Jean-Philippe Toussaint duidt op een humoristische manier de aliënatie van de hedendaagse mens. Samen met zijn generatiegenoten schrijft hij de Nouveau Roman van vandaag.
...

Jean-Philippe Toussaint duidt op een humoristische manier de aliënatie van de hedendaagse mens. Samen met zijn generatiegenoten schrijft hij de Nouveau Roman van vandaag.Is er wel een verschil tussen het illusionisme van een portret uit de Renaissance en de weergave op het kleine tv-scherm van een presentator van het journaal ? Jawel en niet gering, betoogt de Belgische romanschrijver Jean-Philippe Toussaint (40) in ?La télévision?. Dit is zijn vijfde boek na ?La salle de bain?, zijn opgemerkt debuut (1985) dat van hem op slag de meest gelezen auteur van zijn generatie maakte. Het thema van ?La télévision? leent zich voor een loodzwaar moraliserend essay, maar daar had Toussaint geen zin in. Lichtvoetig zoals in zijn vorige romans, voert hij een wat potsierlijke ik-figuur op. Die waart doelloos rond als een Monsieur Hulot met vakantie in het zomerse Berlijn, na menige vruchteloze poging om een traktaat te schrijven over de relaties tussen de schilder Tiziano Vecellio (T.V.) en de macht. Die relatie wordt geïllustreerd door een anekdote die vertelt hoe Karel V zich bukt om het penseel van de meester op te rapen. Net als in zijn vorige romans, is de protagonist een intellectueel die zich passief maar koppig verzet tegen de gladde realiteit die hem dreigt te ontglippen. Zoals Toussaint dat in ?L'appareil photo? (1989) formuleert, ?mat hij de realiteit af zoals men een olijf kan afmatten, voor ze succesvol vast te prikken met zijn vork?. CULTURELE DAKLOZEOm komaf te maken met zijn malaise met de werkelijkheid, beslist zijn personage om voor altijd zijn tv af te zetten zoals een roker beslist op niet langer te roken. Met dezelfde desastreuze gevolgen. De afkickverschijnselen laten niet lang op zich wachten en zijn des te sterker omdat de televisie zowat de hele wereld blijkt te hebben ingepalmd. Ook die van de intellectuelen die achteloos beweren dat zij nauwelijks tv-kijken, maar er evengoed aan verslaafd zijn als de overige stervelingen. En de ik-figuur wordt op slag tot een soort van culturele dakloze gemarginaliseerd. Eens het apparaat is uitgeschakeld, duikt er een ander probleem op, het nietsdoen. Iets wat heel wat methode en concentratie vergt en waarbij de protagonist zich in een aantal dolkomische situaties stort die hem uiteindelijk toch geen uitweg bieden. Eens de tv afgezet, lijkt hij wel zijn eigen tv te worden. De uit hun verband gerukte impressies die de werkelijkheid hem biedt, lijken even fragmentarisch als de tv-beelden. Besluit : niemand kan nog zonder deze machtige machine die als geen een de verveling verdrijft en de vlucht uit de gedachte organiseert. Ongemerkt zijn wij bij het Pascaliaanse ?divertissement? beland, met al de zwaarmoedige, pessimistische beschouwingen die hierbij kunnen worden gemaakt. Maar Toussaint, die zijn lezers geen enkele knipoog ontzegt in de trant van ?Ik weet niet of u ook al tv gekeken heeft?, lepelt ze in met de lach. Want zoals diezelfde Blaise Pascal het al zei : ?Zij die hierover filosoferen en geloven dat de wereld hierin erg onredelijk is, kennen onze natuur niet?. Die humoristische manier om de problematiek van de hedendaagse mens te duiden, heeft Toussaint gemeen met een aantal generatiegenoten die ook door Les Editions de Minuit van de legendarische Jérôme Lindon worden uitgegeven. Verkeerdelijk worden zij de nieuwe ?Ecole de Minuit? genoemd. Of de ?Nouveau Nouveau Roman?, in navolging van de schrijversgeneratie die in de jaren vijftig en zestig bij dezelfde uitgever publiceerde. Meest opvallende figuren waren Alain Robbe-Grillet, Michel Butor, Marguerite Duras, de Nobelprijswinnaar Claude Simon en Nathalie Sarraute, de nu 95-jarige ontwerpster van de moderne psychologische roman wiens verzameld werk zopas in de prestigieuze editie van La Pléiade werd uitgegeven. Ook die auteurs waren afkerig van iedere vorm van etikettering. PASTICHE OF PARODIEMaar als Jean-Philippe Toussaint, Jean Echenoz, Marie Ndiaye, Jean Rouaud of Hélène Lenoir het recht op een eigen artistieke visie opeisen, hebben ze toch ook een aantal zaken gemeen die verder gaan dan historisch bepaalde elementen zoals leeftijd en uitgever. Inhoudelijk kunnen we moeilijk naast de aliënatie van de hedendaagse mens kijken zoals zij die opvoeren in hun romans. Dit in al zijn vormen, ten opzichte van de media, de anderen en zichzelf. De humor waarmee dit alles wordt blootgelegd, maakt het er niet minder erg om. Die humor is nauw verbonden met de manier waarop de auteurs omgaan met de taal en de literaire traditie. Zij hebben die niet zoals sommige voorgangers willen omverwerpen, maar hebben ze zich integendeel op een minutieuze wijze eigengemaakt om ze in een gelouterde vorm opnieuw in te voeren. Die loutering gebeurt aan de hand van de meest uiteenlopende komische vormen, gaande van persiflage tot slapstick. De bestaande genres worden geperverteerd in de vorm van pastiche of parodie, of worden onmerkbaar met elkaar vervlochten. Zoals bij Ndiaye, die fabelachtige elementen zonder verklaring voor waar doet aannemen zoals de toverkunst van een maraboe in een Afrikaanse dorpsgemeenschap. Echenoz is in die destabiliserende romanstrategie het verst gegaan. Zijn spel met taal en genres maakt het de lezer onmogelijk om zich nog met de personages en de gebeurtenissen te identificeren. Rouaud gaat iets traditioneler tewerk, maar in de poliepachtige structuren die zijn autobiografische ficties tot leven wekken, is een uiterst subtiele vorm van persiflage werkzaam. In de psychologische romans van Lenoir vervagen de grenzen tussen buiten- en binnenwereld dankzij een gladde clichétaal, waarin de lezer dezelfde onuitspreekbare gevoelens herkent die het personage erin wegmoffelde. In al die benaderingswijzen is een visie werkzaam over de relatie tussen de taal en de werkelijkheid. Dit hebben zij gemeen met de Nouveaux romanciers van de jaren zestig. In zijn ophefmakend essay ?Pour un Nouveau Roman? (1963) rekende Alain Robbe-Grillet af met de realistische psychologie van de personages van Honoré de Balzac (waarbij types worden opgevoerd die representatief zijn voor een menselijke passie), alsook met de essentialistische mythe van de diepgang die allerlei graafwerk in de natuur veronderstelde met het oog op het opdiepen van ?de? waarheid. Nog vóór Robbe-Grillet was Nathalie Sarraute heel wat verder gegaan in de weergave van de psychologie van haar personages. Hun interne wereld werd in de verhaalstructuur ingebouwd in hun voorbewuste toestand, zoals in ?Tropismes? (1938). BESCHRIJVENDE ROMANKUNSTDe ?objectiviteit? van de negentiende-eeuwse realistische roman vond evenmin genade in Robbe-Grillets ogen. Het alwetend perspectief die deze visie ondersteunde, was voor hem niets anders dan een blinde vorm van theocentrisch idealisme zoals ook een Friedrich Hegel dat in zijn filosofie voorstond. Robbe-Grillet pleitte voor een beschrijvende romankunst, die de werkelijkheid in zijn beweging zou vatten zoals in de film. Hijzelf en Duras hebben zich trouwens aan de filmkunst gewaagd. Het personage zag hij als een functie. Sinds ?K.? van Kafka en ?l'Etranger? van Camus had de held immers afgedaan. Het etiket van ?roman objectif? dat men zijn werk wou opplakken, weigert hij volledig. Zo was zijn uitspraak over de romans die hij sinds ?Le Miroir qui revient? (1984) publiceerde (?Ik heb nooit over iets anders dan over mijzelf gesproken?) alleen verrassend voor hen die zijn werk niet écht kenden. Later eiste hij zelfs de op dit ogenblik erg modieus klinkende term ?auto-fictie? op om zijn oeuvre te duiden. De term werd voor het eerst gebruikt in 1977 door Serge Doubrovsky voor zijn roman ?Fils?, waar de auteur bij name de status van personage opeist. Dit is wat de theoreticus Philippe Lejeune het ?autobiografisch pact? noemt, waarbij de verteller in de eerste persoon wordt gelijkgesteld met de auteur op de kaft. Maar Doubrovsky wou hierbij wel het fictief karakter van zijn roman veilig stellen. Men kan zich de vraag stellen of hij met dit neologisme geen oude wijn in nieuwe zakken heeft gegoten : de aloude topos van de onmogelijke oprechtheid van de belijdenisroman sinds de achttiende-eeuwse ?Confessions? van Jean-Jacques Rousseau. Dit onder meer door de onbetrouwbaarheid van het geheugen waarover de Frans-Argentijnse auteur Hector Bianciotti het zo vaak heeft, die de herinneringen opnieuw omvormt telkens hij die oproept. De term kan ook als reactie gelden op de schroom die bestaat bij vele auteurs voor het narcistisch aandoend uitstallen van het intieme ?ik? : de auto-fictie als schaamlapje. HEROPSTANDING VAN DE AUTEURMaar zoals de jonge filologe en romanschrijfster Marie Darrieussecq in de jongste herfsteditie van het tijdschrift Poétique opmerkt, kan de term ook letterlijk worden opgevat. Het is niet omdat de verteller dezelfde naam draagt als de auteur, dat hij zijn eigen leven niet zou kunnen verzinnen. De identiteit, sluitstuk van het autobiografische pact, wordt zelf fictie en weg dus pact ! Zoals destijds een zekere Dante Aleghieri, die zichzelf in zijn ?Divina Commedia? ten tonele voerde in ?Hel of Paradijs?. Op de grens tussen fictie en werkelijkheid luidt de auto-fictionele roman de heropstanding in van de auteur, maar dit in volle vrijheid, in de vorm waarin hij dat zelf wil. Dit lijkt ook het geval te zijn met de anonieme ik-figuur van Toussaints romans die, zoals in ?La télévision?, geleidelijk aan het statuut van personage verwerft door de manier waarop hij de minieme dingen die hem overkomen, ervaart en becommentarieert. Naargelang het verhaal vordert, doemt het beeld op van een auteur in Berlijn (zijn vrouw en zijn kind zijn in Italië met vakantie), oog in oog met zijn studieproject waarvan hij al de geneugten al vóór zijn realisatie heeft doorlopen en waar dus alleen maar het labeur van overblijft. Van het passieve nietsdoen (het over zich heen laten gaan van de beeldenstroom uit zijn tv-toestel) gaat hij over naar meer actieve vormen van nietsdoen. Die monden uit in ongewild komische situaties, zoals een striptease in een Berlijns naturistenpark of de verwikkelingen rond een varen in een ijskast bij de thuiskomst van zijn buren die hem met een afmattende besproeiingsopdracht hadden belast. Moeizaam vorderen lezer en personage in het besef dat het voorgenomen project nooit verder zal raken dan zijn naamgeving (Titiaan, Tiziano, ?de? Titiaan, Vecellio, Vecelli ?...). Naarmate die fictie wegebt, ontwikkelt zich het echte boek, de roman die niet gepland was, maar waarvan de realisatie zich voltrekt onder de ogen van de lezer. En ja hoor, de illusie van een schilderij uit de Renaissance, aangebracht door middel van kleuren en pigmenten die ?een complex figuur tot leven brengen met een geschiedenis, een gevoeligheid, een blik?, is wel degelijk verschillend van de illusie van een tv-beeld dat slechts ?het mechanische resultaat is van een onbemande techniek?. Francis Cromphout Jean-Philippe Toussaint, ?La télévision?, Les Editions de Minuit, Parijs, 270 blz., 588 fr. Jean-Philippe Toussaint : niemand kan nog zonder die machtige machine die de vlucht uit de gedachte organiseert.