In het artikel "Het verleden van de commissaris" in Knack dd. 7 april 1999 schrijft Dhr. De Moor onjuiste zaken over mij. Dhr. De Moor heeft het over mijn beduimelde verleden. Ik vind daarentegen dat mijn verleden zo zuiver is als bergwater. Zoals Dhr. De Moor opmerkt, werden er, naar aanleiding van mijn opeenvolgende benoemingen in de politiediensten, niet minder dan vier onderzoeken gevoerd. Na de onthullingen over mijn lidmaatschap bij een jongerenbeweging waarvan de leden naar huidige maatstaven de grote misdaad begingen politiek niet correct te denken, heeft men weer eens, zoals Dhr. De Moor het ook opmerkt, een tweeledig onderzoek gevoerd waarbij zowel mijn privé- als mijn openbaar leven grondig werden onderzocht zonder dat er iets verkeerd kon worden gevonden. Nog nooit in dit land werd het leven van iemand op een dergelijke wijze doorgelicht. Maar, zoals Dhr. De Moor het alweer zelf schrijft, indien de overheid reeds alles over mij wist, waarom moest zij dat dan op een dergelijke manier uitsmeren en daarrond een waarachtige mediacampagne voeren? Indien er iets verdacht leek, had men dan ...

In het artikel "Het verleden van de commissaris" in Knack dd. 7 april 1999 schrijft Dhr. De Moor onjuiste zaken over mij. Dhr. De Moor heeft het over mijn beduimelde verleden. Ik vind daarentegen dat mijn verleden zo zuiver is als bergwater. Zoals Dhr. De Moor opmerkt, werden er, naar aanleiding van mijn opeenvolgende benoemingen in de politiediensten, niet minder dan vier onderzoeken gevoerd. Na de onthullingen over mijn lidmaatschap bij een jongerenbeweging waarvan de leden naar huidige maatstaven de grote misdaad begingen politiek niet correct te denken, heeft men weer eens, zoals Dhr. De Moor het ook opmerkt, een tweeledig onderzoek gevoerd waarbij zowel mijn privé- als mijn openbaar leven grondig werden onderzocht zonder dat er iets verkeerd kon worden gevonden. Nog nooit in dit land werd het leven van iemand op een dergelijke wijze doorgelicht. Maar, zoals Dhr. De Moor het alweer zelf schrijft, indien de overheid reeds alles over mij wist, waarom moest zij dat dan op een dergelijke manier uitsmeren en daarrond een waarachtige mediacampagne voeren? Indien er iets verdacht leek, had men dan niet evengoed, en was het bovendien niet wenselijker geweest, voor de goede werking der instellingen, discreter te werk te gaan? De vraag stellen, is ze natuurlijk beantwoorden. Zonder die sfeerschepperij kon men mij niet uit mijn ambt ontzetten. Ik vraag mij dan ook af welke "verdenkingen", zoals Dhr. De Moor beweert, men over mij op het einde van de jaren zeventig dan wel had. Indien ik dan toch zo gevaarlijk was, waarom heeft er dan nooit een gerechtelijke instantie of een parlementaire onderzoekscommissie mij ondervraagd? Uit vrees dat, na een eventueel onderzoek, men het woord "verdenkingen" niet meer tegen mij zou kunnen gebruiken? Dat de rekruteringsdienst van de politie de informatie, die aan haar door de BOB werd verstrekt, helemaal niet kon gebruiken, is voldoende bewijs dat deze informatie totaal van geen belang was. Dit alles heeft bovendien niet belet dat ik bij de politie een onberispelijke loopbaan heb doorlopen, steeds gewaardeerd en geprezen door zowel mijn oversten en ondergeschikten als door de bevolking zelf. Wat de veroordeling van het Front de la Jeunesse betreft, gaat het om een achttal leden van deze beweging die, op een campingterrein, voor hun tent, gevechtssportoefeningen hadden uitgevoerd zonder daarvoor een toelating te hebben bekomen. Enkel dit feit en geen gewelddaden, waarvan Dhr. De Moor spreekt, gaf aanleiding tot een veroordeling van deze personen vanwege de vorming van een privé-militie. In tegenstelling tot hetgeen Dhr. De Moor beweert, is de kazerne de Witte de Haelen nooit een goed bewaakte kazerne geweest. Bovendien lag het magazijn van het SIE op de hoogste verdieping van de garage van deze kazerne, alwaar 's nachts niemand te bespeuren viel. Toen ik lid was van het SIE beschikte deze eenheid over geen enkel gesofistikeerd wapen. Zij beschikte enkel over de traditionele bewapening van een gemilitariseerde politiedienst: pistolen, revolvers, riotguns, machinepistolen en geweren. Naar aanleiding van de wapendiefstal bij de Groep Diane, werd de lijst van verdachten binnen het korps opgesteld volgens de gebruikelijke wijze, namelijk alle voormalige leden van de eenheid en in het bijzonder diegenen die de rijkswacht verlaten hadden. Ten gevolge van die diefstal, die bijna twee jaar na mijn vertrek uit de rijkswacht gepleegd werd, kwam de BOB bij mij thuis. Zoals Dhr. De Moor opmerkt, achtten zij het evenwel niet nodig om het onderzoek verder te zetten. Achteraf heeft ook de onderzoeksrechter besloten dat het overbodig was om mij nog verder bij deze zaak te betrekken, hetgeen wel degelijk aantoont dat mijn betrokkenheid nihil was. Volgens Dhr. De Moor ontdekte de rijkswacht op het einde van de jaren tachtig nieuwe gegevens die het profiel van het Front de la Jeunesse en mijzelf verfijnden. Ik vind het wel vreemd dat Dhr. De Moor niet uiteenzet welk profiel verfijnd werd en welk element had kunnen worden gebruikt om mijn benoeming tot commissaris of hoofdcommissaris tegen te houden. De documenten die bij vader Dossogne gevonden werden, werden op een totaal onrechtmatige wijze in beslag genomen. Het huiszoekingsbevel had namelijk enkel betrekking op een financiële zaak en zodoende konden geen documenten worden meegenomen die niets met die zaak te maken hadden. Zoals vermeld in het verslag over het parlementair onderzoek, genaamd "Bende van Nijvel bis" (Kamer van Volksvertegenwoordigers - 573/12-95/96, blz. 107), werden 111 inschrijvingsformulieren meegenomen. Het enige nut van dit gedoe is de publicatie van het formulier dat betrekking heeft op mijzelf. Zodoende blijft de belangrijkste vraag nog steeds open: waarom werd van deze 111 formulieren enkel mijn formulier aan de pers overhandigd ter publicatie? Deze vraag blijft onbeantwoord, net zoals de hoofdvraag van de hele zaak: waarom moest men een schandaal rond mijn persoon creëren om mij koste wat het kost uit mijn ambt te zetten? Toevallig was mijn korps actief in de prostitutiebuurt rond de Aarschotstraat in Schaarbeek. Een prostitutiebuurt die in verband staat met de aanslagen van de Bende van Nijvel ( Financieel-Economische Tijd dd. 20 juni 1997) maar waarvoor bijna vijftien jaar later nog altijd geen onderzoek is gestart. Vele van deze elementen komen voor in de klachten van 8 juli 1997 en 17 november 1998 die ik neergelegd heb ten gevolge van mijn afzetting als hoofdcommissaris van Schaarbeek. Nog altijd is in dit verband geen onderzoek gestart. Waarom niet? Dit zijn allemaal interessante vragen. Welke journalist zal ze echter durven of mogen stellen? En welke journalist zal de antwoorden durven of mogen uitbrengen? Misschien Frank De Moor?