'Wat is dít?' gebaart de officier. De grenspost tussen Libanon en Syrië. Alle tassen moeten open, fotocamera's en lenzen worden uit elkaar geschroefd, serienummers worden opgeschreven. Er blijkt zowaar een fax gestuurd door Reem Haddad van het ministerie van Informatie in Damascus, met een lijst van ons materiaal. Het chique zwarte doosje van chocolatier Pierre Marcolini op de Brusselse Zavel staat er echter niet op. 'Wat is dit?' herhaalt de officier. 'Pralines voor mevrouw Assad', zeg ik. Zijn gezicht verstrakt. Priemend kijkt hij me in de ogen. 'Wát zeg je? Voor de vrouw van onze president?' Van het ene op het andere moment is de sfeer ronduit dreigend. De seconden tikken terwijl ik naar woorden zoek om me eruit te redden. Dan ineens schiet het me te binnen en ik wijs naar de fax: 'No no, you didn't understand: pralines voor mevrouw Haddad!'
...

'Wat is dít?' gebaart de officier. De grenspost tussen Libanon en Syrië. Alle tassen moeten open, fotocamera's en lenzen worden uit elkaar geschroefd, serienummers worden opgeschreven. Er blijkt zowaar een fax gestuurd door Reem Haddad van het ministerie van Informatie in Damascus, met een lijst van ons materiaal. Het chique zwarte doosje van chocolatier Pierre Marcolini op de Brusselse Zavel staat er echter niet op. 'Wat is dit?' herhaalt de officier. 'Pralines voor mevrouw Assad', zeg ik. Zijn gezicht verstrakt. Priemend kijkt hij me in de ogen. 'Wát zeg je? Voor de vrouw van onze president?' Van het ene op het andere moment is de sfeer ronduit dreigend. De seconden tikken terwijl ik naar woorden zoek om me eruit te redden. Dan ineens schiet het me te binnen en ik wijs naar de fax: 'No no, you didn't understand: pralines voor mevrouw Haddad!' Syrië is in oorlog. 'In crisis', zeggen ze aan regeringszijde. We rijden de veertig kilometer snelweg naar Damascus door negentien wegversperringen en controles van paspoort en visa en draaien via het zuiden de stad in. Doffe knallen in de verte. Dan, als we stilstaan bij het twintigste roadblock, twee enorme klappen naast ons, de taxi schudt ervan. Verderop, op minder dan een kilometer, de rookpluimen van granaatinslagen en een volkomen in puin geschoten flatwijk. Het zal de voorstad Darayya zijn, aan het begin van de opstand in 2011 toneel van vreedzame protesten, maar nu naar verluidt in handen van de aan Al-Qaeda gelieerde jihadistengroep Jabhad Al-Nusra. Twee tanks snellen met geheven loop over een viaduct. Dan een tik op de kofferbak, ten teken dat we door kunnen rijden. 'Welcome to Syria', roept een soldaat ons nog na. Drie maanden geleden besloten we naar Syrië te gaan, met het wilde plan president Bashir Assad te interviewen. 'We willen begrijpen wat de Syrische regering drijft', schrijven we de ambassade. 'Er is een disbalans in informatie. Het is misschien tijd voor een interview met de president.' Een oorlog tegelijk coveren aan twee kanten, weten we, is feitelijk onmogelijk - en daarom ongewenst. Er komt nauwelijks onafhankelijk nieuws uit Damascus. De internationale pers lijkt aan regeringszijde zogoed als afwezig. Helaas blijkt de Syrische ambassadeur in Brussel tot persona non grata verklaard. Net als we het idee opzijgeschoven hebben, komt ineens een e-mail uit Damascus. 'Op dit moment zit een interview met de president er niet in,' schrijft Hamsa Al-Kassir, 'maar kom vooral koffie drinken.' We googelen. Ze was tot vorig jaar de personalassistant to the First Lady. En nu doet ze de perscontacten van de president. Ons verzoek is bij gebrek aan ambassadeur door de staf in Brussel direct maar op het bordje van Assad gelegd. De visa liggen klaar. 'Jullie zijn vrij om te gaan en te staan waar je wilt', zegt Reem Haddad. 'Heb je zelf een tolk of wil je er gratis een mee van ons?' Dat willen we wel, gezien ons budget. Bacel, een gewezen diplomaat-in-opleiding, wordt van zijn computer weggeplukt en tot metgezel gebombardeerd. Hij doet aan yoga, rookt dagelijks dertig sigaretten en beschikt over een droge humor - het kon slechter. Buiten het ministerie horen we granaatvuur op afstand. Niemand kijkt op of om. Tien, vijftien knallen per uur. Outgoing fire. Damascus blijkt aan drie kanten door rebellen omsingeld: alleen de westkant, de weg naar Beiroet, is vrij van gevaar. Op bijna iedere straathoek een roadblock. Soms vliegt er een straaljager over en klinkt er in de verte een hardere klap. 'We behandelen iedereen,' zegt Adib Mahmoud, geneesheer-directeur van Damascus Hospital, 'regeringszijde en rebellen.' Maar gewonde rebellen zijn er nu niet, in het grootste ziekenhuis van de stad. De hele staf is aangetreden. Er lopen onopvallend-opvallend veiligheidsmensen mee, in leren jasjes. 'We behandelen per dag 800 tot 900 patiënten,' zegt de directeur, 'waarvan zo ongeveer 25 oorlogsslachtoffers.' De cijfers van het aantal oorlogsdoden in en rond Damascus kan hij niet geven. Die zijn, zegt hij met zoveel woorden, militair geheim. Maar de gecalculeerde schatting is dat het er per dag zo'n dertig zijn, de helft in het regeringskamp, de helft in het gebied van de rebellen. En sinds het begin van het conflict in 2011 zijn in het totaal zo'n 130.000 doden gevallen. 'We beschikken nog steeds over de allernoodzakelijkste medicijnen,' zegt de directeur, 'al stonden de meeste farmaceutische fabrieken in Aleppo en zijn die nu vernietigd. We wachten al maanden op onderdelen voor de MRI-scanners van Philips en Siemens. Door de westerse boycot zijn reserveonderdelen onbetaalbaar.' Opeens ontstaat er drukte. Een brancard wordt in vliegende vaart binnengereden. We staan met onze schoenen in het bloed terwijl een verpleegster met een balg zuurstof in de longen pompt van een man - aan z'n kleding te zien geen soldaat maar een burger - die zojuist door een sluipschutter in het hoofd is geschoten. Het ziet er ernstig uit. De chef-eerste hulp, met wie we zojuist aan de koffie zaten, snelt de gang op. Hij blijft uiterlijk kalm, maar kookt vanbinnen. 'Natuurlijk ben ik boos. Ik ben arts, ik háát het om bloed te zien dat opzettelijk is vergoten.' Of de man het haalt, weet hij niet. Bij het afscheid geeft hij ons een portret van Assad cadeau. Van plexiglas, met een lampje. We moeten wachten op de hoek van de Oude Stad, zegt Bacel. Een zwarte auto van de president zal ons komen ophalen. Zelf gaat hij niet mee. We kijken uit naar zwarte Mercedessen en BMW's, wanneer een kleine zwarte Hyundai stopt. Vuil, maar vooral onopvallend. Het is bijna donker als we aankomen bij het presidentiële paleis. Het wordt niet aangegeven op onze kaart - al staat het hoog op een heuvel in het noordwesten van de stad. 'Wat is dat grote gebouw in de verte?' hadden we Bacel eerder die dag al gevraagd. 'Dat weet ik niet', had onze tolk, niet geheel overtuigend, geantwoord. De hydraulische wegversperring zakt naar beneden. Jongens in leren jasjes, sommigen met kalasjnikovs, anderen met pistool, inspecteren de auto. Alle camera's moeten we afgeven. Dan een kilometerlange oprijlaan, met palmen en gesnoeide buxusbomen en bijpassende bolvormige lampen. In de verste verte geen mens te bekennen. Een twee verdiepingen hoge modernistische kolos rijst op: twee ineengeschoven schoenendozen van glas, staal en graniet. Binnen, in de roze granieten gangen, afbrokkelend voegwerk, naïeve kunst en een groot portret van Assad in battledress. Het is steenkoud. De lange gangen zijn leeg. Op de binnenplaatsen geen mens. De gewone Syriër komt hier nooit, verzekeren gewone Syriërs. En president Assad werkt naar eigen zeggen - in een zeldzaam interview dat hij vlak voor onze komst toch aan het Franse AFP gegeven blijkt te hebben - bij voorkeur in z'n privéflatje in het centrum van Damascus. 'Ja, we bezuinigen op brandstof', zegt Hamsa Al-Kassir. 'Het gaat niet aan om het hier warm te stoken terwijl de bevolking in de kou zit. Energie is een groot probleem aan het worden. De terroristen hebben de meeste olievelden in handen en beschieten geregeld de stroomvoorziening.' Maar in haar kantoor is het lekker warm en komt de beloofde koffie. Kiekjes van Hamsa met een lachende Assad. En van Asma, de Brits-Syrische First Lady - van een understated elegantie met blauwe nagellak. 'Ze krijgt 'm vanavond nog', zegt Hamsa wanneer ze de doos pralines in ontvangst neemt. Ik verontschuldig me: 'Het is oorlogstijd; eigenlijk geef je een staatshoofd geen etenswaren; vergiftiging en zo...' Ze veegt mijn scrupules resoluut van tafel: 'Dat geloven we wel. Het zijn normale mensen. Ze hebben ook geen zin om in paranoia te leven. Controleren is in dit geval niet nodig. Mevrouw Assad houdt van chocola. Wil je niet een boodschap toevoegen?' Hamsa is hip. Achtentwintig en modeontwerpster van beroep, totdat ze naar de Assads geroepen werd. Bruin haar, stralende ogen, ze lijkt zo weggelopen uit een Italiaanse club of film. Door de kamer schalt met regelmaat de tune van Daffy Duck, haar hilarische beltoon. 'Je moet niet altijd serieus zijn, vind ik. En nee, ik neem 'm niet mee bij gesprekken met de president, maar waarschijnlijk zou ook hij moeten glimlachen.' De president heeft z'n kantoor luttele meters verderop. 'We zijn een vrij en gecultiveerd land', zegt Hamsa. Iedereen in Damascus is heel open, valt ons op. Op straat, in de kroegen in de Oude Stad waar we gisterenavond arak dronken. Anders dan in veel politiestaten leek niemand beducht om met ons, buitenlanders, te praten. En van de beruchte geheime dienst - er zijn er naar verluidt wel dertig - hebben we nog helemaal niks gezien. 'Wees er maar zeker van dat de politie weet wie je bent', zegt Hamsa. 'Maar van de geheime dienst zul je geen last hebben, want jullie zijn niet illegaal het land binnengekomen. Op dit moment zijn er zo'n dertig journalisten zoek: ze sluipen illegaal het land in en raken zoek in rebellengebied. En wij krijgen dan van hun regeringen en van het Internationale Rode Kruis het verzoek om informatie over hun wherabouts - waarover ook wij natuurlijk volslagen in het duister tasten.' We kunnen de volgende ochtend mee met het regeringsleger naar het front, had Reem Haddad gezegd. Maar net als we op punt van vertrek staan, belt het leger af. Hoewel de vredesbesprekingen tussen regime en oppositie in Genève een uur geleden van start zijn gegaan, klinken klappen in de verte. We zeggen Reem dat we naar het voorstadje Sahnaya willen, hemelsbreed tien kilometer ten zuiden van de stad. De katholieke paters jezuïeten runnen daar een veldkeuken voor duizenden vluchtelingen uit het aangrenzende Darayya - in handen van Al-Nusra. Maar de snelweg naar Sahnaya, een uur eerder nog open, is nu afgesloten. 'You guys want to try the other road?' vraagt Bacel, zichtbaar hopend op een 'nee'. De andere weg is een kruip-door-sluip-doorweg door vijandelijk gebied. Letterlijk. Met bulldozers heeft het regeringsleger aan weerszijden van de weg dijken van puin opgeworpen tegen sluipschutters. In de veldkeuken van de jezuïeten grote pannen met rijst en vlees. En tomatensalade! We moeten proeven, het smaakt heerlijk. 'We proberen volgens de authentiek-Syrische keuken te koken', zegt de kok. 'Met kruiden en kleine stukjes vlees. Goede maaltijden - als is het er maar een per dag - zodat de vluchtelingen hier zich toch nog wat menselijk kunnen voelen.' Fotograaf Teun Voeten wil nog wat foto's nemen van vluchtelingen die in half afgebouwde betonflats wonen, maar dan tikt een jongen in een leren jasje op onze schouder. Of we even willen plaatsnemen op de plastic tuinstoeltjes langs de weg, er is een klein probleem. Het plaatselijke militaire hoofdkwartier huist in een oud bankgebouw. Onze permits worden bekeken, en Bacel trekt zijn ID van het ministerie van Informatie. 'Five minutes!' zegt een andere jongen in een leren jasje. Hij begint druk rond te bellen. Dan, een halfuur later, treedt een man binnen van middelbare leeftijd, rijzig en met grijze haren en goed gecoiffeerde grijze baard. In battledress, zonder rangonderscheidingstekens en behangen met patroongordels. Alle soldaten staan als één man op. Hij knikt ons kort toe, om ons daarna geen blik waardig meer te keuren, terwijl Bacel in het Arabisch tegen hem praat. We besluiten Reem te bellen, en Hamsa op het paleis. Beiden spreken met de commandant, maar de verwachte glimlach van respect en bevrijding ('Ah! Gasten van de Regering!') verschijnt allerminst op z'n gezicht. Als we een uur later ineens mogen gaan, vat Bacel het kort samen: 'Ze hebben me gezegd: we nemen geen bevelen aan van jouw ministerie en zelfs niet van het paleis van de president, maar alleen van onze superieuren. Ik vertelde ze dat jullie hier volstrekt legaal zijn, maar onze invloed reikt niet ver genoeg. Dus hebben ze de commandant hier, Abou Adman, van het front gehaald, speciaal voor jullie. Hij vertelde me dat hij een paar uur eerder zeven man verloren heeft. De commandant heeft met de generale staf gebeld, de generale staf met het ministerie van Defensie, Defensie met Buitenlandse Zaken, dat jullie namen bevestigde, en toen weer terug via de generale staf naar hier. Een strikte scheiding der machten; zo gaat dat in een rechtsstaat.' Buiten het postkantoor staat luchtafweergeschut en een raketwerper die er daarvoor nog niet stond. Soldaten lopen rond met grote snipergeweren. Op het einde van de eerste onderhandelingsdag in Genève is het volop oorlog in Damascus. 'Welcome back, dear!' sms't een opgeluchte Reem Haddad. Ze probeert nog een trip met het leger te fixen voor alle buitenlandse journalisten in het land (te weten: twee Japanners, twee Oekraïners en naar verluidt een Deen) maar heeft er een hard hoofd in. Dus gaan we naar het Nationale Museum, dat sinds de crisis gesloten is. Alleen buiten in de beeldentuin slenteren tussen Korintische zuilen wat mensen rond. 'We hebben onze topstukken goed weggestopt', zegt directeur Ahmad Deeb vanachter zijn straalkacheltje. 'We hebben geleerd van Irak, tien jaar geleden, waar tijdens de chaos van de Amerikaanse invasie het Nationale Museum volkomen leeggeplunderd werd.' Zalen vol lege vitrines. Alleen hier en daar nog een onbeduidend stuk mozaïek aan de muur. Meer zorgen maakt Deeb zich over de plundering van de achtduizend archeologische vindplaatsen die het land rijk is. 'We hebben geen zicht meer op Oost- en Noord Syrië. We horen daar van plunderingen door handelaren in oudheden, maffia, iets wat van alle tijden is, maar ook van verwoestingen door extremisten die alles willen vernietigen wat niet islamitisch is.' 'Mochten jullie in Brussel iets zien van gestolen voorwerpen, wil je het ons dan alsjeblieft doorgeven?' vraagt een middelbare vrouw met een hoofddoekje. Ze is de conservator Oudheden. Dat beloven we te doen. Iets verderop ligt de Hogeschool voor de Podiumkunsten. De jongens en meiden van het eindexamenjaar, allen tussen de 19 en 23, wachten al de hele ochtend met een enscenering van Carmen van George Bizet. 'They are so excited!' zegt docente Maral Der Arakelian, een vriendin van Hamsa, die ons erheen heeft gestuurd. Draaidecor van stierenkop op schaal - het échte operapodium is tot nader order gesloten. Kostuums gemaakt van oude kranten en vuilniszakken, 'want textiel is nu te duur'. Kringgesprek. 'Natuurlijk laat de oorlog zijn sporen na', zegt Ahmed, de decorontwerper. 'Maar hier op het instituut kunnen we de oorlog vergeten. We willen niet trappen in de val van de vervreemding, we willen zo normaal zijn als vóór de oorlog. Dus maken we kunst en mooie dingen.' Aan rebellenkant, zeggen ze, in Aleppo, zit een 22-jarige jongen - 'a fine painter' - die absurdistische schilderijen schildert en die met de vluchtelingen de stad uit smokkelt. 'Hij blijft schilderen!' Zo vrij kan het leven zijn. 'Het spreken van een Arabische Lente in Syrië, is hopeloos romantisch', zucht jezuïetenpater Nawras Sammour (45). 'Het is een open oorlog tussen twee botsende ideologieën, waartussen de gewone Syriër gevangenzit. Of ik vrij kan spreken? Natuurlijk kan ik vrij spreken, want ik spreek vanuit de principes van het evangelie, dat ik niet kan verkwanselen. We willen geen oorlog meer! We willen niet dat er nog langer wapens Syrië in gesmokkeld worden. De opstand tegen Assad was in het allereerste begin wellicht een volksprotest, een roep om hervormingen. En ook de president heeft toegegeven dat die nodig zijn. Maar al snel klonk internationaal de roep om het onmiddellijke vertrek van de president, iets wat te moeilijk is, voor het regime, voor de president. Geweld brak uit, van beide zijden, en iedereen probeert de bal nu in het andere kamp te leggen. Het land is toneel geworden van de jihad en het internationale moslimextremisme. Dat is voor de cultuur van Syrië en voor de moslims van Syrië onacceptabel. Het land is een mozaïek van verschillende volkeren, religies en culturen. Syrië is geen land van de jihad, Syrië is voor de Syriërs. Met alle respect voor jullie: we hebben geen buitenlanders nodig om ons te vertellen hoe we Syrië moeten beschermen.' Kantelt langzaam het beeld, vraag ik hem. Is Assad niet langer de duivel, maar is een deel van de oppositie minstens net zo erg? 'Op dit moment, zou ik zeggen, zijn degenen die het meest machtig zijn in de oppositie boosaardig. Al-Nusra, ISIS, de islamisten. Ze marginaliseren me, accepteren me niet als Syriër in mijn eigen land, dus voor mij zijn ze het pure kwaad. Ze weigeren dialoog, ze weigeren samen te werken om een nieuw Syrië te scheppen.' Een nieuw Syrië? 'Misschien dat ik het niet meer meemaak, maar mijn neefjes en nichtjes misschien wel: een vrij en modern Syrië! Op dit moment is het moeilijk om daarover te praten: het is oorlog. En het tragische van oorlog is dat de menselijke rede volkomen gemarginaliseerd wordt. We react, we don't act. Dat is ontzettend triest. Want de reactie is vaak nog gewelddadiger dan de actie.' Denkt hij dat er na de oorlog hervormingen zullen komen? 'Ik hoop het met heel mijn hart. Anders vrees ik dat we met één overwinnaar en met één verliezer overblijven, een levensgevaarlijk scenario dat binnen veertig jaar onvermijdelijk opnieuw tot oorlog leidt. Laten we uitgaan van het idee dat we allemaal verliezers zijn. Als we dát accepteren, zijn we in zekere zin gelijken. De soennieten hebben veel mensen verloren. En de sjiieten. En de alevieten. En de christenen. We zijn mensen kwijt! In het leger! In de steden! Kinderen! We zijn allemaal verliezers; laten we als verliezers starten.' Ergens in de stad komen we een hoge generaal tegen. Soft-spoken, perfect Engels. 'Ik spreek hier op persoonlijke titel. Ik ben een oudere man, zonder verstand van politiek, maar met hopelijk wat wijsheid.' Hij geeft ons zijn naam, maar wil liever niet op de foto. Hoeveel slachtoffers vallen er nu eigenlijk in en rond Damascus? Hij zucht. 'Too many, too many... De gevechten zijn de laatste dagen toegenomen. Tweehonderd, driehonderd gewonden per dag. Het exacte aantal doden mag ik je niet geven.' Het Syrische leger vecht niet tegen de burgerlijke oppositie, zegt hij. 'Mensen, vind ik, hebben het recht om te zeggen wat ze willen, maar niet met wapens in de hand. Ik wil dat we in Genève met alle redelijk denkende mensen die in Syrië wonen - en níét daarbuiten - om de tafel gaan zitten, maar niet met jihadisten. Niet met mensen die niet begrijpen dat we als burgers willen leven. We zijn net als jullie Europeanen, we zijn een burgermaatschappij. We willen graag in de 21e eeuw blijven leven en niet teruggeworpen worden naar de steentijd. We vechten tegen extremisten.' Een Russische Hind-25 gevechtshelikopter hangt boven de stad. Lang, slank, in grijze camouflagekleuren, als een grote libelle. S8-raketten onder de uitgespreide vleugels. Dan klimt hij op, tot grote hoogte, hoog boven vijandelijk gebied in het noorden. De besprekingen in Genève zijn voor tien dagen stilgelegd. Op Darayya, zo melden internationale media, hebben helikopters barrel bombs gegooid, tonnen vol explosieven, maar we zien of horen niks. Overal in Syrië, maar vooral in Aleppo, laaien na Genève de gevechten op. We nemen afscheid van Reem Haddad. Maar hoe nu verder? Waar zet het Syrische regime op in als de onderhandelingen in Genève weer verder gaan? Komt er een overgangsregering? Met of zonder Assad? 'Dat is een beslissing die door het Syrische volk zelf genomen moet worden, en niet in Genève, pratend met meneer Kerry. Voordat je over een overgangsregering kunt spreken, moet je het geweld stoppen. Hoe kan ik vrij stemmen als mijn stad in handen is van extremisten?' Maar... 'Nee, laat me uitspreken. De eerste stap is dat de landen die het geweld aanzwengelen en financieren daarmee stoppen. Turkije en Saudi-Arabië, en in mindere mate Qatar. De grenzen moeten worden gecontroleerd. Dagelijks komen er jihadisten de grens over om de marteldood te sterven in Syrië.' Er vechten naar verluidt driehonderd jihadisten mee uit België. 'Ik heb de exacte cijfers niet, maar het zijn er veel. Ook uit Australië, het Verenigd Koninkrijk, Azerbeidzjan, enzovoort. Mensen die tot voor kort nog nooit van Syrië gehoord hadden. Dit conflict begon in Syrië, maar het verspreidt zich. Het kan maar al te snel ook een Europees probleem worden. Het zijn jihadisten die Europa verlieten om hier te vechten en die naar Europa terug zullen keren! Kijk naar die vent van Sharia4Belgium: hij wil terug en wil bomaanslagen plegen in Brussel.' U zegt dat het liberale Westen en het Assad-regime eigenlijk aan dezelfde kant staan? 'Zeker wat betreft de strijd tegen de islamisten. Daar zouden we schouder aan schouder moeten staan. Maar ik wil eigenlijk een ander punt maken: hoe komt het dat moslimmigranten van de tweede en derde generatie in Europa naar Syrië komen voor de jihad? Zijn ze niet goed geïntegreerd in jullie samenleving? Dat is het meest trieste punt: dat ze klaarblijkelijk voelen dat ze hun identiteit alleen kunnen vinden als ze voor de jihad naar Syrië komen. Daar moet je eens over nadenken: waarom verliezen we die jongens en wat doen we verkeerd?' 'The First Ladylovedit. She says thank you', zegt Hamsa als we bij het afscheid informeren naar de doos pralines. 'Wil je een interview met mevrouw Assad?' Graag natuurlijk! Maar de First Lady geeft sinds het uitbreken van de crisis toch geen interviews meer? 'Klopt. Maar het kan zijn dat ze daar straks weer mee begint. En je staat hoog op de lijst.'DOOR ROBERT DULMERS, FOTO'S TEUN VOETEN'Het is een open oorlog tussen twee botsende ideologieën, waartussen de gewone Syriër gevangenzit.' 'Kijk naar die vent van Sharia4Belgium: hij wil terug en wil bomaanslagen plegen in Brussel.'