JA
...

JAMarleen Vanderpoorten"We horen vaak dat de school te weinig aansluit op maatschappelijke noden. Uit onderzoek blijkt ook dat leerlingen wiskunde "zeer moeilijk, theoretisch en niet maatschappijgericht" vinden. Wie onderwijservaring heeft, weet dat nogal wat leerlingen, ook uit het algemeen secundair onderwijs (ASO), problemen hebben met wiskunde. Vaak zijn de wiskunderesultaten bepalend voor de verdere studies en dus ook voor de beroepsloopbaan. Ons wiskundeonderwijs behoort tot de wereldtop en Vlaanderen heeft het hoogste percentage hoger gediplomeerden. Maar ook de grootste groep jongeren die zonder enige kwalificatie de school verlaten. Wiskunde heeft voor een stuk de rol overgenomen die Latijn en Grieks vroeger hadden. Wie daar niet goed in was, kwam haast automatisch in sociaal minder gewaardeerde studierichtingen en beroepen terecht. Als onderwijsminister voel ik mij verantwoordelijk voor de gelijke kansen van alle leerlingen, van de meest- tot de minst begaafden, van de armsten tot de meest welvarenden. Daarom mag het ASO niet van in het derde jaar selecteren qua aanleg of interesse in wiskunde en dus ook niet beginnen met aparte pakketten wiskunde. Zo'n eenzijdige selectie op de leeftijd van veertien jaar perkt de toekomst van een grote groep leerlingen onrechtvaardig in. Mij lijkt de derde graad meer geschikt om verschillende niveaus wiskunde aan te bieden naargelang van de interesse en het talent van de leerling. Laat hierover geen misverstand bestaan: ik vind wiskunde een belangrijk en waardevol vak. Ik wil zeker de hoge kwaliteit van ons wiskundeonderwijs bewaren. Alle leerlingen zullen in de tweede graad ASO vanaf september 2001 trouwens - in tegenstelling tot wat in de kranten heeft gestaan - een groter gemeenschappelijk pakket voor wiskunde moeten verwerken dan nu het geval is. Het verschil met mijn voorgangers is dat ik tastbare garanties wil dat de leerlingen het verband leren zien tussen wiskunde en datgene waar ze in het dagelijkse leven mee geconfronteerd worden. Relevante wiskunde wil zeggen dat de leerlingen leren wat er zo bijzonder is aan bewijzen in de wiskunde en weten wanneer ze die kunnen gebruiken. Ik houd me bezig met de realiteit en daarom wil ik dat leerlingen wiskunde ervaren als boeiend en nuttig. Dat kan niet als het vak nooit concreet wordt aangeboden."NEELieve SimonsWiskunde is een algemeen vormend vak, net als talen en geschiedenis. Dat zegt Lieve Simons, voorzitter van de VVWL (Vlaamse Vereniging van Wiskundeleraren). "Wiskunde is er voor iedereen, maar eenzelfde pakket voor alle leerlingen in het derde en vierde jaar vind ik niet opportuun. Om te beginnen, zijn leerlingen van het derde jaar al erg verschillend in belangstelling en aanleg. Hebben ze dan niet het recht die belangstelling in hun keuzepakket te laten blijken? Ook het vak zelf kan zeer gevarieerd worden aangeleerd: van abstracte wetenschap tot praktische probleemoplosser. Elke leerling heeft toch het recht kennis te maken met de abstracte wereld van de wiskunde? Abstraheren is eigen aan het vak, maar dat wiskunde te abstract wordt aangeleerd, is niet meer waar. Na de vernieuwde leerplannen van de eerste graad is wiskunde niet meer het abstracte, wereldvreemde vak dat bij de meeste mensen opkomt als ze terugdenken aan hun eigen opleiding. Er bestaat een verkeerd beeld, maar dat is geen reden om te hervormen! Veel leerlingen hebben inderdaad problemen met wiskunde. De oplossing daarvoor kan veeleer worden gevonden in een nog grotere differentiatie, waarin elke leerling, afhankelijk van aanleg en interesse, zijn gading kan vinden. Waarom mag een leerling met veel interesse voor het abstracte in wiskunde niet kiezen voor méér wiskunde in de opleiding? Natuurlijk brengt zo'n keuze mee dat andere vakken dan minder uren tellen, maar dat geldt toch ook voor wie meer uren talen of wetenschap kiest. Falen op school is niet de schuld van een vak. Vaak hebben de leerlingen of hun ouders een verkeerde keuze gemaakt. En dat leidt tot ons bekende watervalsysteem waar 'selectie' een louter negatieve klank krijgt. Maar selectie wil zeggen dat elke leerling in die studierichting terechtkomt, die voor hem of haar het best geschikt is. Alle ASO-afdelingen moeten gelijkwaardig zijn; dat 'veel wiskunde' wordt ervaren als een 'sterke' richting is niet de schuld van de wiskunde, maar van de maatschappij. Die ziet een opleiding met veel wiskunde als een pre voor grotere slaagkansen in het beroepsleven. Als er echt moet worden hervormd, ga dan niet hier en daar sleutelen, maar bedenk het hele onderwijs opnieuw, maak haalbare en langetermijnplannen. Het ASO staat nu al jaren onder druk van voortdurende hervormingen, waarbij de leraren nauwelijks zijn betrokken. Leraren en leerlingen hebben rust en stabiliteit nodig. Dat zijn de voorwaarden om te leren."Opgetekend door Misjoe Verleyen