...

De GP van België 250 cc, zondag in Kester, kan beslissend zijn voor de eerste wereld- titel van Marnicq Bervoets. Een gesprek.HALVE OPLOSSINGEN zijn er geen. Wereldkampioen word je pas nadat je alle andere passies ingeleverd hebt. De laatste opoffering van Marnicq Bervoets was het paardrijden. Een liefhebberij die zijn vriendin nog hardnekkiger bedrijft. (?Als ik het paard wil aanvuren, gebruik ik soms het zweepje, maar beter dat zij het niet ziet, anders zwaait er wat.?) Sinds maart bleef het zadel onaangeroerd. En dus zijn de gevolgen niet toevallig. Bervoets is dit seizoen niet van het paard gevallen. En hij is er evenmin overheen getild. Dan kan je je doel bijna niet meer voorbijschieten. Het doel was de voorbije winter al heel duidelijk : wereldkampioen worden. Voor minder ging Bervoets niet : ?Ik was vorig jaar al tweede geweest, dan blijft er maar één uitdaging over. Stefan Everts heeft het vorig seizoen gehaald, ook omdat ik veel motorproblemen had. Anders was ik toen al dichter geëindigd.? Woorden van een van inborst bescheiden man. Tien jaar in het vak. Limburger uit Paal (Beringen). Leeftijd : zevenentwintig. Na optelling van die kenmerken zouden weinigen hem echte ambities toekennen. Zelf laat Bervoets er geen twijfel over bestaan : ?De voorbije weken heb ik elke dag aan die titel gedacht. Ik moet hem hebben. Joël Smets zei me dat hij vorig jaar, toen hij op het punt stond wereldkampioen te worden, de laatste weken bijna niet meer sliep. Dat is normaal, zeker, je haalt niet elke dag zo'n titel. Maar ik voel het : ik wil dat doel bereiken. Zo snel mogelijk.? Nog twee Grote Prijzen (België en Zwitserland) staan op het programma. Vooral het middenseizoen van Bervoets was prachtig. Hij won zes Grote Prijzen. Onbetwist leider in de tussenstand. Alleen de Amerikaan Tallon Vohland en Everts kwamen in de verre buurt. Dan volgde de verwachte terugval. Vooral regerend wereldkampioen Everts kwam sterk terug. Maar : ?Ik voel me nu weer opleven. In Kester wil ik graag winnen. Vorig jaar ben ik daar sportief geklopt. Vooral in de tweede reeks was Everts toen sterker. Ik wijt het nog altijd aan het feit dat ik tussen de twee reeksen door te veel op de vragen van de pers ben ingegaan en daardoor te weinig gedronken heb. De omloop van Kester ligt mij. Een conditioneel veeleisend circuit, je moet er veel werken.? BARSTEN.Stijl : hard werken en agressief rijden. Als het echt technisch wordt, heeft Bervoets het moeilijker. Omlopen met vele, korte bochten staan onderaan zijn lijstje. ?Ik ben niet, zoals Everts, in de supercrossen opgegroeid. De wat oudere rijders zoals Dirk Geukens, Joël Smets en ik kunnen daar niet in mee. Ik kom uit de BLM-crossen : diepe kuilen, veel zand, veel inzet. Op sommige circuits zie je nu ook dubbelsprongen en dergelijke opduiken, dan zou die techniek van supercrossen welkom zijn.? Afgezien daarvan is motorcrossen een zaak van kracht en uithouding. Conditie is sedert Eric Geboers almaar belangrijker geworden. ?Vooral de tweede reeks valt erg zwaar uit,? zegt Bervoets. ?Dan rij je constant met een polsslag van 180. Als het warm is, verlies ik op een wedstrijddag vier tot zes kilogram. En je hebt krampen na afloop, zeker weten. In de Grote Prijs van Japan, vorig jaar, werd het mij na de aankomst zwart voor de ogen. Ik wou iets eten, maar dat lukte niet. Zelfs drinken ging niet. Na een tijdje dacht ik bekomen te zijn, maar onder de douche gingen mijn tenen in alle mogelijke richtingen tegelijk staan. Krampen. In die gevallen heb je drie dagen nodig om te recupereren.? Bervoets is samen met Joël Smets klant van atletiektrainer Yves Demeulemeester, die onder meer ook Lieve Slegers begeleidt. Dat heeft zijn vruchten afgeworpen. Bervoets trainde vroeger helemaal zelfstandig : ?Ik ging vaak tot het uiterste. Op training moest ik afzien of ik voelde me achteraf schuldig. Nu doe ik het rustiger, bijvoorbeeld een duurloop van tien kilometer tegen een polsslag van 140. Mijn uitslagen zijn ernaar. Vroeger was ik de eerste twee maanden in topconditie, maar zakte ik later altijd terug. Met deze trainingswijze zit ik het hele seizoen min of meer in topvorm. Ik loop nu niet het gevaar overtraind te geraken.? Toch is hij ook dit jaar teruggevallen, zij het minder erg. Daar zijn redenen voor. Ten eerste : ?Je kan niet van april tot september op hetzelfde niveau blijven. Je voelt dat moment niet aankomen, nee. Op zekere dag stel je in een cross na een kwartier vast dat je opeens blokkeert en je iets minder moet rijden omdat je anders gaat barsten. Dat is het ogenblik waarop je de eersten van je ziet wegrijden. En de tweede reden is dat je heel anders begint te rijden als je merkt dat je wereldkampioen kan worden. Dat gebeurt onbewust. Je bent meer geneigd om de schade te beperken. Je wil nog even aanvallend rijden als daarvoor, maar zonder dat je het beseft, neem je een meer afwachtende houding aan. Voorzichtig, omdat punten belangrijk zijn.? HONGERIG.De trainingsevolutie deze winter was dat Bervoets vaker intervaloefeningen kreeg voorgeschreven. Dat er ook meer krachtenontplooiing in de gymzaal en minder motortraining op het programma stond. ?Motortraining is in het begin van het seizoen belangrijk. Nu las ik ze nog één keer per week in. Tijdens het seizoen ligt de klemtoon op het onderhouden van conditie en kracht. Dat houdt je ook hongerig om in het weekend te rijden. Als jongere heb je meer nood aan training die motorgevoel en techniek bijbrengt. Eén keer op topniveau, leer je nog weinig bij.? Tot zijn vijftiende reed Bervoets alleen nu en dan met de motor. Het gebeurde ook speels. Hij voetbalde in die tijd. Centrale spits of rechterflankaanvaller. ?Sportief zat ik goed in mekaar. Ik ging niet op stap. Ploegmaats deden dat wel en dat stoorde me. Mettertijd enerveerde ik me meer aan het gedrag van de anderen dan dat ik plezier aan het spel beleefde. Daarom zocht ik een individuele sport. Als het fout liep, wou ik de oorzaak helemaal bij mezelf kunnen vinden.? Motorsport beantwoordt ook niet aan die voorwaarde : je bent afhankelijk van de machine, de mechaniek, de technologie. Bervoets weerlegt dat : ?In de Formule 1 is dat misschien zo. In het motorcrossen speelt de conditie van de rijder een heel grote rol. En ook zijn aanpassingsvermogen : het circuit verandert elke ronde. Geef mij een motor uit de winkel en ik rij nog binnen de eerste vijftien. Ik heb nooit veel zelf aan de motor gewerkt. Als jongen maakte ik hem nog wel schoon, maar de mechanische onderdelen dan weer niet. Een cilinder afnemen, maar niet opzetten. Te duur. Mijn vader wou niet dat ik die risico's liep. Ik moest drie dingen doen : school lopen, trainen en crossen. De rest was voor mijn vader. Na enkele jaren kregen we een fabrieksmecanicien. Ik ben niet moeilijk, ik stel weinig eisen. Als het misloopt, moet je oog hebben voor de mogelijke gebreken van je motor, maar ik kijk vooral naar mezelf.? DRUK.De opgang van Bervoets gebeurde geleidelijk. Tien jaar geleden begonnen in de 125 cc. Geëindigd als 23ste. Later opgeklommen naar de plaatsen 13 en 12, en in '90 overgestapt naar de kwartliters. Eindrangschikkingen : negende, zesde en twee keer vijfde. Hij was toen de eerste privé-rijder. Toen kreeg hij de kans om in een professioneel team binnen te stappen. ?Stefan Everts ging weg bij Suzuki. Ik mocht de vrijgekomen plaats innemen. Dat klikte meteen. Het eerste jaar werd ik vierde. Ik reed in ploeg met de Zuid-Afrikaan Greg Albertijn. Veel van geleerd. Vooral mentaal. Zoals die zijn optimisme kon bewaren. Hij kon soms de twintigste trainingstijd rijden, ik zou dan denken : het wordt niks, maar hij ging er in de wedstrijd met evenveel vertrouwen als anders tegenaan. Altijd met dezelfde glimlach. Ik was ook een slecht starter. Ik moest dikwijls van de 35ste plaats terugkomen om uiteindelijk tiende te worden. Daar heb ik toen aan leren werken. En aan het eind van dat seizoen werd ik geregeld vierde en vijfde. Toen ging Albertijn weg. Dat werd bij mij het ogenblik van de ommekeer.? Teamleider Sylvain Geboers kwam hem vertellen dat hij vorderingen maakte en dat hij bij voortgang van die evolutie de eerste rijder van het team kon worden. Dat gebaar van vertrouwen maakte indruk op Bervoets. ?Het legde veel druk bij mij, maar ik heb het van meet af aan als een positieve druk ervaren. Sylvain Geboers is ook een heel rustige teammanager. Ik denk dat zijn aanpak helemaal bij mij past. Als hij het anders deed, zou dat bij mij ook niet aanslaan, denk ik. Op zondagavond, na de wedstrijd, praten we per definitie niet over de wedstrijd. Dat is de afspraak. Het eerste overleg komt er op maandag.? Het resultaat was merkwaardig. Vorig seizoen won Bervoets vier Grote Prijzen. In alle voorgaande jaren samen was hem dat maar twee keer gelukt. Het succes vloeide voort uit verschillende factoren. ?Er was die opname in een professioneel team, een betere motor, ik kreeg andere trainingsgewoonten voorgeschreven en bovendien leerde ik een dokter kennen die nu op bijna al mijn crossen is.? Eerder al had Bervoets spieroperaties ondergaan. Last van opgepompte armen na vijf minuten wedstrijd : bloed dat niet meer door de banen geraakte. In eerste instantie werd het spieromhulsel opengesneden. Maar de opening groeide daarna weer dicht. Later werd het omhulsel operatief helemaal verwijderd. Buiten de littekens ondervindt hij er alleen maar voordelen van, zegt hij. En straks dus de wereldtitel ? Naarmate het ogenblik van de waarheid nadert, slaat de stemming om. ?Ze is alleszins anders dan in het begin van het seizoen. De concurrenten beginnen anders te doen. Vohland is altijd al een rare geweest, maar ook bij de anderen merk je het. Je legt het er, bijvoorbeeld, niet meer op aan om mekaar te zien. Je zegt mekaar alleen nog maar wat als het werkelijk moet. Alleen op zondagavond is het iets leuker. Soms moet ik erom lachen, ja.? Piet Cosemans Marnicq Bervoets : Op een wedstrijddag verlies ik vier tot zes kilogram. Bervoets : Naarmate het ogenblik van de waarheid nadert, slaat de stemming om. Je zegt mekaar alleen nog wat als het moet.