Het woord van de vice-minister van Buitenlandse Zaken van de Taliban.
...

Het woord van de vice-minister van Buitenlandse Zaken van de Taliban.De vice-minister van Buitenlandse Zaken Kaboel heet Sher Mohammed Abbas Stanikzai. Hij is jong en verzorgd onder zijn tulband, en heeft een keurig geknipte baard van het reglementaire fundamentalistische type, hoewel misschien wat kort. Hij heeft duidelijk een goede opleiding achter de rug, spreekt genoeg Engels om zich in die taal efficiënt uit te drukken, en is breeddenkend genoeg om niet alleen een vrouw in zijn kantoor toe te laten, maar zich ook daar haar te laten fotograferen. Deze man is afgestudeerd : de meer pietluttige reglementen van de Taliban zijn inderdaad voor ?studenten?. Beschouwt u zich nu al als de regering van heel Afghanistan ? SHER MOHAMMED ABBAS STANIKZAI : Natuurlijk zien wij ons als de regering van de hele natie, ook al zijn de Verenigde Naties daar nog niet van overtuigd. Momenteel hebben we, met de hulp van God en met het volk aan onze kant, ruim 85 procent van het grondgebied onder onze controle, zonder noemenswaardige problemen. Natuurlijk zijn er nog een paar politieke groepen die ons willen bestrijden, en die nu af te rekenen krijgen met onze strijdkrachten maar jarenlang hebben die in het verleden ondereen gevochten. Het is logisch dat wij als regering van Afghanistan erkend worden. We hebben dan ook al een brief gestuurd aan de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, om aanspraak te maken op de Afghaanse zetel in de VN. De VN kunnen u niet als lid aanvaarden omdat u vrouwen van werk en onderwijs uitsluit. STANIKZAI : De VN en het Westen zijn niet in staat dat probleem volledig te begrijpen. We zitten hier met twee belangrijke elementen. In de eerste plaats en boven alles zijn we moslims. Het tweede element is dat we ons bevinden in een volledig verwoest land. Volgens de islamitische principes hebben vrouwen zeker recht op onderwijs en een eigen positie in de maatschappij. Ze moeten actieve leden van de maatschappij kunnen zijn en zich ontplooien in sociaal werk. Natuurlijk onder bepaalde voorwaarden, wat trouwens ook voor de mannen geldt. Vrouwen en mannen hebben recht op onderwijs, maar wel in verschillende scholen, wat wil zeggen, in gescheiden gebouwen, en gegeven door gesegregeerd personeel, aangekleed zoals het hoort. Dat geldt ook wanneer ze het huis uit gaan, naar de bazaar, of naar sociale gelegenheden. Het Westen gelooft dat niet. Het denkt dat we onze scholen voor vrouwen gesloten hebben. Het weet niet dat al onze scholen vernield zijn, dat zelfs de bakstenen ervan verdwenen zijn. Voor wij aan onderwijs kunnen gaan doen, moeten wij er eerst de gebouwen voor hebben. Bovendien leven minstens zes miljoen vluchtelingen in het buitenland, onder wie de meeste van onze geschoolde mensen. Vandaar een schrijnend gebrek aan leerkrachten. Daar komt dan bij dat de Russen lang geprobeerd hebben ons onderwijssysteem te vervangen door hun eigen systeem. Dat geeft problemen met de leerstof, die we moeten in kaart brengen, en zien op te lossen. Het hoofdprobleem blijft dat in onze maatschappij de meerderheid ongeletterd is. Mensen die nooit naar school gingen, kennen de voordelen van onderwijs niet. Zodat wij eigenlijk, eerst en vooral, de ouders moeten opvoeden, zodat ze hun kinderen naar school sturen. Die mensen hebben in het geheel niets meer. Ze hebben nu eerst een poos vrede nodig. Veiligheid en rust. Het Westen denkt dat wij, als we een stad innemen, de school maar te openen hebben. Zo liggen de zaken niet. Maar vrouwen mogen niet werken. STANIKZAI : Toch wel, alleen mogen ze dat niet samen met de mannen. Dus ook op de kantoren is segregatie verplicht. Waar we vrouwelijke artsen of verpleegsters nodig hebben, daar mogen ze werken. Vrouwen die kantoorbanen hebben, zullen gedurende een korte periode betaald worden om thuis te blijven. Maar door al dat oorlogvoeren hebben we veel meer vrouwen dan mannen. We zullen hun hersens en bekwaamheden nog nodig hebben. Wat voor relaties kan Afghanistan onderhouden met de buitenwereld ? STANIKZAI : Met Iran is er een probleem. Vroeger waren onze relaties niet slecht, maar tegenwoordig probeert Iran in onze zaken tussen te komen. Het vindt dat het belangen heeft in ons land en het levert wapens en landmijnen aan onze tegenstanders. De Russen ook. We vinden dezer dagen wapens en munitie die in 1996 in Rusland gefabriceerd zijn. Uit India krijgen onze tegenstanders ook hulp, raadgevers en zo. Het is niet nieuw. Zelfs toen Burhanuddin Rabbani nog aan de macht was, was Iran al conflicten aan het opstoken met de sjiietische groepen hier. Om de interne strijd aan te wakkeren. Dat zien we nu ook gebeuren. Als buurland tolereren ze geen stabiele regering in Afghanistan. Kijk maar : de Iraniërs willen dat de grote weg en de olieleiding naar Pakistan door Iran zou lopen. Als er een stabiele regering is in Afghanistan, gaat dat niet door, dan loopt die route door Afghanistan : van Quetta in Pakistan, over Kandahar, naar Turkmenistan. De Arabieren en de Verenigde Staten willen die route openen, die zitten te wachten op vrede in Afghanistan, dan kunnen ze aan de slag.