'Als iets niet rijmt en ook geen verhaaltje is over twee mensen die gaan scheiden en weer bij elkaar komen, heet het een essay.' Gerrit Komrij cultiveert een haat-liefdeverhouding met het essay en spreekt daarom liever over 'proza-oefeningen'. Nochtans is hij een meester in het genre die in De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 200 essays, de nieuwste bloemlezing van Joost Zwagerman, dan ook terecht het maximum aantal van drie essays meekreeg.
...

'Als iets niet rijmt en ook geen verhaaltje is over twee mensen die gaan scheiden en weer bij elkaar komen, heet het een essay.' Gerrit Komrij cultiveert een haat-liefdeverhouding met het essay en spreekt daarom liever over 'proza-oefeningen'. Nochtans is hij een meester in het genre die in De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 200 essays, de nieuwste bloemlezing van Joost Zwagerman, dan ook terecht het maximum aantal van drie essays meekreeg. Als deze meeslepende anthologie iets leert, is het wel de flexibiliteit van dit 'probeersel'. Tot de jaren vijftig van de vorige eeuw was het essay een bij uitstek cerebraal genre, dat dan ook bij voorkeur door de intellectuelen van dienst werd beoefend. Vandaar de vileine typering van het esseej door Willem Frederik Hermans: 'Het is een opstel waarin andermans boeken worden naverteld zonder namen te noemen, Engelse en Franse schrijvers in de oorspronkelijke taal worden geciteerd omdat het dan veel mooier klinkt en conclusies worden getrokken die de lezer zelf ook wel had kunnen trekken, als hij daar plezier in had gehad.' Zwagerman bewijst echter met deze excellente keuze van essays de blakende vorm waarin dit vaak miskende genre vandaag verkeert. Conrad Busket Huet mag de stoet openen met een essayistisch fragment uit Het land van Rembrandt en Abdelkader Benali sluit af met Schipperen tussen twee Mekka's. Zo erudiet en professoraal Huet overkomt, zo verhalend en detailbezeten pakt Benali het aan. Maar ook al is de essayistische benadering van Huet en Benali fundamenteel anders, toch blijft de intelligente grondtoon dezelfde. Essayisten, van welke pluimage ook, proberen in de regel bepaalde inzichten of ervaringen zo nauwkeurig mogelijk met hun argumenten of vertellingen vast te pinnen. Misschien is dat wel het essentiële kenmerk van het essay: intellectuele eerlijkheid. Daarvan kan er nooit genoeg zijn. Daarom is het essay zo'n onmisbaar literair instrument om deze tijden te begrijpen en daarom ook is deze bloemlezing van Zwagerman zo belangrijk. Het is opvallend hoe de Nederlands-Vlaamse samenleving sinds 1880 is veranderd en dus ook de essayistische manier om haar te verstaan. De cultuurhistorische benadering van de traditionele essayistische beschavingskritiek, zoals de magistrale Johan Huizinga die beoefende, heeft plaatsgemaakt voor een vertellende analyse van binnenuit. Toch blijft Huizinga met zijn apocalyptisch taaleigen nog altijd brandend actueel: 'Wij leven in een bezeten wereld. En wij weten het. Het zou voor niemand onverwacht komen als de waanzin eensklaps uitbrak in een razernij, waaruit deze arme Europese mensheid achterbleef in verstomping en verdwazing, de motoren nog draaiende en de vlaggen nog wapperende, maar de geest geweken.' Zwagerman heeft zich dus voorbeeldig van zijn bloemlezende taak gekweten, ook in de genereuze selectie van Vlaamse essayisten: van August Vermeylen en Herman Teirlinck tot Bernard Dewulf, Dirk van Bastelaere en Paul Claes. Dat er slechts twee Vlaamse essayisten met twee van hun pittigste probeersels aanwezig zijn (Paul van Ostaijen en Patricia de Martelaere) is misschien niet onlogisch. Alleen Simon Vestdijk, Kees Fens, Menno ter Braak, Rudy Kousbroek, Komrij, Hermans en Huizinga scoren drie vermeldingen. Zwagerman is zelfs niet te beroerd om ook een essay van filmsemioticus en voormalig Knack-medewerker Dirk Lauwaert op te nemen. Kortom, het is dus zeker geen ons-kent-ons-onderonsje geworden. Ook al durft Zwagerman zichzelf in het zonnetje te zetten met één eigen essay, Zelfmoord als handelswaar, een polemisch stuk tegen de zelfmoordindustrie, waar Karin Spaink volgens Zwagerman een exponent van is. Zwagermans persoonlijk essay demonstreert hoe niet alleen het klassieke leesvoer maar evenzeer intieme ervaringen, zoals de doodswens van Zwagermans geplaagde vriend, de essayist van tegenwoordig van stof tot nadenken voorzien. Daarmee wordt het essay haast een journalistiek genre en vervagen de grenzen tussen essay en reportage. De essayistiek en de kwaliteitsjournalistiek: twee bondgenoten in dezelfde strijd voor meer brains in de media? Wie Zwagermans anthologie leest, beseft hoe levensnoodzakelijk het betere essay in het maatschappelijke debat blijft. JOOST ZWAGERMAN (SAMENSTELLER), DE NEDERLANDSE EN VLAAMSE LITERATUUR VANAF 1880 IN 200 ESSAYS, PROMETHEUS, AMSTERDAM, 1518 BLZ., 49,95 EURO. DOOR frank hellemans