Een muf achtersteegje in Managua. Het huisje van verroeste golfplaten is weggestopt achter een schutting. Schriele kippen scharrelen in de modder tussen zeven maïsstengels. Een oude man zit in een gedumpt autowrak zonder wielen. Roerloos. Hij kan evengoed dood zijn. In het deurgat van het hutje: de mama, dealer in verslavende lijm. Een van haar eigen kinderen is eraan gestorven, twee andere snuiven flink, één dochter is nu al bijna twee jaar clean. Olivier Sebrechts - sandalen, versleten trainingsbroek, smoezelig polohemd - krabt in zijn haar.
...

Een muf achtersteegje in Managua. Het huisje van verroeste golfplaten is weggestopt achter een schutting. Schriele kippen scharrelen in de modder tussen zeven maïsstengels. Een oude man zit in een gedumpt autowrak zonder wielen. Roerloos. Hij kan evengoed dood zijn. In het deurgat van het hutje: de mama, dealer in verslavende lijm. Een van haar eigen kinderen is eraan gestorven, twee andere snuiven flink, één dochter is nu al bijna twee jaar clean. Olivier Sebrechts - sandalen, versleten trainingsbroek, smoezelig polohemd - krabt in zijn haar. Hij praat met de ma en de dochter die hij uit het circuit haalde. Rustig, zonder stemverheffing. Het gaat over een verdwenen neefje. Bij het weggaan belooft Sebrechts naar hem te informeren. Na het afscheid zegt hij: "Erg ja. Maar wat wil je dat ik die vrouw vertel? Dat ze moet stoppen met dealen? Dat doet ze toch niet, ook al gaan haar kinderen eraan kapot. Lijm is haar inkomen." Sebrechts struint intussen al rond in La Cassita, een donkere, betonnen bunker. De krocht staat op een hoek van de Mercado Oriental, een labyrint van vrolijke marktkraampjes, zompige steegjes en rottende achterbuurten. Het gestripte kraakpand is hét toevluchtsoord van thuis weggelopen jongeren, lijmsnuivers en hoertjes. Ze slapen er op een stuk karton en gebruiken de stinkende vuilnishoop om de hoek als toilet. Een meisje, bovenlip over een potje met gelige lijm geplooid, vraagt Sebrechts geld. Een vrouw van twintig die veertig lijkt, wil medicijnen voor haar kleintje. Kinderen roepen en joelen, trekken aan Sebrechts' hemd, springen tegen hem op, vloeken, tieren, liegen, laten hun messteken, zweren of slechte tanden zien. Als het te veel wordt, legt Sebrechts hen het zwijgen op, ijzig kalm. En het gekakel bedaart, want El Papito is hun god. Dan aaien ze hem of grabbelen naar zijn hand. En Sebrechts, een kop groter dan hen allemaal, heeft voor de ene een troostend woord, voor de andere een adres, voor een derde een belofte of de zoveelste vraag om naar zijn opvangcentrum te komen. In 1991 belandde hij als zoon van bemiddelde Antwerpse ouders in Managua. Op doorreis naar Zuid-Amerika. Op de Mercado Oriental pikte een snotneus zijn portemonnee. Sebrechts erachteraan. Tot de jongen tegen een politieagent knalde, meteen een pak rammel met de gummistok kreeg en een revolver tegen zijn hoofd. Sebrechts, toen net dertiger, schrok zich een aap. Een dooie voor wat geld, wie wou dat? Hij wist de agent te overtuigen: het was allemaal een misverstand, het kwam wel weer goed. Eigenlijk kwam het nooit meer goed. Sebrechts kreeg via zijn nieuw vriendje contact met wat de goegemeente in Managua als menselijk afval beschouwt: lijmsnuivers, diefjes, straatcriminelen, dakloos gajes, kindhoertjes en ander gespuis. Tegen beter weten in stopte hij zijn hele reisbudget - 4500 dollar - in een droom: Quincho Barrilete. Het is de naam van een jongetje uit een populaire ballade dat dankzij de verkoop van papieren vliegers uit de armoede raakt. Quincho Barrilete betekende ook de eerste vorm van opvang voor de losgeslagen jongeren. Amerikaanse en Europese ngo-medewerkers die toen in Managua op Sebrechts botsten, beschouwden hem en zijn metgezellin, de Italiaanse Zelinda Roccia als zonderlingen, dwepers. Hij woonde in een krot van vier bij drie, zat 's nachts op de levensgevaarlijke markt, een kruising tussen Sinterklaas en Sint-Franciscus, een enigszins gestoorde straathoekwerker. Geld voor het project was er niet, belangstelling van de lokale overheid evenmin. Sebrechts zou als zovele anderen stilletjes uit het beeld verdwijnen wanneer zijn centen en illusies op waren. Maar Sebrechts bleef. Nu runt hij met de vzw Quincho Barrilete vier opvanghuizen en verblijfscentra. Zo'n 40 begeleiders proberen goed 300 straatkinderen min of meer te reïntegreren. De vzw werkt met een budget van 12 miljoen frank per jaar, vooral afkomstig uit Denemarken en België. Politie en lokale overheid staakten hun hoongelach en betuigen de rare Belg nu beleefd respect en werken met hem samen. Als Olivier Sebrechts het verhaal van Quinto Barrilete vertelt, ontdaan van elke pathos, lijkt het allemaal vanzelfsprekend. Elke dag gaan zeven opvoeders de markt op. Zij proberen de straatkinderen naar het opvangcentrum te krijgen, waar plaats is voor zo'n zeventig jongeren. "Dat is dikwijls de moeilijkste stap", zegt Sebrechts. "De kinderen leven op straat, dat is hun biotoop. Ze hebben er vriendjes en lijm. Voor de rest is het een normloze wereld. Wat kunnen wij hen bieden? Een dak, eten, maar wij vragen ook discipline." In het opvanghuis buigen opvoeders zich over de jongeren. Als ze niet terug naar hun familie kunnen, zet Quincho Barrilete hen in een verblijfscentrum. Ze krijgen medische zorg, kleren, moeten naar school of een vak leren. Oudere meisjes mogen een straathandel opzetten en werken in de keuken, jongens knopen hangmatten en vlechten sieraden. Een bakker leert hen brood en koekjes bakken. Zijn eigen dochter is door Quincho Barrilete uit het lijmcircuit gehaald. Alles gebeurt zonder dwang. Wie weg wil, kan. "Het is vallen en opstaan voor beide kanten", zegt Sebrechts. "We krijgen te maken met jongens die over de daken klimmen om hun vriendinnetje bij ons zogezegd te bevrijden. Soms denk je: die haalt het. Maar dan is hij of zij plots weg en hervalt. Als ze twee jaar aan de lijm zitten, zijn ze nagenoeg verloren." Geen klacht, gewoon een vaststelling. Sebrechts vertelt er nuchter over. Over zijn persoonlijke, absolute onthechting, de tegenkantingen en problemen: geen woord. Hij doet gewoon zijn ding. Maar wie één keer de kinderen in hun lompen op de markt heeft gezien - snuivend, smerig, brallend, kotsend - en daarna in de opvangcentra de meisjes in keurig schooluniform, de jongens joelend onder de basketring bekijkt, weet dat Sebrechts halve wonderen verricht. En merkwaardig genoeg: van de kinderen uit de verblijfscentra weet hij er bijna 8 op 10 uit de prostitutie en van de lijm te houden. Als we het opvangcentrum verlaten, klinken vijftig meter verder op de zandweg opgewonden kreten. Drie droge knalletjes van een licht pistool, een taxi die wegscheurt, een jongen die tegen het gammele hekwerk van een huis aankwakt. En blijft liggen. Een van de toegesnelde begeleiders van Quinto Barrilete noteert de nummerplaat van de taxi. De chauffeur zag hoe de knaap de handtas van een vrouw weggriste en zit 's anderendaags vast. De jongen zal het nooit weten. Hij ligt daar met tot op de draad versleten zwarte jeans, gescheurd T-shirt en dieprood bloed dat als in een vertraagde film van tussen zijn tanden gulpt. Dit was een heel kort leven.